Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/9.4
9.4 Uitvoering en resultaten van de pilots
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248573:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Evaluatie Breda Begroot, p. 7-8 en 19, bijlage bij de raadsvergadering van de gemeente Breda van 26 juli 2016.
Evaluatie Breda Begroot, p. 3-4 en 19, bijlage bij de raadsvergadering van de gemeente Breda van 26 juli 2016.
Evaluatie Breda Begroot, p. 15-16, bijlage bij de raadsvergadering van de gemeente Breda van 26 juli 2016.
Evaluatie Breda Begroot, p. 12, bijlage bij de raadsvergadering van de gemeente Breda van 26 juli 2016.
Evaluatie Breda Begroot, p. 15, bijlage bij de raadsvergadering van de gemeente Breda van 26 juli 2016.
De pilots in Princenhage en Prinsenbeek startten in het najaar van 2015 en kenden elk een andere opzet. Daar was bewust voor gekozen om zo te kunnen onderzoeken welke aanpak het beste werkte om burgers bij het begrotingsproces te betrekken. De pilot in Princenhage zag er op hoofdlijnen als volgt uit. In eerste instantie werd een kerngroep van 30 inwoners gevormd die aan de slag ging met de vraag ‘wat vind ik belangrijk voor Princenhage?’ De sessies van deze kerngroep waren voor iedereen toegankelijk en trokken uiteindelijk ongeveer 70 inwoners aan die daarna aparte werkgroepen hebben gevormd op basis van een bepaald thema. De thema’s waren verkeer, centrum Princenhage, groen en spelen, cultuur en duurzaamheid. Deze werkgroepen kozen vervolgens zelf hun werkwijze om de thema’s uit te werken tot concrete voorstellen. Gezamenlijk organiseerden de werkgroepen nog een evenement op de markt in het dorp (kom-in-de-tent-actie) waar inwoners konden aangeven wat zij belangrijk vonden voor het dorp. Uiteindelijk blijkt uit de evaluatie van de pilots dat er zo’n 400 inwoners van het dorp hebben deelgenomen aan de verschillende onderdelen van de pilot, wat zo’n 10% van de inwoners is. Een enquête onder 361 inwoners wees uit dat 45% bekend was met Breda Begroot en dat 96% het een goed idee vond om inwoners invloed te geven op de gemeentelijke begroting.1
Ook in Prinsenbeek startte men met een kerngroep van zo’n 30 inwoners die later is uitgebreid naar zo’n 50 personen. In Prinsenbeek werd er meer in netwerken gewerkt om inwoners te bereiken, bijvoorbeeld via carnavalsverenigingen, sportverenigingen en scholen. De kerngroep besloot om ideeën voor de wijkbegroting op te halen via een spel, de Koerskaart Prinsenbeek Begroot. In plaats van een inloopevenement te organiseren, ging de kerngroep met het spel het dorp af. De uitkomsten van die verschillende sessies werden in thema’s geordend en door inwoners verder ontwikkeld in samenwerking met de gemeente en deskundigen. Uiteindelijk hebben 938 inwoners het begrotingsspel gespeeld, wat zo’n 10% is van de bevolking van Prinsenbeek. Een enquête onder 383 inwoners wees uit dat 69% bekend was met Breda Begroot en dat 94% het een goed idee vond om inwoners invloed te geven op de gemeentelijke begroting.2
Uit de evaluatie van de pilots blijkt dat er van echt begroten, het plussen en minnen van bedragen, in beide gevallen geen sprake is geweest. Uit de samenleving zijn vooral ideeën opgehaald en er zijn concrete projecten aangedragen, zoals de aanleg van een trapveldje, het instellen van 30km-zones en het organiseren van een online platform voor vraag en aanbod van vrijwilligers.3 De belangrijkste reden die uit de evaluatie naar voren komt voor dit gebrek aan begroten, is dat er zeer weinig duidelijk was over de financiële situatie in de wijken. De geldstromen in de wijken waren noch voor de inwoners noch voor de ambtenaren inzichtelijk, waardoor het onduidelijk was over welk budget de pilots konden beschikken. De kosten van opgehaalde ideeën konden wel berekend worden, maar er kon niet bepaald worden waarvan dat bedrag dan ten koste zou gaan.4 Dit probleem was al in de startnotitie aangestipt, maar het bleek desondanks te moeilijk de financiële situatie in de wijken vóór de start van de pilots inzichtelijk te maken. Het hele idee van het schuiven met middelen viel daardoor in het water en uiteindelijk werd er slechts een wensenlijstje bij het bestuur ingeleverd.
Uit de evaluatie van de pilots blijkt verder dat inwoners moeite hadden om keuzes te maken die nadelig zouden zijn voor dorpsgenoten of lokale organisaties. Het lijkt erop dat sommige van de positieve redenen om op wijkniveau te begroten (aansluiting op de leefomgeving, gebruikmaken van bestaande verbanden) hun keerzijde hebben. Nu valt daaruit te concluderen dat de pilots op de goede weg waren om echt te begroten. Het toekennen van middelen aan beleid houdt in een wereld van schaarse middelen immers ook in dat er harde keuzes moeten worden gemaakt en dat er verliezers zijn. In de evaluatie trekt men echter een andere conclusie. Er werd namelijk aangeraden om Breda Begroot door te ontwikkelen naar het stedelijke niveau zodat deelnemers op een abstracter niveau keuzes zouden kunnen maken.5