Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 februari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:659.
HR, 29-11-2024, nr. 23/01896
ECLI:NL:HR:2024:1709
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2024
- Zaaknummer
23/01896
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1709, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:588
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:659
ECLI:NL:PHR:2024:588, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑05‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1709
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑06‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0100
JOR 2025/100 met annotatie van Mr. M. de Koning
Uitspraak 29‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Overeenkomstenrecht. Procesrecht. Opzegging franchiseovereenkomst door franchisegever op grond van opzeggingsbeding. Rechtsgevolgen van ontbreken passend vergoedingsaanbod. Verschil in afdoening proceskosten eerste aanleg en hoger beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/01896
Datum 29 november 2024
ARREST
In de zaak van
[de B.V.],
gevestigd te [vestiginsplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: [de B.V.],
advocaat: A.C. van Schaick,
tegen
LEEN BAKKER NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: Leen Bakker,
advocaten: S.M. Kingma en M.E.A. Möhring.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 9077050 \ CV EXPL 21-1034 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 april 2021 en 29 december 2021;
b. de arresten in de zaak 200.306.284/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 april 2022 en 28 februari 2023.
[de B.V.] heeft tegen het arrest van het hof van 28 februari 2023 beroep in cassatie ingesteld.
Leen Bakker heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot afdoening als in de conclusie onder 5.40 vermeld.
De advocaat van [de B.V.] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de B.V.] en Leen Bakker hebben een franchiseovereenkomst gesloten (hierna: de franchiseovereenkomst). Op grond van de franchiseovereenkomst exploiteert [de B.V.] vanaf 1995 een detailhandelszaak in (onder meer) woninginrichting volgens de franchiseformule van Leen Bakker. De franchiseovereenkomst is vanaf 31 juli 2003 telkens voor de duur van vijf jaar verlengd.
(ii) De franchiseovereenkomst bepaalt over de mogelijkheid tot opzegging onder meer het volgende:
“10.2 Opzegging van de overeenkomst dient te geschieden per aangetekend schrijven of bij deurwaardersexploot met inachtneming van een termijn van zes maanden.
10.3
De franchisegever is slechts gerechtigd de overeenkomst op te zeggen, indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren. De opzegging dient op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen te zijn omkleed.
10.4
De opzegtermijn wordt verlengd tot 13 maanden indien door de franchisegever bij wijze van verhuur of onderhuur bedrijfsruimte aan de franchisenemer ter beschikking is gesteld dan wel de franchisenemer met het oog op de exploitatie van de franchisezaak met derden daarvoor een huurovereenkomst heeft aangegaan waarvan de periode synchroon loopt met die van de franchiseovereenkomst.”
(iii) [de B.V.] en Leen Bakker hebben ook een onderhuurovereenkomst bedrijfsruimte (hierna: de onderhuurovereenkomst) gesloten. De onderhuurovereenkomst verplicht [de B.V.] de ruimte te gebruiken als Leen Bakker-winkel. De onderhuurovereenkomst is aangegaan voor de duur van tien jaar, tot en met 10 juli 2026.
(iv) In de periode van 2018 tot begin februari 2020 hebben Leen Bakker en haar franchisenemers, waaronder [de B.V.], gesproken over aanpassing van de franchiseovereenkomsten met het oog op de nieuwe Wet Franchise.
(v) Op 15 juli 2020 heeft Leen Bakker aan de franchisenemers meegedeeld te gaan stoppen met de franchiseformule.
(vi) Bij brief van 28 juli 2020 heeft Leen Bakker de franchiseovereenkomst opgezegd tegen 31 juli 2023 vanwege bedrijfseconomische redenen.
(vii) Bij brief van gelijke datum heeft Leen Bakker de onderhuurovereenkomst opgezegd tegen 10 juli 2026.
(viii) Leen Bakker heeft op 24 december 2020 [de B.V.] een voorstel gedaan tot overname van het filiaal per 1 februari 2021 tegen een vergoeding van € 40.000,--.
2.2
[de B.V.] vordert in conventie, na eiswijziging in hoger beroep en voor zover in cassatie van belang, primair, (i) een verklaring voor recht dat de opzegging van de franchiseovereenkomst zonder rechtsgevolg is geweest en die overeenkomst voortduurt tot het moment dat deze rechtsgeldig zal zijn geëindigd, (ii) een verklaring voor recht dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst slechts mag opzeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij die overeenkomst laat voortduren, en (iii) een verklaring voor recht dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst zonder rechtsgevolg is geweest en die overeenkomst voortduurt tot het moment dat deze rechtsgeldig zal zijn geëindigd, en subsidiair, (i) een verklaring voor recht dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, Leen Bakker gehouden is tot betaling van (schade)vergoeding, (ii) veroordeling van Leen Bakker tot betaling van die (schade)vergoeding, zo nodig op te maken bij staat, en (iii) voor het geval de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst per 31 juli 2023 eindigen, veroordeling van Leen Bakker tot betaling van de door [de B.V.] geleden schade, op te maken bij staat.
Leen Bakker vordert in reconventie, na eiswijziging in hoger beroep en voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat zij de franchiseovereenkomst per 31 juli 2023 rechtsgeldig heeft beëindigd en beëindiging van de onderhuurovereenkomst per 31 juli 2023, althans per 10 juli 2026.
2.3
De kantonrechter heeft in conventie de vorderingen van [de B.V.] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023, vastgesteld dat de onderhuurovereenkomst tussen partijen eindigt op 10 juli 2026 en [de B.V.] veroordeeld in de proceskosten.
2.4
Het hof1.heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd. Het heeft in conventie voor recht verklaard dat Leen Bakker gehouden is tot betaling aan [de B.V.] van een (schade)vergoeding, Leen Bakker veroordeeld tot betaling van die (schade)vergoeding, nader op te maken bij staat, en voor het overige het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft in reconventie, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023, vastgesteld dat de onderhuurovereenkomst eindigt op 31 juli 2023, en de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.
2.5
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, aan zijn oordeel het volgende ten grondslag gelegd.
De franchiseovereenkomst voorziet in de mogelijkheid van opzegging en bepaalt dat Leen Bakker mag opzeggen als voortzetting in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Aan dit criterium is voldaan. Een franchisegever heeft als ondernemer het recht om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken. (rov. 6.9)
Leen Bakker heeft haar keuze voor opzegging onder meer gemotiveerd door te stellen dat (i) er werkzaamheden voor de franchiseondernemers moeten worden verricht die voor de eigen winkels niet nodig zijn, (ii) bij zelfexploitatie Leen Bakker meer inkomen zal genereren, (iii) een nieuw ICT- en ERP-systeem wordt ingevoerd, (iv) de Wet Franchise een lastenverzwaring voor Leen Bakker oplevert, (v) er lastig afspraken zijn te maken met de franchisenemers over de online verkopen, (vi) de marketingmix, (vii) de zakelijke markt, en (viii) de eenheid naar buiten toe voor Leen Bakker zwaar weegt. Deze bedrijfseconomische en strategische argumenten zijn door [de B.V.] gemotiveerd bestreden, maar wat [de B.V.] in dit verband heeft aangevoerd, leidt er niet toe dat de opzegging niet rechtsgeldig is gedaan. (rov. 6.10.1-6.10.6)
De slotsom is dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd per 31 juli 2023. Er is voldaan aan het criterium dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst te laten voortduren. Zij heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie met [de B.V.] dat opzegging van de franchiseovereenkomst gerechtvaardigd is, tegen de achtergrond dat zij geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Hiertegen weegt het belang van [de B.V.] bij voortzetting van de franchiserelatie niet op. (rov. 6.11)
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook als een overeenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval in de weg kunnen staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (rov. 6.13.1)
In de opzegging van 28 juli 2020 heeft Leen Bakker geen aanbod gedaan tot het betalen van enige vergoeding. Wel heeft zij aangekondigd op korte termijn met de franchisenemer in gesprek te willen over overname van de vestiging. (rov. 6.14)
Gelet op de jarenlange relatie tussen partijen, de verwachtingen bij [de B.V.] tot het moment van de mededeling op 15 juli 2020 dat de franchiseovereenkomst niet zou worden beëindigd, de investeringen die [de B.V.] heeft gedaan die nog niet (geheel) zijn afgeschreven, de omstandigheid dat [de B.V.] geen verwijt kan worden gemaakt van de opzegging en de afhankelijke relatie waarin [de B.V.] zich bevindt, is de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Leen Bakker heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van [de B.V.] bij haar opzegging. De opzegging is geheel gebaseerd op de eigen strategische keuze van Leen Bakker en de wens om wat zij misloopt bij voorzetting van de franchiseformule als extra omzet toe te voegen aan haar eigen onderneming. De omstandigheid dat Leen Bakker een opzegtermijn van 36 maanden in acht heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de opzegging van 28 juli 2020 van Leen Bakker volgt dat ook Leen Bakker meent dat de franchiseovereenkomst eerst opzegbaar was tegen 1 augustus 2023. Dat [de B.V.] nu 23 maanden eerder op de hoogte was van de opzegging dan zij op grond van de voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest, betreft geen compensatie voor [de B.V.]. Niet is gebleken dat Leen Bakker op enig moment een vergoeding heeft aangeboden. Het in gesprek gaan met de franchisenemer over overname van de vestiging en het doen van een daarop toegespitst aanbod kan niet als zodanig worden beschouwd. Dit oordeel betekent dat Leen Bakker in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst is tekortgeschoten jegens [de B.V.]. Op basis van deze tekortkoming kan [de B.V.] jegens Leen Bakker aanspraak maken op een zekere (schade)vergoeding. Al met al is het beroep van Leen Bakker op de opzeggingsbevoegdheid in de franchiseovereenkomst in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De door [de B.V.] gestelde belangen wegen niet op tegen het zwaarwegende bedrijfseconomische belang van Leen Bakker om de franchiserelatie te beëindigen. Wel dient in de schadestaatprocedure de aan [de B.V.] toekomende vergoeding te worden vastgesteld. (rov. 6.15)
Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat de onderhuurovereenkomst, in het licht van de rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst, ook op 31 juli 2023 zal eindigen. De schade als gevolg van de eerdere beëindiging van de onderhuurovereenkomst kan gelet op de samenhang met de beëindiging van de franchiseovereenkomst, bij de vaststelling van de aan [de B.V.] toekomende vergoeding worden meegenomen in de schadestaatprocedure. (rov. 6.19-6.20)
Zowel in het principale als in het incidentele hoger beroep zijn partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het hof aanleiding om de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren. Nu het vonnis grotendeels in stand blijft, heeft de kantonrechter [de B.V.] terecht in de proceskosten van eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) veroordeeld. De vordering van [de B.V.] tot veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling van alles wat [de B.V.] ter uitvoering van het vonnis aan Leen Bakker heeft betaald, is daarom niet toewijsbaar. (rov. 6.31)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, niet kan worden verenigd met het oordeel in rov. 6.15 dat de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof had moeten beslissen dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad omdat Leen Bakker geen schadevergoeding heeft aangeboden, aldus de klacht.
3.2
Een duurovereenkomst die voorziet in een regeling van de opzegging, is in beginsel op grond van die regeling opzegbaar. Indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW evenwel meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.2.De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat.3.Ook kunnen zij meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.4.Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van art. 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.5.
3.3
Voor zover de klacht berust op het uitgangspunt dat een opzegging die op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gepaard had moeten gaan met het aanbod tot betaling van (schade)vergoeding, niet tot het beoogde rechtsgevolg kan leiden als de opzeggende partij heeft nagelaten dat aanbod te doen, kan zij niet tot cassatie leiden. Dit uitgangspunt is namelijk onjuist. Indien de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding, maakt het ontbreken van zodanig aanbod de opzegging in de regel niet ongeldig. Wel zal de omstandigheid dat is opgezegd zonder daarbij een passende (schade)vergoeding aan te bieden, kunnen meewegen bij het vaststellen van de hoogte van de alsnog te betalen vergoeding. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een opzegging waarbij niet tegelijkertijd een passende (schade)vergoeding wordt aangeboden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In een dergelijk geval is de opzegging niet geldig.
3.4
Het hof heeft in de rov. 6.9-6.11 geoordeeld dat is voldaan aan de contractuele opzeggingsgrond die inhoudt dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren, en dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Vervolgens heeft het hof in rov. 6.15 kennelijk bedoeld dat het beroep van Leen Bakker op de contractuele opzeggingsbevoegdheid niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en de opzegging rechtsgeldig, maar dat in de gegeven omstandigheden de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de opzegging gepaard dient te gaan met betaling van een vergoeding, en dat de omvang daarvan in de schadestaatprocedure kan worden bepaald. Dit oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor in 3.2-3.3 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
3.5
De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht faalt dus.
3.6
Onderdeel 3 klaagt onder meer over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 6.31 dat de kantonrechter [de B.V.] terecht heeft veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg in conventie en reconventie.
3.7
De klacht slaagt. De vorderingen in eerste aanleg en in hoger beroep zijn grotendeels gelijkluidend, zodat onbegrijpelijk is dat het hof de proceskosten in hoger beroep heeft gecompenseerd op de grond dat partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld en tegelijkertijd heeft geoordeeld dat de kantonrechter [de B.V.] terecht in de proceskosten van de eerste aanleg heeft veroordeeld. De Hoge Raad kan zelf op dit punt de zaak afdoen zoals hierna weergegeven.
3.8
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat het gegeven dat [de B.V.] 23 maanden eerder van de opzegging op de hoogte was dan zij op grond van de in de franchiseovereenkomst voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest, niet geldt als compensatie voor [de B.V.] en niet maakt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst zonder een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft met dit oordeel miskend dat bij de beoordeling van de eisen van redelijkheid en billijkheid van belang is dat tussen partijen een lange(re) opzegtermijn is gehanteerd, of heeft zijn oordeel ter zake onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het onderdeel.
4.2
Deze klacht faalt. Met zijn oordeel in rov. 6.15 heeft het hof bedoeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat Leen Bakker bij de opzegging van de franchiseovereenkomst een vergoeding verschuldigd is (zie hiervoor in 3.4). Het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat [de B.V.] eerder dan contractueel overeengekomen op de hoogte was van de opzegging niet afdoet aan de aanspraak van [de B.V.] op een zekere (schade)vergoeding, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ook als de opzeggende partij een langere dan de contractuele opzeggingstermijn heeft gehanteerd, kan immers aanspraak op een (schade)vergoeding bestaan. In hoeverre de omvang van deze aanspraak wordt beïnvloed doordat de opzeggende partij een langere dan de contractuele opzegtermijn heeft gehanteerd en daardoor aan de wederpartij langer de mogelijkheid heeft geboden om de bedrijfsvoering aan te passen aan de situatie na opzegging, hangt af van de omstandigheden van het geval. Dit kan in het onderhavige geval in de schadestaatprocedure worden beoordeeld.
4.3
De voorwaarde waaronder onderdeel 2 is aangevoerd is niet vervuld, zodat dit onderdeel geen behandeling behoeft.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2023 voor zover daarin de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is bekrachtigd en de vordering van [de B.V.] tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan Leen Bakker heeft betaald, is afgewezen;
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 december 2021 voor zover daarin [de B.V.] in de proceskosten is veroordeeld;
- compenseert de proceskosten in eerste aanleg in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- veroordeelt Leen Bakker tot terugbetaling van hetgeen [de B.V.] ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg aan Leen Bakker heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat [de B.V.] heeft betaald;
- veroordeelt Leen Bakker in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de B.V.] begroot op € 963,73 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Leen Bakker deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Leen Bakker in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de B.V.] begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Leen Bakker deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 november 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑11‑2024
Zie o.a. HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, rov. 3.6.3.
HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, rov. 4.4.2.
HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, rov. 4.4.2.
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, rov. 3.6.4.
Conclusie 31‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Opzegging duurovereenkomst (franchise); voldoet neutrale grond voor opzegging (wijziging distributiebeleid) aan voorbehouden reden dat in redelijkheid van franchisegever geen voortzetting kan worden verlangd?; additionele schadevergoeding ondanks inachtneming redelijke opzegtermijn? Proceskosten.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01896
Zitting 31 mei 2024
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[de B.V.] ,eiseres tot cassatie in het principaal cassatieberoep,verweerster in cassatie in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
tegen
Leen Bakker Nederland B.V.
verweerster in het principaal cassatieberoep,eiseres tot cassatie in het deel voorwaardelijke incidenteel cassatieberoep
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [de B.V.] of franchisenemer, respectievelijk Leen Bakker of franchisegever.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak hangt samen met drie andere zaken over de beëindiging van franchiseovereenkomsten, waarin ik vandaag ook concludeer. Franchisegever heeft de franchiseovereenkomsten met haar vier franchisenemers opgezegd; zij stopt met de franchiseformule om bedrijfseconomische redenen1.– ook wel aangemerkt als opzegging op neutrale gronden, dus zonder dat daaraan ten grondslag ligt een verwijt aan het adres van de opgezegde partijen2.. In de franchiseovereenkomsten was een opzeggingsbevoegdheid voor franchisegever voorbehouden met een opzegtermijn van 13 maanden en met als grond dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd de franchiseovereenkomst te laten voortduren. Zowel kantonrechter als hof hebben geoordeeld dat de opzegging hier gerechtvaardigd is in verband met zwaarwegende bedrijfseconomische belangen. Het hof heeft, anders dan de kantonrechter, daarbij wel geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding en heeft franchisegever veroordeeld in de vorm van verwijzing naar de schadestaatprocedure. Tegen de opzeggingsoordelen worden in cassatie door de franchisenemers en franchisegever klachten gericht, die ik geen doel zie treffen. Ook richt franchisegever een klacht tegen het oordeel over het verband tussen de lengte van de in achtgenomen (verlengde) opzegtermijn en de (niettemin) aangenomen verplichting tot schadevergoeding, die ik evenmin doel zie treffen. Wel slaagt de klacht van de franchisenemers over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.
2. Feiten3.
2.1
Leen Bakker exploiteert in Nederland 109 eigen winkels en in België 56 eigen winkels. Daarnaast heeft Leen Bakker vier franchisewinkels die worden geëxploiteerd door Belfurn B.V., Bentja B.V., Dampie B.V. en [de B.V.] .
2.2
De vier franchisenemers hebben zich verenigd in een Franchise Vereniging Leen Bakker (hierna: de franchisevereniging) waarvan [betrokkene 1] , directeur van [de B.V.] , voorzitter is.
2.3
Vanaf 1 januari 1995 heeft franchisenemer met franchisegever een franchiseovereenkomst gesloten op grond waarvan zij een detailhandelszaak in woninginrichting en aanverwante artikelen exploiteert onder gebruikmaking van het Leen Bakker-concept. Het concept houdt in dat gebruik wordt gemaakt van de handelsnaam, styling, reclame-uitingen en know how van Leen Bakker.
2.4
De franchiseovereenkomst van 2 februari 1996 (waartoe ook een aanhangsel, een allonge en addendum horen) is gesloten voor de periode 1 januari 1995 tot en met 31 juli 2003 met aansluitend telkens verlenging van vijf jaar tenzij opzegging plaatsvindt.
2.5
In de franchiseovereenkomst is ten aanzien van opzegging (voor zover van belang) het volgende vermeld:
"10.1 Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode ingaande op 01 januari 1995 en eindigende op 31 juli 2003, overeenkomstig einddatum huurperiode huidige locatie. De overeenkomst wordt vervolgens telkens met een tijdvak van vijf jaar verlengd, tenzij opzegging heeft plaatsgevonden.
10.2
Opzegging van de overeenkomst dient te geschieden per aangetekend schrijven of bij deurwaardersexploot met inachtneming van een termijn van zes maanden.
10.3
De franchisegever is slechts gerechtigd de overeenkomst op te zeggen, indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren. De opzegging dient op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen te zijn omkleed.
10.4
De opzegtermijn wordt verlengd tot 13 maanden indien door de franchisegever bij wijze van verhuur of onderhuur bedrijfsruimte aan de franchisenemer ter beschikking is gesteld dan wel de franchisenemer met het oog op de exploitatie van de franchisezaak met derden daarvoor een huurovereenkomst heeft aangegaan waarvan de periode synchroon loopt met die van de franchiseovereenkomst. (…)”
2.6
Franchisenemer exploiteert de Leen Bakker winkel sinds 11 juli 2016 aan de [a-straat 1] te [plaats] en heeft daartoe een onderhuurovereenkomst gesloten met franchisegever (zijdens franchisenemer getekend op 31 januari 2017). In de onderhuurovereenkomst staat onder meer:
“(…)
1.3
Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als winkelruimte conform de winkelformule van Leen Bakker.
1.4
Het is huurder niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven dan omschreven in 1.3.
(...)
3.1
Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 10 (tien) jaar, ingaande op 11 juli 2016 (hierna: 'ingangsdatum ’) en lopende tot en met 10 juli 2026.
3.2
Deze huurovereenkomst wordt, na ommekomst van de in 3.1 genoemde periode, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.3 voortgezet door 4 (vier) aansluitende perioden van elk 5 (vijf) jaar.
3.3
Na ommekomst van de in 3.2 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst, behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder of verhuurder in overeenstemming met 3.4 en 3.5 voortgezet voor onbepaalde tijd.
3.4
Beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging vindt plaats door huurder aan verhuurder of door verhuurder aan huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, tegen ieder tijdstip, een en ander met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 14 (veertien) maanden. Verhuurder neemt daarbij de wettelijke opzegginsgronden in acht.
3.5
Opzegging van deze huurovereenkomst dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.
(...)
21. Bijzondere bepalingen
(...)
10. Dringend eigen gebruik
Verhuurder zal gedurende de looptijd van de huurovereenkomst deze niet kunnen beëindigen voor dringend eigen gebruik."
2.7
In de periode van 2018 tot begin februari 2020 hebben franchisegever en de franchisevereniging gesproken over een update van de bestaande franchiseovereenkomsten vanwege de toen aanstaande Wet franchise. In verband daarmee hebben partijen concepten met elkaar uitgewisseld.
2.8
Bij e-mailbericht van 5 februari 2020 heeft [betrokkene 1] namens de franchisenemers aan franchisegever medegedeeld:
"(...) Alleen door een vergelijking van beide documenten is zichtbaar dat de verschillen tussen beide versies enorm groot zijn. In hoofdlijnen zijn er nog veel verschillen en zullen wij wat punten hieronder samenvatten want het is onmogelijk dit uitputtend te doen. Zo is er ook nog niet gesproken over de individuele afspraken die naast de huidige afspraken gelden. (...)”
2.9
Als reactie daarop heeft franchisegever bij e-mailbericht van 17 februari 2020 medegedeeld dat zij zich eerst wil verdiepen in de nieuwe aanstaande wet, zij daarom meer tijd nodig heeft en een gesprek over aanpassing van de franchiseovereenkomsten later wil voortzetten.
2.10
Op 15 juli 2020 heeft franchisegever tijdens de franchisevergadering aan de franchisenemers medegedeeld te gaan stoppen met de franchise.
2.11
Bij brief van 28 juli 2020 heeft franchisegever de franchiseovereenkomst opgezegd met [de B.V.] tegen 31 juli 2023, waarbij als redenen het volgende is medegedeeld:
"Er is een belangrijk bedrijfseconomisch motief: eigen winkels genereren namelijk substantieel hogere filiaalbijdragen dan franchisewinkels. Vooropgesteld moet worden dat Leen Bakker in Nederland slechts vierfranchisenemers kent op een totaal van 114 winkels. Voor die vier franchisenemers dient Leen Bakker dus een volledige separate organisatie, administratie en systemen in de lucht te houden. Dat is natuurlijk al lange tijd zo, maar het laten voortduren daarvan is niet langer houdbaar. Leen Bakker is voornemens om aanzienlijke vernieuwingen in de IT-systemen door te voeren. De investeringen in separate systemen op het gebied van administratie en IT zijn niet rendabel voor vierfranchisewinkels. Bovendien zou de aangekondigde wetswijziging (die per 1 januari 2021 ook daadwerkelijk van kracht wordt) ook nog een aanzienlijke (administratieve) lastenverzwaring met zich meebrengen.
Verder passen de franchiseformule en de in dat kader gemaakte afspraken niet meer bij de huidige marktomstandigheden en de praktijk. Leen Bakker ziet dat de markt volop in beweging is naar een omnichannel klantbenadering dat gepaard gaat met grote investeringen. De verdere toename van de online verkopen en het voornemen van Leen Bakker om uit te breiden naar een online marktplaatsfunctionaliteit leggen druk op het huidige afrekenmodel en de afbakening van verzorgingsgebieden. Hierover hebben Leen Bakker en de franchisenemers geen dekkende afspraken gemaakt, wat sowieso lastig is (verdeling aandelen en overlap verzorgingsgebieden). De marketingmix is in de afgelopen jaren ook flink gewijzigd: van folders en televisie naar online marketing, radio en televisie. Het afrekenmodel van marketingkosten is daarmee moeilijk te onderbouwen in zowel kosten als effectiviteit. Het huidige systeem is immers gebaseerd op het aantal folders dat in het verzorgingsgebied wordt verspreid. Ook wil Leen Bakker streven naar uniformiteit in promoties en regelingen die naadloos aansluiten voor de klant. Franchisenemers zijn echter selectief in het toepassen van promoties. Afwegingen hierin zijn voornamelijk marge-gedreven. Dat geldt ook voor het actiefvoeren van het Stock kastenprogramma. Daarnaast komt het voor dat afwikkeling van webretouren moeizaam verlopen aangezien dit de franchisenemers geld kost. Dit sluit niet aan bij de uitgangspunten van het strategisch beleid van Leen Bakker.
Ook weegt voor Leen Bakker de eenheid naar buiten toe zwaar. Het beëindigen van de franchiseformule brengt mee dat die uniformiteit gewaarborgd kan worden, onder meer in het assortiment. Dat is nu niet het geval. In dit kader speelt ook een rol dat er tussen Leen Bakker en de franchisenemers onduidelijkheid/onenigheid bestaat over aankopen voor de zakelijke markt, die Leen Bakker exclusief wil voorbehouden aan de afdeling B2B.
Op basis van het voorgaande kan van Leen Bakker in redelijkheid niet worden gevergd dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren. Leen Bakker heeft daarom de strategische keuze gemaakt om te stoppen met de hele franchiseorganisatie. Zij is voornemens de vier franchisewinkels als eigen winkels te gaan exploiteren na het einde van de diverse contracten.
Middels deze brief zegt Leen Bakker dus de franchiseovereenkomst met [de B.V.] op tegen 1 augustus 2023. De franchiseovereenkomst eindigt dus op 31 juli 2023.
(…)
Leen Bakker is voornemens om, na het einde van de franchiseovereenkomsten, de exploitatie van de winkels op dezelfde locaties voort te zetten. Zij zal dan ook op korte termijn met alle franchisenemers afzonderlijk contact opnemen om te overleggen over de voorwaarden voor overname. Met [de B.V.] zal ook gesproken worden over de periode tussen het einde van de franchiseovereenkomst en het einde van de onderhuurovereenkomst (1 augustus 2023 en 10 juli 2026).
(...). ”
2.12
Daarnaast heeft in de brief van 28 juli 2020 de onderhuurovereenkomst met franchisenemer opgezegd tegen 10 juli 2026 en daarover het volgende medegedeeld:
“Aangezien de franchiseovereenkomst eindigt, heeft Leen Bakker ook het recht om de onderhuurovereenkomst te beëindigen. Gelet op de bepalingen uit de franchiseovereenkomst moet [de B.V.] de exploitatie van de winkel na 31 juli 2023 staken en staat het haar niet vrij om na deze datum op deze locatie een meubel- en interieurwinkel te exploiteren. Middels deze brief zegt Leen Bakker dan ook de onderhuurovereenkomst op tegen 10 juli 2026; op deze datum eindigt dus de onderhuurovereenkomst. De onderhuurovereenkomst wordt opgezegd op grond van de belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW. De belangen van Leen Bakker bij beëindiging van de onderhuurovereenkomst wegen zwaarder dan de belangen van [de B.V.] bij voortzetting van de onderhuurovereenkomst. (...)”
2.13
Franchisegever heeft op 28 juli 2020 ook de franchiseovereenkomsten met de andere franchisenemers opgezegd op dezelfde opzeggingsgronden, maar tegen andere data.
2.14
Bij brief van 17 september 2020 heeft [betrokkene 1] namens de franchisenemers gereageerd op de opzegging en medegedeeld dat franchisegever niet gerechtigd is om de franchiseovereenkomsten op te zeggen.
2.15
Partijen hebben vervolgens onderzocht of zij overeenstemming konden bereiken over beëindiging van de relatie in onderling overleg. Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van franchisegever aan franchisenemer een voorstel gedaan. Franchisegever heeft aan franchisenemer voorgesteld het filiaal over te nemen per 1 februari 2021 tegen een vergoeding van € 40.000,- voor goodwill, overname van inventaris tegen boekwaarde, overname van de handelsvoorraad tegen de kostprijs en boekwaarde alsmede een vergoeding op basis van de geprognotiseerde brutowinst over de periode tussen 1 februari 2021 en 31 juli 2023 met aftrek van reorganisatiekosten en behoud non-concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding.
2.16
Per 1 januari 2021 is de Wet franchise in werking getreden.
3. Procesverloop
3.1
Franchisenemer heeft franchisegever gedagvaard en gevorderd dat door de rechtbank:
Primair voor recht wordt verklaard:
- dat de opzegging van de franchiseovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de franchiseovereenkomst – tegen de thans geldende contractvoorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze franchiseovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
- dat franchisegever slechts gerechtigd is de franchiseovereenkomst op te zeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren;
- dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de onderhuurovereenkomst – tegen de thans geldende voorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
Subsidiair
- voor recht wordt verklaard dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, franchisegever gehouden is tot betaling aan franchisenemer van een (schade)vergoeding;
- franchisegever alsdan wordt veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding ter hoogte van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, welke (schade)vergoeding, zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;
Primair en subsidiair
- franchisegever wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten ad € 462,50 met veroordeling van franchisegever in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2
Aan deze vordering heeft franchisenemer, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De door franchisegever gedane opzegging van de franchiseovereenkomst is niet rechtsgeldig, omdat zij geen (klemmende/dringende) reden heeft die maakt dat voortzetting van de franchiseovereenkomst in redelijkheid niet gevergd kan worden van haar. Indien de opzegging van de franchiseovereenkomst wel rechtsgeldig kan worden opgezegd, dan is de opzegging volgens franchisenemer in strijd met de redelijkheid en billijkheid en kan geen beroep op de opzegging worden gedaan. Ook het recht om de onderhuurovereenkomst met franchisenemer op te zeggen vervalt doordat de franchiseovereenkomst niet met franchisenemer kan worden beëindigd. Indien de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst daadwerkelijk eindigen door opzegging, is bij de opzegging onvoldoende rekening gehouden met de belangen van franchisenemer en is een vergoeding (althans een redelijke goodwillvergoeding) op zijn plaats, aldus franchisenemer.
3.3
Franchisegever heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie kort samengevat gevorderd dat door de rechtbank:
i. voor recht wordt verklaard dat zij de franchiseovereenkomst met franchisenemer per 31 juli 2023 rechtsgeldig heeft beëindigd en dat de franchiseovereenkomst dus per die datum eindigt;
ii. franchisenemer wordt geboden om vanaf 1 augustus 2023 het gebruik van de handelsnaam en de woord- en beeldmerken ‘LEEN BAKKER’ en de logo’s van franchisegever te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;
iii. franchisenemer wordt geboden om voor doch uiterlijk op 15 augustus 2023 alle schriftelijke, digitale en/of op andere wijze door franchisegever verstrekte informatie aan franchisegever te retourneren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,-;
iv. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de winkelruimte aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] te beëindigen per 10 juli 2026, althans een door het de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;
v. franchisenemer wordt veroordeeld per de datum van beëindiging conform (iv) de winkelruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] , met alle daarin van harentwege aanwezige personen en/of zaken te ontruimen en leeg, bezemschoon, overeenkomstig de toepasselijke contractuele en wettelijke bepalingen en onder afgifte van alle sleutels ter beschikking te stellen van franchisegever, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,- om, zo franchisenemer mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;
met veroordeling van franchisenemer in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4
Franchisegever heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst met franchisenemer zijn rechtsgeldig opgezegd waardoor deze tegen de opgezegde data eindigen. Franchisegever stelt dat franchisenemer bij beëindiging van de franchiseovereenkomst gehouden is tot nakoming van contractuele verplichtingen, bestaande uit het niet langer voeren van de naam Leen Bakker en teruggave van informatie en goederen.
3.5
Franchisenemer heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.6
Bij vonnis van 29 december 2021 heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van franchisenemer afgewezen en franchisenemer in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat franchisegever de franchiseovereenkomst met franchisenemer rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023 en dat de franchiseovereenkomst per die datum eindigt, het tijdstip waarop de tussen franchisegever en franchisenemer bestaande huurovereenkomst eindigt vastgesteld op 10 juli 2026 en franchsienemer veroordeeld in de proceskosten.
3.7
Franchisenemer is in (principaal) hoger beroep gekomen onder aanvoering van vijf grieven. Franchsienemer heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn afgewezen en de vorderingen in reconventie zijn toegewezen. Franchisenemer heeft gevorderd dat het hof de in hoger beroep gewijzigde vorderingen in conventie alsnog toewijst, in die zin dat het hof:
primair:
- voor recht verklaart dat de opzegging van de franchiseovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de franchiseovereenkomst – tegen de thans geldende contractvoorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze franchiseovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
- voor recht verklaart dat franchisegever slechts gerechtigd is de franchiseovereenkomst op te zeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren;
- voor recht verklaart dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de onderhuurovereenkomst – tegen de thans geldende voorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
- voor het geval de vordering in het incident is afgewezen, franchisegever is overgegaan tot executie van het vonnis waardoor franchisenemer genoodzaakt is geweest om haar bedrijfsvoering te stoppen en de hiervoor geformuleerde eerste verklaring voor recht wordt toegewezen: franchsiegever Bakker veroordeelt tot betaling van de door franchisenemer als gevolg van de voortijdige executie geleden schade welke schade zo nodig opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid van de schade;
subsidiair:
- voor recht verklaart dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, franchisegever gehouden is tot betaling aan franchisenemer van een (schade)vergoeding;
- franchisegever alsdan veroordeelt tot betaling van een (schade)vergoeding ter hoogte van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, welke (schade)vergoeding, zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;
- voor het geval het hof oordeelt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is, voor recht verklaart dat franchisenemer niet aan het overeengekomen non-concurrentiebeding gehouden is en dat franchisegever geen beroep toekomt op art. 13.4 en 13.5 van de franchiseovereenkomst – al dan niet vanwege haar schadeplichtigheid jegens franchisenemer – althans dat een beroep van franchisegever op deze bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is althans in strijd is met de redelijkheid en billijkheid;
- voor het geval het hof oordeelt dat de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst per 31 juli 2023 eindigen, franchisegever veroordeelt tot betaling van de door franchisenemer geleden schade welke schade moet worden opgemaakt bij staat en worden vereffend volgens de wet te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag der dagvaarding;
- voor het geval het hof oordeelt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst per 31 juli 2023 rechtsgeldig is en de onderhuurovereenkomst daarna voortduurt, voor recht verklaart dat franchisegever gedurende de duur van de onderhuurovereenkomst geen rechtsgeldig beroep kan doen op de overeengekomen bestemmingsbepaling in de onderhuurovereenkomst (art. 1.3 en 1.4), althans dat een beroep van franchisegever daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid zodat het franchisenemer geheel vrij staat om in het gehuurde iedere winkelformule naar keuze te exploiteren althans subsidiair dat franchisegever dient toe te staan dat franchisenemer in het gehuurde een niet met franchisegever concurrerende formule exploiteert;
- de vorderingen in reconventie alsnog volledig afwijst, althans in zoverre het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart;
met veroordeling van franchisegever tot terugbetaling van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vonnis aan franchisegever heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, en
met veroordeling van franchisegever in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.8
Franchisegever heeft in incidenteel hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Bij akte vermindering eis, heeft franchisegever gevorderd:
i) te verklaren voor recht dat franchisegever de franchiseovereenkomst met franchisenemer rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023 en dat de franchiseovereenkomst dus per deze datum eindigt;
ii) franchisenemer te gebieden om vanaf 1 augustus 2023 de exploitatie van een ‘Leen Bakker’ vestiging te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;
(iii) franchisenemer te gebieden om vanaf 1 augustus 2023 het gebruik van de handelsnaam en de woord- en beeldmerken ‘LEEN BAKKER’ en de logo’s van franchisegever te staken en gestaakte te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;
(iv) franchisenemer te gebieden om voor doch uiterlijk op 15 augustus 2023 alle schriftelijke, digitale en/of op andere wijze door franchisegever verstrekte informatie, alsmede de ter beschikking gestelde printers aan franchisegever te retourneren, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,-;
(v) de tussen partijen bestaande huurovereenkomst (de Onderhuurovereenkomst franchisenemer) met betrekking tot de winkelruimte aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] te beëindigen per 31 juli 2023, althans per 10 juli 2026, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
(vi) franchisenemer te veroordelen per de datum van beëindiging conform (iv) de winkelruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] , met alle daarin van harentwege aanwezige personen en/of zaken te ontruimen en leeg, bezemschoon, overeenkomstig de toepasselijke contractuele en wettelijke bepalingen en onder afgifte van alle sleutels ter beschikking te stellen van franchisegever, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,- om, zo franchisenemer mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;
(vii) te verklaren voor recht dat franchisenemer aansprakelijk is voor de schade die franchisegever lijdt, heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de voortzetting van een Leen Bakker-filiaal na de door de kantonrechter bepaalde (en door het hof te bevestigen) einddatum conform (i) hiervoor en franchisenemer te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van franchisenemer in de proceskosten.
3.9
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende geoordeeld:
“De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst
(…)
6.6.
De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst zoals deze is vermeld in artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst bepaalt dat de franchisegever slechts gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen “indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren.” Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex).
(…) [Het hof constateert in rov. 6.7 o.m. dat in confesso is dat over de opzegbepaling uit art. 10.3 niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is gesproken of onderhandeld, A-G].
6.8. (…)
De belangrijkste reden voor Leen Bakker om op te zeggen is dat Leen Bakker in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Deze strategische keuze onderbouwt Leen Bakker met verschillende bedrijfseconomische argumenten.
6.9.
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst met [de B.V.] rechtsgeldig heeft opgezegd per 31 juli 2023. De franchiseovereenkomst voorziet in de mogelijkheid van opzegging en bepaalt dat Leen Bakker mag opzeggen als voortzetting in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Aan dit criterium is, zoals hierna zal blijken, voldaan. Een franchisegever heeft als ondernemer het recht om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken. Partijen zijn het erover eens dat de opzegging dient te worden getoetst op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging (ex tunc toetsing). Ook het hof zal hiervan uitgaan. In artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst is bepaald dat de opzegging op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn. Gezien de opzeggingsbrief (6.1.12) stelt het hof vast dat aan dit vereiste is voldaan. Voor zover [de B.V.] betoogt dat uitsluitend de argumenten genoemd in de opzeggingsbrief mogen worden meegewogen bij de beoordeling van de opzegging door de rechter indien de franchisenemer in rechte bestrijdt dat de opzegging rechtsgeldig is, volgt het hof [de B.V.] daarin niet. Aan de bepaling dat de opzegging schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn, komt niet die verstrekkende betekenis toe. [de B.V.] heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat een dergelijke uitleg aan artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst moet worden gegeven. Ook andere argumenten zullen door het hof dus worden meegewogen bij de (uiteindelijke) beoordeling van de opzegging mits deze gebaseerd zijn op feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging.
6.10.1.
Leen Bakker heeft haar keuze onder meer gemotiveerd door te stellen dat (i) er werkzaamheden voor de franchiseondernemers dienen te worden verricht die voor de eigen winkels niet nodig zijn, (ii) bij zelfexploitatie Leen Bakker meer inkomen zal genereren, (iii) een nieuw ICT- en ERP-systeem wordt ingevoerd, (iv) de Wet Franchise een lastenverzwaring voor Leen Bakker oplevert, (v) de marketingmix, en de (vii) zakelijke markt, (viii) de eenheid naar buiten toe voor Leen Bakker zwaar weegt.Deze bedrijfseconomische en strategische argumenten zijn door Bentja gemotiveerd bestreden, maar hetgeen door Bentja in dit verband is aangevoerd, leidt er niet toe dat de opzegging niet rechtsgeldig is gedaan.Het hof stelt hierbij voorop dat de rechter niet op de stoel van de ondernemer kan gaan zitten, in die zin dat de rechter dient te beoordelen of een andere keuze ook mogelijk was geweest. Aan de ondernemer komt immers een eigen beoordelingsruimte toe over hoe deze zijn organisatie wenst in te richten en welke strategie wordt gevoerd. De bedrijfseconomische en strategische argumenten van Leen Bakker voor opzegging dienen wel voldoende door haar aannemelijk te worden gemaakt. Het hof oordeelt dat dat het geval is op grond van het navolgende.
(…) [In rov. 6.1.10.2-6.1.10.6 bespreekt het hof vervolgens de argumentatie onder (i) t/m (vii), telkens oordelend dat dit argumenten kunnen zijn voor de strategische keuze van franchisegever om te stoppen met de franchiseformule, A-G.]
6.11.
De slotsom is dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is voldaan aan het criterium dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst met [de B.V.] te laten voortduren. In het bijzonder heeft Leen Bakker voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie met [de B.V.] dat opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd is, tegen de achtergrond dat zij in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Hiertegen weegt het belang van [de B.V.] bij voortzetting van de franchiserelatie niet op (het hof gaat hierna, bij de behandeling van grief 2 in principaal hoger beroep, in op het beroep op redelijkheid en billijkheid van [de B.V.] ). Grief 1 in principaal hoger beroep faalt. Bij bespreking van de incidentele grief 1 mist Leen Bakker belang nu het hof na een eigen beoordeling tot de conclusie komt dat sprake is van een rechtsgeldige opzegging door Leen Bakker.
Redelijkheid en billijkheid
6.12.
Met grief 2 komt Bentja op tegen de verwerping van het beroep van Bentja op de beperkende respectievelijk de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid door de kantonrechter. Volgens Bentja is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid door Leen Bakker zonder betaling van een toereikende compensatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de opzegging gepaard had moeten gaan met het aanbod om schadevergoeding te betalen.
6.13.1.
De kantonrechter heeft bij de beoordeling of de door Leen Bakker gedane opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid de jurisprudentie van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten van belang geacht, omdat de franchiseovereenkomst van Bentja daaraan gelijk gesteld kan worden. Volgens grief 2 in incidenteel hoger beroep van Leen Bakker mist de jurisprudentie van de Hoge Raad toepassing omdat partijen uitdrukkelijk afspraken hebben gemaakt over beëindiging van de franchiseovereenkomst. Deze grief kan niet slagen. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 [Goglio/SMQ, A-G], onder meer het volgende:
"3.6.2 Of en, zo ja, onder welke voorwoorden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (Vgl. onder meer HR 28 oktober 2011, ECLl:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685 [De Ronde Venen/Stedin, A-G], rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4I63, NJ 2013/341 [Auping/Beverslaap, A-G], rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450 [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, A-G], rov. 4.4.2)
3.6.3
Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.
3.6.4
Een beroep op een uil de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. HR 10 juni 2016, ECL:NL:HR:2016:1134, NJ2016/450, [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, A-G], rov. 4.4.2). (…)”.
Het hof acht deze algemene overwegingen van de Hoge Raad van belang voor de onderhavige zaak, meer in het bijzonder hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in 3.6.3- 3.6.4. Daarin worden immers die gevallen omschreven waarin een bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst bestaat, zoals ook ten aanzien van Bentja het geval is. Verder verwijst de Hoge Raad naar rov. 4.4.2 van zijn arrest van 10 juni 2016. In dat arrest is voor zover relevant opgenomen dat ook als een overeenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval in de weg kunnen staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. De hierna te noemen feiten en omstandigheden neemt het hof in aanmerking bij de beoordeling van het beroep van Bentja op de redelijkheid en billijkheid.
Aard en inhoud van de overeenkomst
6.13.2.
Partijen hebben op 1 januari 1995 met elkaar een franchiseovereenkomst gesloten. De franchiseovereenkomst wordt (steeds) stilzwijgend verlengd en eindigt dus niet van rechtswege. In de overeenkomst is voorzien in een opzeggingsmogelijkheid voor de franchisegever. Ten tijde van de opzegging op 28 juli 2020 was sprake van een samenwerking tussen partijen van ruim 25 jaar.
(…) [Het hof vervolgt met uitgebreide overwegingen over gewekte verwachtingen over voortzetting van de franchiserelatie (rov. 6.13.3-6.13.5), dat de samenwerking en onderlinge verhoudingen goed waren en franchisenemer geen enkel verwijt valt te maken (rov. 6.13.6), er sprake is van een financiële afhankelijkheid van franchisenemer van de franchiseformule en zij gebonden is aan een (geografisch en in tijd beperkt) non concurrentiebeding (rov. 6.13.7, A-G].
Aanbod tot vergoeding
6.14.
In de opzegging van 28 juli 2020 heeft Leen Bakker geen aanbod gedaan tot het betalen van enige vergoeding. (…) Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van Leen Bakker aan [de B.V.] een voorstel gedaan. (…).
6.15.
Gelet op de jarenlange relatie tussen partijen, de verwachtingen bij [de B.V.] tot het moment van de mededeling op 15 juli 2020 dat de franchiseovereenkomst niet zou worden beëindigd, de investeringen die [de B.V.] heeft gedaan die nog niet (geheel) zijn afgeschreven, de omstandigheid dat [de B.V.] geen verwijt kan worden gemaakt van de opzegging en de afhankelijke relatie waarin [de B.V.] zich bevindt, acht het hof de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Leen Bakker heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van [de B.V.] bij haar opzegging. De opzegging is geheel gebaseerd is op de eigen strategische keuze van Leen Bakker en de wens om hetgeen zij misloopt bij voortzetting van de franchiseformule, Leen Bakker rept over 1,9 miljoen euro per jaar, als extra omzet toe te voegen aan haar eigen onderneming. De omstandigheid dat Leen Bakker een opzegtermijn van 36 maanden in acht heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de opzegging van 28 juli 2020 van Leen Bakker volgt dat ook Leen Bakker meent dat de franchiseovereenkomst eerst opzegbaar was tegen 1 augustus 2023. Dat [de B.V.] nu 23 maanden eerder op de hoogte was dan zij op grond van de voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest van de opzegging, betreft geen compensatie voor [de B.V.] . Niet is gebleken dat Leen Bakker op enig moment een vergoeding heeft aangeboden. Het in gesprek gaan met de franchisenemer over overname van de vestiging en het doen van een daarop toegespitst aanbod kan niet als zodanig worden beschouwd. Dit oordeel betekent dat Leen Bakker in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst is tekortgeschoten jegens [de B.V.] . Op basis van deze tekortkoming kan [de B.V.] jegens Leen Bakker aanspraak maken op een zekere (schade)vergoeding. Het hof zal de door [de B.V.] subsidiair gevorderde verklaring voor recht toewijzen en de zaak verwijzen naar de schadestaat. Al met al acht het hof het beroep van Leen Bakker op de opzeggingsbevoegdheid in de franchiseovereenkomst in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De door [de B.V.] gestelde belangen wegen niet op tegen het zwaarwegende bedrijfseconomische belang van Leen Bakker, zoals hiervoor vastgesteld, om de franchiserelatie te beëindigen. Dit betekent dat de primaire vordering van [de B.V.] (weergegeven hiervoor in rov. 6.3) niet toewijsbaar – voor zover opgenomen achter het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje – is, bij de vordering achter het tweede gedachtestreepje heeft [de B.V.] geen (zelfstandig) belang. Wel dient dus in de schadestaatprocedure de [de B.V.] toekomende vergoeding te worden vastgesteld. In deze procedure zijn daarvoor onvoldoende gegevens voorhanden.
Onderhuurovereenkomst
6.16.
Grief 3 is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de beëindiging van de onderhuurovereenkomst per 10 juli 2026. Met grief 7 in het incidenteel hoger beroep beoogt Leen Bakker de beëindiging van de huurovereenkomst gelijktijdig aan de beëindiging van de franchiseovereenkomst op 31 juli 2023.
(…)
6.19.
Het hof stelt vast dat [de B.V.] geen belang meer heeft bij het blijven huren van de winkelruimte na 31 juli 2023. [de B.V.] mag de ruimte immers enkel gebruiken om een Leen Bakker winkel te exploiteren, terwijl de opzegging van de franchiseovereenkomst ertoe leidt dat zulks niet meer mogelijk is. Dat partijen de grond ‘dringend eigen gebruik’ contractueel hebben uitgesloten, leidt er niet toe dat [de B.V.] om die reden wel een gerechtvaardigd belang heeft bij voortzetting van de onderhuurovereenkomst. Gelet op het voorgaande onderschrijft het hof het oordeel van de kantonrechter dat de in deze te verrichten belangenafweging op grond van artikel 7:296 lid 3 BW in het voordeel van Leen Bakker uitvalt. [de B.V.] heeft in hoger beroep niets (nieuws) aangevoerd dat tot een andere oordeel dient te leiden. Naar het oordeel van het hof brengt het voorgaande met zich mee dat het in de gegeven omstandigheden, waarin [de B.V.] geen belang heeft bij het blijven huren van de winkelruimte na 31 juli 2013 en Leen Bakker een groot belang heeft bij behoud van het gehuurde ter exploitatie van een eigen Leen Bakker filiaal, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [de B.V.] vasthoudt aan de einddatum van 10 juli 2026. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat de onderhuurovereenkomst, in het licht van de rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst, ook op 31 juli 2023 zal eindigen. Leen Bakker heeft zich in hoger beroep voor het eerst op dit standpunt gesteld, maar dit staat aan toewijzing van de onderhavige vorderingen (zie hiervoor rov. 6.4 onder (v) en (vi)) niet in de weg gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep; van rechtsverwerking en/of een gedekt verweer is geen sprake. Dit betekent dat grief 7 in het incidenteel hoger beroep slaagt en grief 3 faalt.
6.20.
[de B.V.] heeft voorwaardelijk zijn eis vermeerderd, in die zin dat als het hof zou beslissen dat de onderhuurovereenkomst eerder eindigt, zij een verklaring voor recht vordert dat Leen Bakker dan gehouden is om een schadevergoeding aan [de B.V.] te betalen. [de B.V.] voert daartoe aan dat Leen Bakker alsdan het gehuurde drie jaar eerder tot haar beschikking krijgt en zij dus drie jaar eerder daarvan kan profiteren. Voorts bestaat de schade volgens [de B.V.] uit niet afgeschreven investeringen. De hier door het hof toe te passen maatstaf is of aannemelijk is dat [de B.V.] mogelijk schade lijdt of zal worden geleden door de eerdere beëindiging van de onderhuurovereenkomst (vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246). Het hof is van oordeel dat hieraan is voldaan. Dat mogelijk schade zowel een gevolg kan zijn van de opzegging van de franchiseovereenkomst als van de (eerdere) beëindiging van de onderhuurovereenkomst en die schade niet dubbel kan worden geclaimd, zoals Leen Bakker betoogt, betekent niet dat nu al kan worden vastgesteld dat [de B.V.] in het geheel geen schade leidt vanwege de eerdere beëindiging van de onderhuurovereenkomst. Een en ander heeft tot gevolg dat de zaak ook op dit punt zal worden verwezen naar de schadestaat. Hiervoor zal het hof geen afzonderlijke veroordeling opnemen in het dictum. De schade als gevolg van de eerdere beëindiging van de huurovereenkomst kan gelet op de samenhang met de beëindiging van de franchiseovereenkomst, bij de vaststelling van de [de B.V.] toekomende vergoeding worden meegenomen in de schadestaatprocedure.
6.21.
Bij de bespreking van grief 4 heeft [de B.V.] geen belang meer. Van een gemengde overeenkomst is overigens naar het oordeel van het hof geen sprake.
(…)
Slotsom
6.31.
De grieven 1 en 3 in het principaal hoger beroep falen. De grief 2 slaagt deels. De grieven 4 en 5 missen zelfstandige betekenis. De grieven in het incidenteel hoger beroep 1, 2, en 6 falen. De grieven 3, 4, 5 en 7 slagen deels. Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep zijn partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het hof aanleiding om de proceskosten in hoger beroep (in hoofdzaak en in het incident) tussen partijen te compenseren. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Partijen hebben ook niet, althans niet voldoende, concreet feiten te bewijzen aangeboden die indien bewezen tot andere beslissingen leiden.
Nu het vonnis grotendeels in stand blijft, heeft de kantonrechter [de B.V.] terecht in de proceskosten van eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) veroordeeld. De vordering van [de B.V.] tot veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling van alles wat [de B.V.] ter uitvoering van het vonnis aan Leen Bakker heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, is gelet op het voorgaande niet toewijsbaar. Het hof zal het vonnis om proceseconomische redenen vernietigen.
7. De uitspraak
Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
7.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 29 december 2021, en opnieuw rechtdoende,
in conventie
7.2.
verklaart voor recht dat Leen Bakker gehouden is tot betaling aan [de B.V.] van een (schade-)vergoeding;
7.3.
veroordeelt Leen Bakker tot betaling van een (schade-)vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 en bepaalt dat de schade in een procedure als bedoeld in artikel 612 Rv zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;
7.4.
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde door [de B.V.] af;
(…)”
3.10
Franchisenemer heeft tijdig cassatie ingesteld. Franchisegever heeft geconcludeerd tot verwerping en deels onvoorwaardelijk, deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [de B.V.] heeft geconcludeerd tot verwerping in het incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. In het principaal cassatieberoep heeft [de B.V.] gerepliceerd en heeft Leen Bakker gedupliceerd. In het incidenteel cassatieberoep heeft Leen Bakker afgezien van repliek en heeft [de B.V.] gedupliceerd.
4. Inleiding
Opzegging duurovereenkomsten4.
4.1
Het gaat in deze zaak om de opzegging van een duurovereenkomst tussen commerciële partijen op neutrale gronden. Er bestaat geen wettelijke definitie van duurovereenkomsten in het algemeen. Een duurovereenkomst wordt doorgaans omschreven als een overeenkomst die één of beide partijen verplicht tot opeenvolgende dan wel voortdurende prestaties. Tussen partijen ontstaat een rechtsverhouding die als een toestand kan worden gekarakteriseerd5.. Voorbeelden zijn huurovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten, maatschap, geldlening tegen rente, verzekering, overeenkomsten met concurrentieverbod6., distributieovereenkomsten en franchiseovereenkomsten. Er kan een onderverdeling worden gemaakt in (in de wet specifiek geregelde) benoemde duurovereenkomsten en onbenoemde duurovereenkomsten. De laatste categorie ontwikkelt zich met betrekking tot het opzegvraagstuk tegenwoordig voornamelijk in de sfeer van distributieovereenkomsten7.. De franchiseovereenkomst kan worden gezien als een species van de distributieovereenkomst8.. Uitleg van franchiseovereenkomsten gebeurt in beginsel aan de hand van de Haviltexformule9.. Omdat Titel 7.16 (zie hierna in 4.7-4.8) de opzegging van de franchiseovereenkomst niet regelt, geldt voor franchiseovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan wat in de rechtspraak van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten is bepaald10..
4.2
Bij beoordeling van de opzegbaarheid van een duurovereenkomst is relevant of er sprake is van een duurovereenkomst voor bepaalde11.of onbepaalde tijd12., en of in de overeenkomst een regeling is opgenomen over de bevoegdheid tot opzegging.
4.3
Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan voor onbepaalde duur en daarom is opzegging nodig om de overeenkomst te laten eindigen, tenzij andere beëindigingsgronden zich voordoen (zoals ontbinding)13.. Het hof legt de franchiseovereenkomst in rov. 6.13.2 vanwege de stilzwijgende verlenging die steeds heeft plaatsgevonden uit als niet van rechtswege eindigend (hetgeen op een lijn is te stellen met een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in vorenbedoelde zin), waarin voorzien is in een opzeggingsmogelijkheid voor de franchisegever.
4.4
De rechtspraak van de Hoge Raad leert dat wanneer de wet of een duurovereenkomst voorziet in zo’n bevoegdheid tot opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld (dus op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). Die eisen kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een zwaarwegende grond bestaat, een bepaalde opzegtermijn in acht wordt genomen of de opzegging gepaard gaat met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding14.. Of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van een duurovereenkomst als de onderhavige in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De aard van de betrokken belangen kunnen daarbij een rol spelen, zo volgt uit Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, al aangehaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om omstandigheden die te maken hebben met een omschakelijking in de bedrijfsvoering of het terugverdienen van gedane investeringen15.. De ratio hiervan is het geven van een mogelijkheid aan de wederpartij om haar bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie ten gevolge van de opzegging. Ook kan een beroep op zo’n bevoegdheid tot opzegging op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid)16..
4.5
Het hof geeft dit stelsel weer in rov. 6.13.1 onder het citeren van rov. 3.6.2-3.6.4 uit het arrest Goglio/SMQ (hiervoor geciteerd in 3.9), onder verwerping van incidentele grief 2 van franchisenemer.
4.6
De vervolgens gekozen bewoordingen in rov. 6.15 hadden mogelijk scherper gekund, maar nauwkeurige lezing maakt wel duidelijk wat het hof hier beslist: opzegging had naar het oordeel van het hof hier niet gekund zonder schadevergoeding aan franchisenemer aan te bieden. Nu dat niet is gebeurd, is sprake van een tekortkoming zijdens franchisegever, die haar schadeplichtig maakt, zodat verwijzing volgt naar de schadestaatprocedure. Dat is het eerste deel van rov. 6.15. Vervolgens beslist het hof in het tweede deel van die overweging dat de verder gaande primaire positie van franchisenemer dat opzegging hier naar normen van redelijkheid en billijkheid überhaupt onaanvaardbaar zou zijn, niet kan worden gevolgd. Dat er voor de twee beslissingen allebei het woord ‘onaanvaardbaar’ wordt gebruikt in rov. 6.15, is mogelijk minder scherp dan had gekund: bedoeld is gelet op de voorafgaande overwegingen onmiskenbaar dat de eerste beslissing in de sleutel staat van art. 6:248 lid 1 BW: zonder schadevergoeding aan te bieden is opzegging hier niet aanvaardbaar, die moet er bijkomen en daartoe wordt franchisegever veroordeeld bij staat, maar van principiële onaanvaardbaarheid van haar beroep op de opzegbepaling is hier geen sprake (dus het beroep van franchisenemer op art. 6:248 lid 2 BW faalt17.).
Wet franchise18.
4.7
Sinds 2021 bevat boek 7 BW een Titel 16 over franchiseovereenkomsten19., waarmee het een benoemde overeenkomst is geworden. Art. 7:911 lid 1 BW definieert een franchiseovereenkomst als de overeenkomst waarbij de franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten. In lid 2 volgens definities van franchiseformule, afgeleide formule, franchisegever en franchisenemer.
4.8
Van belang20.is in deze zaak de (dwingendrechtelijke) regeling uit art. 7:920 BW over goodwill en non concurrentiebeding bij beëindiging van de franchise21., die per 1 januari 2023 in werking zijn getreden. Deze kunnen een rol gaan spelen in de schadestaatprocedure; als de opzegging per 1 augustus 2023 als zodanig stand houdt, speelt deze bepaling geen (directe) rol in de onderhavige zaak, als ik het goed zie22.23.. Nu ik de cassatieklachten tegen de geldigheid van de opzegging geen doel zie treffen, laat ik het bij de volgende signalering: art. 7:920 lid 1 sub b BW bepaalt dat de franchiseovereenkomst moet regelen ‘op welke wijze goodwill die redelijkerwijs is toe te rekenen aan de franchisenemer bij beëindiging van de franchiseovereenkomst aan de franchisenemer wordt vergoed, indien de franchisegever de franchiseonderneming van de betreffende franchisenemer overneemt om deze onderneming zelfstandig voort te zetten (…)’.
4.9
Met deze zo begrepen beslissingen van het hof en gewapend met de besproken duurovereenkomstenrechtspraak van de Hoge Raad en hetgeen de wet inmiddels regelt over de benoemde franchiseovereenkomst, richten wij onze blik op de middelen.
5. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
5.1
Het principale cassatiemiddel bestaat na een inleiding uit drie onderdelen met subonderdelen. Onderdeel 1 gaat over de opzegging van de franchiseovereenkomst en bestrijdt het oordeel dat de opzegging het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Onderdeel 2 ziet op de beëindiging respectievelijk het einde van de (onder)huurovereenkomst en onderdeel 3 betreft de slotsom en het dictum, met name de daarbij uitgesproken proceskostenveroordelingen.
Opzegging franchiseovereenkomst
5.2
Onderdeel 1 is met drie subonderdelen (i-iii) gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.9, 6.11 en 6.15.
5.3
Subonderdeel i is gericht tegen een (betrekkelijk ondergeschikte) passage uit rov. 6.9. In het kader van zijn oordeel dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd per 31 augustus 2021 is door het hof het standpunt van franchisenemer in appel verworpen dat dat niet (mede) zou kunnen aan de hand van opzeggingsgronden die niet in de opzeggingsbrief van 28 juli 2020 zijn genoemd24.. Het hof oordeelt net als de kantonrechter dat ook andere argumenten kunnen worden meegewogen bij de (uiteindelijke) beoordeling van de opzegging, als deze maar zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging. Franchisenemer richt hier een rechtsklacht tegen en uit de uitwerking in de PI onder 5 maak ik op dat zij daaraan ten grondslag legt dat het hof hier de Haviltexmaatstaf niet zou hebben toegepast. Het hof heeft overwogen dat deze uitleg die franchisenemer aan het schriftelijke mededelingsvereiste uit art. 10 lid 3 wil geven ‘verstrekkend’ is, maar zou niet kenbaar hebben onderzocht in het licht van de betrokken stellingen van partijen wat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen hiermee is (art. 3:33 en 3:35 BW). Verder klaagt de PI onder 5 dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend (art. 24 Rv) aangezien franchisegever heeft erkend dat art. 10.3 haar opzeggingsvrijheid beperkt tot ‘omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’25..
5.4
De klacht is tevergeefs en scheert in de eerste plaats langs de hoofdreden voor het hof om te oordelen dat hier sprake is van een rechtsgeldige opzegging, te weten dat is voldaan aan de opzeggingsgrond dat voortzetting in redelijkheid niet van franchisegever kan worden gevergd, omdat zij als franchisegever het recht heeft om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken in de vorm van het helemaal stoppen met de franchiseformule en zich alleen nog focussen op de exploitatie van eigen winkels (rov. 6.8 en 6.9).
5.5
Het hof heeft in rov. 6.6 vooropgesteld dat art. 10.3 van de franchiseovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf: geen zuiver taalkundige uitleg, omdat het immers aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.6
In rov. 6.9 heeft het hof aan zijn oordeel dat ook andere argumenten dan die genoemd in de opzeggingsbrief mogen meewegen bij de beoordeling van de opzegging ten grondslag gelegd dat (1) partijen het erover eens zijn dat de opzegging dient te worden getoetst op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging (ex tunc), (2) aan de bepaling dat de opzegging schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn niet de door franchisenemer bepleite ‘verstrekkende’ (in de zin van: beperkende) betekenis toekomt, en (3) franchisenemer onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd. Dat dit geen Haviltex-onderzoek zou behelzen naar de partijbedoeling met dit beding, zie ik niet; dat lijkt mij bij uitstek wel het geval, zodat de Haviltexmaatstaf, die het hof ook voorop stelt in rov. 6.6, niet is miskend (in gelijke zin s.t. franchisegever 2.1.6). Het hof volgt alleen de beperkte uitleg van franchisenemer niet, nu die naar het feitelijke oordeel van het hof onvoldoende concreet is onderbouwd. In cassatie wijst franchisenemer ook niet op stellingen in feitelijke instanties die zouden maken dat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs deze beperkte betekenis aan art. 10.3 van de franchiseovereenkomst toekenden en zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat alleen de in de opzeggingsbrief genoemde argumenten mochten worden meegewogen; zij wijst in de hierna te bespreken motiveringsklacht alleen op getrokken parallellen met opzegbepalingen uit andere benoemde duurovereenkomsten (huur en verzekering). Dat beoordeelt het hof kennelijk als niet toereikend en daartegen is de rechtsklacht tevergeefs gericht.
5.7
Er is ook geen sprake van schending van art. 24 Rv hier, vanwege het gegeven dat franchisegever in hoger beroep zou hebben erkend dat art. 10.3 haar opzeggingsvrijheid heeft beperkt tot ‘omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’. In 3.24 van de MvA/MvG van franchisegever, waarnaar PI onder 5 ter adstructie verwijst, heeft franchisegever betoogd dat de toetsing ex tunc moet plaatsvinden en het haar vrij staat om in rechte een beroep te doen op nieuwe feiten en omstandigheden die zich vóór de beëindiging hebben voorgedaan. Dat met de in MvA/MvG 3.24 voorkomende stelling ‘Het gaat om omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’, wordt gerespondeerd op de stelling van franchisenemer dat het om ‘omstandigheden [gaat] die zelfs in de optiek van (…) [franchisegever] niet de moeite waard waren om op te noemen in de opzegbrief’ uit MvG 11, klopt volgens franchisegever niet (zoals zij terecht bij s.t. 2.1.12. aanvoert): zij reageert daar bij MvA/MvG op met de stelling dat het ging om omstandigheden waar de franchisenemers mee bekend waren, zoals de samenwerking met Kwantum, en dat er geen reden of grond is om die omstandigheden, die al speelden ten tijde van de opzegging, verder buiten beschouwing te laten. Hiermee heeft franchisegever lijkt mij niet erkend, zoals de klacht ingang wil doen vinden, dat haar opzeggingsvrijheid beperkt was tot omstandigheden waarmee de franchisenemers bekend waren. Het hof is hier dan ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Ook dit deel van de rechtsklacht faalt.
5.8
De PI onder 6 bevat de hiervoor al gesignaleerde motiveringsklacht tegen dezelfde passage uit rov. 6.9 dat de uitleg die franchisenemer aan art. 10.3 van de franchiseovereenkomst geeft ‘verstrekkend’ is. Franchisenemer heeft ter adstructie van haar uitleg van de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 bij MvG onder 11 verwezen naar art. 7:273 lid 1 BW (gebondenheid aan gronden bij opzegging huur woonruimte), art. 7:295 lid 2 BW (idem bij opzegging van huur van middenstandsbedrijfsruimte) en voegt daar nu in cassatie art. 7:940 lid 3 BW aan toe (idem bij opzegging van verzekeringen), die de opzegger ook binden aan de opzeggingsgronden in diens opzeggingsbrief. In het licht daarvan is niet toereikend gemotiveerd dat de uitleg van franchisenemer ‘verstrekkend’ zou zijn volgens deze motiveringsklacht; deze is althans niet verstrekkender dan die van franchisegever, laat staan vergeleken met de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof, die de ratio van de verplichting om de opzegging met redenen te omkleden (die de opzegger dwingt tot zorgvuldigheid en daarmee tot oog voor de belangen van de wederpartij bij (i) voortzetting van de overeenkomst en (ii) een goede beoordeling van haar kansen in een procedure) geweld aandoet met de implicatie dat de opzegger zijn opzegging later naar believen kan baseren op meer en/of andere redenen dan aanvankelijk verwoord, als deze maar te herleiden zijn tot feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging, waarmee de opzegger dus de belangen van de wederpartij kan negeren althans schenden. Door alleen te oordelen dat de uitleg van franchisenemer ‘verstrekkend’ is, geeft het hof onvoldoende inzicht in zijn kennelijke gedachte dat de argumenten van franchisenemer geen hout snijden, aldus de motiveringsklacht. Ook valt volgens de motiveringsklacht niet in te zien hoe franchisenemer haar positie concreter had kunnen onderbouwen dan door een verwijzing naar de ratio van een opzeggingsbepaling als art. 10.3.
5.9
Om met dat laatste te beginnen: het hof ziet Haviltexend juist niet dat die door franchisenemer bepleite ratio hier bij partijen heeft voorgezeten en mist daarvoor toereikende onderbouwing; de bepleite parallellie met opzegregelingen bij huur heeft het hof (begrijpelijkerwijs, zie hierna) niet meteen kunnen overtuigen. Dat deel van de motiveringsklacht faalt.
5.10
Over de verdere motiveringsklacht aangaande de kwalificatie ‘verstrekkend’ is in de eerste plaats de vraag of die kwalificatie wel dragend is voor het hofoordeel hier, nu ook wordt overwogen dat franchisenemer onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de door haar verdedigde uitleg van art. 10.3 moet worden gegeven (zo s.t. franchisegever 2.1.8). Verder heeft hier te gelden dat de ingeroepen bepalingen gelden voor andere benoemde duurovereenkomsten en zich niet zo maar lenen voor analoge toepassing bij franchiseovereenkomsten. Dat is een andere benoemde duurovereenkomst dan huur en verzekering met bovendien als relevante bijzonderheid dat daarvoor in Titel 7.16 een regeling over opzegging geheel ontbreekt, zoals hiervoor is besproken. De bepleite analogie met specifieke opzeggingsregelingen voor hele andere benoemde duurovereenkomsten gaat dan een paar stappen te ver. Dat het hof heeft geoordeeld dat het aansluiten bij deze bepalingen ‘verstrekkend’ is, is een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is, omdat daarin wordt afgeweken van het hoofdbeginsel zonder die restrictie. Anders gezegd: de bepleite binding aan opzeggingsgronden in de opzeggingsbrief bij franchise is (even) beperkend (als bij huur en verzekering) en daarom in die zin inderdaad ‘verstrekkend’, want afwijkend van de hoofdregel; dat is goed te volgen en behoefde mijns inziens geen nadere motivering. Dat dit niet verstrekkender zou zijn dan ‘de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof’, zoals de klacht nog aandraagt, mist ten slotte feitelijke grondslag, omdat het hof (juist niet) zuiver tekstueel uitlegt, maar Haviltext, zoals hiervoor is besproken.
5.11
Subonderdeel 1.i is daarmee tevergeefs voorgesteld.
5.12
Subonderdeel ii26. (PI onder 8-11) klaagt dat het oordeel in rov. 6.11 dat rechtsgeldig is opgezegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd: als franchisegever op bedrijfseconomische gronden een strategisch besluit neemt om op te zeggen, kan niet, althans niet zonder nadere motivering, worden gezegd dat van franchisenemer in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de overeenkomst laat voortduren (PI onder 8). Partijen hebben vrijwillig als maatstaf aanvaard dat de franchisegever alleen de overeenkomst zal kunnen beëindigen als in redelijkheid niet langer van hem kan worden gevergd dat hij de overeenkomst laat voortduren. Deze maatstaf dwingt tot een belangenafweging en aan die maatstaf is pas voldaan als in de concrete omstandigheden het voortzettingsbelang van de franchisenemer het duidelijk aflegt tegen het beëindigingsbelang van de franchisegever. Een opzegging die slechts is gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden heeft dan geen rechtsgevolg (PI onder 9)27.. De PI vervolgt onder 10 met de klacht dat geen kenbare belangenafweging is gemaakt, maar dat het hof alleen lippendienst aan de belangen van franchisenemer bewijst, zodat het oordeel, zo als niet onjuist, in elk geval niet aan minimale motiveringseisen voldoet. De PI onder 11 zet het oordeel in rov. 6.11 af tegen dat in rov. 6.15, die onderling onverenigbaar zouden zijn. Het hof had moeten (en alleen begrijpelijk kunnen) beslissen dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, omdat de strategische (louter door winstbejag ingegeven) keuze van franchisegever niet opweegt tegen het voortzettingsbelang van franchisenemer, zodat de opzeggingsdrempel van art. 10.3 niet is gehaald.
5.13
Dit kan geen doel treffen. Het hof komt in rov. 6.11 tot de ‘slotsom’ dat de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, een conclusie die het hof bereikt na een beoordeling van de terzake aangedragen bedrijfseconomische en strategische argumentatie in rov. 6.8-6.9 en de in rov. 6.10.1 opgesomde punten (i) tot en met (viii), die door franchisegever zijn aangedragen en door franchisenemer gemotiveerd bestreden en welke punten het hof vervolgens beoordeelt in rov. 6.10.2-6.10.6. Er is naar het feitelijke oordeel van het hof voldaan aan het criterium uit art. 10.3 dat van franchisegever in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst te laten voortduren. Franchisegever heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie dat opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd is en het belang van franchisenemer bij voortzetting van de franchiserelatie weegt hier naar het feitelijk oordeel van het hof niet tegen op. Dat in rov. 6.11 is geoordeeld dat aan de opzeggingsgrond is voldaan is niet onverenigbaar met het oordeel in rov. 6.15 dat uit art. 6:248 BW voortvloeit dat hier een schadevergoeding behoort te worden toegekend aan franchisenemer. Ik zou het hier bij kunnen laten, maar loop de specifieke klachten nog even na.
5.14
Voor zover in de PI onder 9 een andere maatstaf wordt geïntroduceerd, namelijk dat het voortzettingsbelang van franchisenemer het duidelijk af moet leggen tegen het beëindigingsbelang van franchisegever, of verder op die zo uitgelegde maatstaf uit art. 10.3 voortbouwt in de PI onder 10 , is dat niet de juiste maatstaf uit het contract. Franchisenemer verwijst niet naar vindplaatsen in stukken uit feitelijke instanties waar zij dit standpunt heeft ingenomen. Een dergelijke feitelijke stelling over de uitleg van de overeenkomst kan niet voor het eerst in cassatie worden betrokken.
5.15
Het hof heeft het standpunt van franchisenemer verworpen dat een opzegging gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden geen rechtsgevolg kan hebben. Het hof heeft immers in rov. 6.9 overwogen dat een franchisegever als ondernemer het recht heeft om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken en het hof is na een belangenafweging in rov. 6.11 tot het oordeel gekomen dat het bedrijfseconomisch belang van franchisegever tot het stopzetten van de franchiseformule zwaarder weegt dan het belang van franchisenemer bij voortzetting (zij het met de kanttekening elders in het arrest dat franchisenemer recht heeft op een (schade)vergoeding). Dat deze belangen niet zouden zijn afgewogen, faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag; dat gebeurt wel in rov. 6.11. Dat een opzegging gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden nooit rechtsgevolg kan hebben, is ook geen rechtsregel die vanzelf spreekt: het feitelijk oordeel van het hof is dat de door het hof nagelopen bedrijfseconomische redenen om tot opzegging te komen voldoen aan het opzeggingscriterium uit art. 10.3 dat van franchisegever niet gevergd kan worden om de franchiseovereenkomst voort te zetten. Dat is het hof op begrijpelijke wijze nagegaan waarbij de belangen van partijen zijn afgewogen. In rov. 6.10.1-6.10.6 is het hof nagegaan of voldoende aannemelijk is gemaakt dat die bedrijfseconomische en strategische redenen aanwezig zijn die de beëindigingsgrond kunnen dragen en dat is zo volgens het hof. Voor de belangen van franchisenemer heeft het hof hier (bij wijze van vooruitverwijzing naar de bespreking van grief 2 in rov. 6.12-6.15 en meer in het bijzonder in rov. 6.13.2-6.13.7) oog gehad. Afweging en conclusie volgt in rov. 6.11: de belangen van franchisegever wegen hier naar feitelijk oordeel van het hof zwaarder dan die van franchisenemer. Dat is rechtens onjuist noch ontoereikend gemotiveerd.
5.16
Van innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 6.11 en rov. 6.15, zoals de PI onder 11 aankaart, is geen sprake; ik verwijs voor hoe rov. 6.15 kan worden begrepen terug naar 4.6. Het kan wel degelijk tegelijkertijd zo zijn dat, zoals het hof in rov. 6.11 heeft geoordeeld, van franchisegever in redelijkheid niet kan worden gevergd de overeenkomst te laten voortduren en dat, zoals het hof in rov. 6.15 heeft geoordeeld, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals het doen van een aanbod tot betaling van schadevergoeding. Uit de besproken rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat ook als een duurovereenkomst voorziet in een bevoegdheid tot opzegging, art. 6:248 lid 1 BW kan meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen moeten worden gesteld, zoals dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot schadevergoeding. Het laatste deel van de PI onder 11 hint op een hernieuwde belangenafweging ten gunste van franchisenemer, maar daartoe is geen plaats in cassatie.
5.17
Subonderdeel 1.ii is ook tevergeefs voorgesteld.
5.18
Subonderdeel iii klaagt in de PI onder 12 dat het oordeel in rov. 6.15 gelet op art. 6:248 lid 2 BW ook tot de conclusie moet leiden dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, nu franchisegever immers geen schadevergoeding heeft aangeboden. Dan kan niet tegelijkertijd waar zijn dat het beroep op de opzeggingsbevoegd in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zonder de (niet aangeboden) schadevergoeding is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid dat immers wel.
5.19
Dit gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest, zoals hiervoor al is besproken in 4.6 en ook franchisegever bij s.t. 2.2.3-2.2.4 terecht uiteenzet: de geldigheid van de opzegging moet hier los worden gezien van de vraag of een (schade)vergoeding verschuldigd is. De geldigheid van de opzegging is hier niet afhankelijk van het aanbod tot schadevergoeding. Het is niet juist dat het achterwege laten van een redelijk aanbod tot schadevergoeding maakt dat de opzegging als zodanig ongeldig is28.; de opzegging is hier rechtsgeldig gelet op de ingeroepen en naar ’s hofs oordeel ‘waargemaakte’ opzeggingsgrond, ook al is deze niet gepaard gegaan met een aanbod tot schadevergoeding. In de woorden van Vriend: de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid grijpt niet verder in dan noodzakelijk om een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geconstateerde onaanvaardbaarheid op te heffen29.. Een ander oordeel leidt tot ongewenste rechtsonzekerheid. Het is voor (commerciële) partijen van belang om zekerheid te hebben dat een overeenkomst is beëindigd, zodat zij bijvoorbeeld nieuwe overeenkomsten kunnen aangaan30.. Het manco lost zich vervolgens op in schadevergoeding. Het is hiervoor in de inleiding al besproken: het kan zo zijn dat de leden 1 en 2 van art. 6:248 BW tegelijkertijd een rol spelen: de opzegging kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (beroep op art. 6:248 lid 2 BW slaagt niet), terwijl tegelijkertijd de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (ingevolge art. 6:248 lid 1 BW)31.. Dat is onmiskenbaar hetgeen het hof hier heeft beslist – daargelaten de gekozen bewoordingen, die duidelijker hadden gekund.
5.20
Zodoende kan de opvatting van franchisenemer in de PI onder 13 niet worden gevolgd dat zij autonoom mocht beslissen welke remedie zij naar aanleiding van de tekortkoming van haar schuldenaar inzet en dat het hof haar keuze voor nakoming moest respecteren. Dat is nu juist in een stelsel van (in beginsel) opzegbaarheid van duurovereenkomsten niet zo32.. Het primaire standpunt van franchisenemer was dat de opzegging zonder rechtsgevolg is geweest en voortduurt, omdat niet is voldaan aan de opzeggingsvereisten uit art. 10.3, althans dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en dus onrechtmatig was33.. Het subsidiaire standpunt was dat voor het geval de opzegging stand houdt, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij recht heeft op onder meer schadevergoeding34.. Nu het hof oordeelt dat aan de opzeggingsvereisten uit art. 10.3 is voldaan en de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is de primaire vordering afgewezen. Aangezien tevens is geoordeeld dat deze op zich geldige opzegging zonder schadevergoedingsaanbod een tekortkoming oplevert, is de subsidiaire vordering toegewezen in de vorm van verwijzing naar de schadestaat.
5.21
Franchisenemer klaagt in de tweede alinea van de PI onder 13 nog dat zij recht heeft op het positieve contractsbelang en franchisegever haar in financiële zin moet brengen in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming van franchisenemer achterwege was gebleven, in dit geval dus wanneer de overeenkomst niet was opgezegd. Voor zover de overweging van het hof dat franchisenemer recht heeft op ‘een zekere schadevergoeding’, moet worden begrepen als een beperking van haar recht op vergoeding van het positieve contractsbelang, is die overweging rechtens onjuist althans (ook voor de schadestaatrechter) onbegrijpelijk, aldus deze klacht.
5.22
Ook dit treft geen doel. Het hof heeft in rov. 6.15 niet geoordeeld over de omvang van de schadevergoeding, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist. Het hof heeft de subsidiair gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de zaak (blanco) verwezen naar de schadestaat.
5.23
Punt 14 van de PI bevat geen nieuwe klacht, maar een samenvatting en de voortbouwklacht onder 15 van de PI dat het slagen van delen van onderdeel 1 ook rov. 6.31, 7.6 en 7.7-7.13 aantast, deelt het lot van de hiervoor besproken klachten.
5.24
Onderdeel 1 kan zodoende niet tot cassatie leiden.
Onderhuurovereenkomst
5.25
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 6.16 en 6.21 waarin het hof heeft geoordeeld dat ook de onderhuurovereenkomst tussen franchisegever en franchisenemer op 31 juli 2023 eindigt, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als franchisenemer vasthoudt aan de einddatum van de huurovereenkomst van 10 juli 2026. De PI bevat onder 16 een inleiding zonder klachten en onder 17 een voortbouwklacht, die geen zelfstandige bespreking behoeft. De klacht in de PI onder 18 is dat het hof met zijn oordeel in rov. 6.19 en 6.21 het standpunt van franchisenemer heeft genegeerd dat naar de bedoeling van partijen, onder andere blijkend uit art. 10.1 van de franchiseovereenkomst, ‘voor wat betreft de einddatum van de franchiseovereenkomst aangesloten dient te worden bij de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst’, zodat de franchiseovereenkomst pas op 10 juli 2026 kan eindigen35.. Dit standpunt zou volgens franchisenemer door franchisegever niet zijn weersproken36.. De PI voegt daar onder 19 nog aan toe dat gelet op het partijdebat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat het de rechter niet vrijstaat om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit het in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd.
5.26
Deze klacht lijkt mij tevergeefs voorgesteld. Over de einddatum van de franchise- en onderhuurovereenkomst heeft de kantonrechter in rov. 4.38 en 4.39 geoordeeld dat er sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van art. 6:215 BW. Nu franchisenemer het gehuurde niet kan gebruiken zonder de franchiseovereenkomst vanwege het gebruiksexclusiviteitsbeding, is de huurovereenkomst afhankelijk van de franchiseovereenkomst en overheerst het franchise-element. Dat betekent volgens de kantonrechter dat de franchiseovereenkomst op de opgezegde datum eindigt en de huurovereenkomst ‘zonder franchise’ doorloopt tot 10 juli 2026.
5.27
In hoger beroep heeft franchisenemer bij grief 4 aangevoerd dat ‘het logisch zou zijn om de franchiseovereenkomst qua einddatum gelijk te trekken met de einddatum van de onderhuurovereenkomst.’ Dit is volgens franchisenemer ook altijd de bedoeling van partijen geweest, hetgeen onder meer blijkt uit art. 10.1 van de franchiseovereenkomst waarin is bepaald dat de franchiseovereenkomst eindigt ‘overeenkomstig einddatum huurperiode huidige locatie’. De franchiseovereenkomst kan dus op zijn vroegst pas eindigen op 10 juli 2026 in de optiek van franchisenemer37..
5.28
Franchisegever heeft daar bij de toelichting op haar incidentele grief 7 tegenin gebracht dat in verband met de samenhang tussen de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst en de omstandigheid dat franchisenemer in het gehuurde toch niets anders mag doen dan het exploiteren van een Leen Bakker-vestiging, de onderhuurovereenkomst op grond van art. 6:248 BW en/of art. 6:258 BW ook kan worden beëindigd op de einddatum van de franchiseovereenkomst38..
5.29
Het hof is in rov. 6.19 meegegaan met dit standpunt van franchisegever, zodat de klacht in de PI onder 18 en 19, die er in wezen op neerkomt dat het hof buiten de grenzen van het rechtsstrijd is getreden, faalt.
5.30
Onder 20 vervolgt de PI dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het berust op een cirkelredenering: de partijbedoeling om het einde van de franchiseovereenkomst aan het einde van de huurovereenkomst te koppelen moet worden genegeerd, omdat de franchiseovereenkomst eindigt op 31 juli 2023. Mede gezien het partijdebat valt volgens de klacht zonder nadere motivering niet te begrijpen waarom de franchiseovereenkomst eerder zou eindigen dan op 10 juli 2026. Gelet op de onweersproken stelling van franchisenemer dat partijen in art. 10.1 van de franchiseovereenkomst het tegendeel zijn overeengekomen, aldus nog steeds de klacht, had het hof in elk geval moeten beslissen dat franchisegever de franchiseovereenkomst niet rechtsgeldig per 31 juli 2023 heeft beëindigd.
5.31
Ook deze klacht lijkt mij niet op te kunnen gaan. Hof heeft zich aangesloten bij standpunt van franchisegever en niet bij de uitleg van art. 10.1 van de franchiseovereenkomst die franchisenemer voorstaat. Dit is niet onbegrijpelijk gelet op de tekst van art. 10.1:
‘10.1 Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode ingaande op 01 januari 1995 en eindigende op 31 juli 2003, overeenkomstig einddatum huurperiode huidige locatie. De overeenkomst wordt vervolgens telkens met een tijdvak van vijf jaar verlengd, tenzij opzegging heeft plaatsgevonden.’
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat uit deze bepaling niet volgt, zoals franchisenemer betoogt, dat partijen zijn overeengekomen dat de einddatum van de franchiseovereenkomst altijd, ook na verlengingen, zal aansluiten bij de einddatum van de onderhuurovereenkomst. Er lijkt mij dan ook geen sprake van een cirkelredenering en ook anderszins is dit oordeel goed te volgen.
5.32
Onderdeel 2 lijkt mij hierop af te ketsen.
De proceskosten
5.33
Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 6.31 en het dictum.
5.34
In rov. 6.31 heeft het hof geoordeeld dat zowel in het principaal als het incidenteel hoger beroep partijen deels in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, zodat aanleiding bestaat om de proceskosten in appel (in de hoofdzaak en het incident) te compenseren. Over de proceskosten in eerste aanleg is geoordeeld dat franchisenemer terecht in de proceskosten is veroordeeld (zowel in conventie als in reconventie), nu het vonnis grotendeels in stand blijft. Vervolgens heeft het hof aangegeven dat het wel het vonnis om proceseconomische redenen zal vernietigen. In het dictum heeft het hof: in 7.1 het vonnis in eerste aanleg vernietigd; in 7.2 in conventie voor recht verklaard dat franchisegever gehouden is tot betaling van een (schade)vergoeding; in 7.3 franchisegever veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding; in 7.4 voor het overige het vonnis bekrachtigd en in onder 7.5 het meer of anders gevorderde afgewezen.
5.35
In de PI onder 21 klaagt franchisenemer dat het rechtens onmogelijk is om in 7.4 het vonnis dat het hof eerder in 7.1 heeft vernietigd ‘voor het overige’ te bekrachtigen. Ook is niet duidelijk waarom in 7.5 het meer of anders gevorderde zou moeten worden afgewezen. Mogelijk heeft het hof met de bekrachtiging voor het overige in 7.4 het oog gehad op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie, maar dan nog blijft staan dat die veroordeling er wegens de vernietiging in 7.1 niet meer is. Dit dictum is dan ook onjuist of is vanwege deze tegenstrijdigheden onbegrijpelijk.
5.36
Het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid39.. Het gaat franchisenemer alleen om het dictum ten aanzien van de vorderingen in conventie. Aan de hand van het petitum en rov. 6.31 kan het dictum ten aanzien van de vorderingen in conventie worden uitgelegd. Het hof heeft het vonnis vernietigd (in 7.1) en daarna inhoudelijke beslissingen gegeven over de subsidiaire vordering van franchisenemer over de betaling van schadevergoeding (in 7.2 en 7.3). De twee inhoudelijke beslissingen over (schade)vergoeding wijken af van het oordeel van de kantonrechter, die de subsidiaire vorderingen – net als de primaire – in 5.1. had afgewezen. Het hof bekrachtigt vervolgens ‘voor het overige’ dat vonnis in eerste aanleg (in 7.4) en daarmee doelt het hof klaarblijkelijk op de afwijzing van de andere vorderingen van franchisenemer, te weten de primaire vorderingen over de opzegging van de franchise- en huurovereenkomst, en op de proceskostenveroordeling (kennelijk refererend aan de dicta 5.2-5.4 in prima). Het is evident dat het hof met ‘voor het overige’ in ieder geval het proceskostenoordeel overneemt, nu het hof in rov. 6.31 heeft geoordeeld dat de kantonrechter franchisenemer terecht in de proceskosten in eerste aanleg heeft veroordeeld; er is dus nog steeds grond voor betaling van die proceskosten.
5.37
De afwijzing in 7.5 van het meer of anders gevorderde door franchisenemer komt niet raadselachtig voor (zie ook s.t. franchisegever 2.11.5, laatste gedachtestreepje). In hoger beroep heeft franchisenemer immers haar eis gewijzigd en daarover heeft de kantonrechter in eerste aanleg natuurlijk niet kunnen beslissen, zodat het hof zich daarover nog moest uitlaten in het dictum. Dit is ook in lijn met hetgeen het hof in rov. 6.31 heeft overwogen over de vordering die franchisenemer bij vermeerdering van eis had ingesteld, namelijk dat de vordering van haar tot veroordeling van tot terugbetaling van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vonnis aan franchisegever heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, niet toewijsbaar is. Daarop stuiten deze cassatieklachten dan ook af.
5.38
In de PI onder 22 klaagt franchisenemer vervolgens dat de passage in rov. 6.31 dat de kantonrechter franchisenemer terecht heeft veroordeeld in de kosten van eerste aanleg in conventie en reconventie ‘nu het vonnis grotendeels in stand blijft’, onjuist is. Art. 237 lid 1 Rv bepaalt immers dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden veroordeeld in de proceskosten. De vraag welke partij (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden beantwoord door een vergelijking van het petitum met het dictum en niet door een vergelijking van het dictum van de uitspraak in hoger beroep met het dictum in eerste aanleg. Als het hof met de passage dat ‘het vonnis grotendeels in stand blijft’ moet worden geacht franchisenemer te hebben aangemerkt als de partij die in eerste aanleg overwegend in het ongelijk is gesteld, is rov. 6.31 onbegrijpelijk. Het hof had moeten beoordelen wat de toewijzing in hoger beroep (over de toekenning van een (schade)vergoeding) in plaats van afwijzing (daarvan) in eerste aanleg betekent voor de proceskosten in eerste aanleg in conventie. Het hof had volgens de klacht moeten beslissen dat franchisenemer in conventie overwegend in het gelijk is gesteld en had franchisegever moeten veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg – althans moeten oordelen dat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk, respectievelijk ongelijk zijn gesteld en de proceskosten in eerste aanleg moeten compenseren.
5.39
Deze klacht lijkt mij te slagen. De vorderingen in eerste aanleg en in hoger beroep in de hoofdzaak zijn nagenoeg gelijk, zodat het onbegrijpelijk is waarom het hof wat betreft eerste aanleg tot het oordeel komt dat franchisenemer (overwegend) in het ongelijk is gesteld, terwijl in hoger beroep partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld. In hoger beroep waren bovendien nog incidentele vorderingen door franchisenemer ingesteld, die het hof bij tussenarrest van 26 april 2022 heeft afgewezen40..
5.40
Volgens mij kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door ook de proceskosten in eerste aanleg (in conventie en reconventie) te compenseren.
5.41
Nu de zo-even besproken klacht slaagt, geldt dat ook voor de voortbouwende klacht in de PI onder 23 dat de voortbouwende beslissingen in rov. 6.31 en 7.5 van het dictum onjuist zijn dat de vordering van franchisenemer tot veroordeling van franchisegever tot terugbetaling, met rente, van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vernietigde vonnis aan franchisegever heeft betaald, niet toewijsbaar is. Als een vonnis in een hogere instantie wordt vernietigd, dan ontstaat een vordering uit onverschuldigde betaling ex art. 6:203 BW. Al hetgeen op grond van dat vonnis is betaald, kan worden teruggevorderd41.. Daarnaast is wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip dat aan franchisegever is betaald42..
6. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
6.1
Het incidenteel cassatiemiddel bevat twee onderdelen en een voortbouwklacht. Onderdeel 1 betreft een onvoorwaardelijke klacht over het verband tussen de gehanteerde opzegtermijn en de schadevergoedingsveroordeling en onderdeel 2 behelst een voorwaardelijke klacht over de innerlijke consistentie tussen rov. 6.11 en rov. 6.15.
6.2
Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat de opzegging van de franchiseovereenkomst zonder de opzegging te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft overwogen dat dit niet anders wordt doordat franchisegever een opzegtermijn van 36 maanden in acht heeft genomen – bijna twee jaar langer dan de opzegtermijn die contractueel was overeengekomen. Uit de opzegging van 28 juli 2020 blijkt namelijk dat ook franchisegever meent dat de franchiseovereenkomst eerst opzegbaar was tegen 1 augustus 2023. Dat [de B.V.] nu 23 maanden eerder van de opzegging op de hoogte was dan zij op grond van de voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest, is volgens het hof geen compensatie voor franchisenemer.
6.3
Franchisenemer klaagt dat dit onjuist of ontoereikend gemotiveerd is. Bij de beoordeling of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een overeenkomst is opgezegd zonder aanbod tot (schade)vergoeding, zijn alle relevante omstandigheden van het geval van belang43.. Een relevante omstandigheid is ook de lengte van de gehanteerde opzegtermijn, en – in het verlengde daarvan – dat een langere opzegtermijn is gehanteerd dan is overeengekomen. Immers: hoe langer de opzegtermijn, hoe minder snel er grond zal bestaan voor (schade)vergoeding44.. Dat geldt ook als de lengte van de gehanteerde opzegtermijn lang is – hier langer dan is overeengekomen – maar dat geen gevolgen heeft voor de datum waartegen wordt opgezegd. Dat laatste neemt immers niet weg dat er een lange(re) opzegtermijn is gehanteerd. Door die lange(re) opzegtermijn is de franchisenemer er vroegtijdig, en eerder dan op grond van de overeenkomst vereist was, van op de hoogte geraakt dat de overeenkomst tegen een bepaalde datum wordt opgezegd45., waardoor hij langer de mogelijkheid heeft gehad om zijn bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie. Dat is van belang bij de beoordeling of de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat toch óók een (schade)vergoeding moet worden betaald (en zo ja: hoeveel)46.. Het hof heeft dit miskend door bij de beoordeling of de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat een vergoeding moet worden betaald, niet van belang te achten dat er een lange(re) opzegtermijn is gehanteerd, nu die lange(re) opzegtermijn niet heeft geresulteerd in een latere datum waartegen wordt opgezegd. Heeft het hof dat niet miskend, dan heeft het hof zijn oordeel waarom in dit geval de langere in acht genomen opzegtermijn (23 maanden extra) geen compensatie vormt, c.q. niet maakt dat de opzegging zonder aanbod tot (schade)vergoeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
6.4
Hoewel de hier aangevallen motivering mogelijk scherper had gekund, zie ik geen ruimte voor cassatie op dit punt om de volgende redenen.
6.5
Voor zover franchisegever ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de lengte van de opzegtermijn niet van belang is bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding, lijkt mij dat geen juiste lezing van het arrest. In rov. 6.15 is alleen geoordeeld òf de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat schadevergoeding moet worden betaald. Er wordt niet(s) geoordeeld over de hoogte daarvan.
6.6
Het hof heeft in rov. 6.12-6.15 een aantal omstandigheden gewogen of termen aanwezig zijn tot toekenning van een (schade)vergoeding aan franchisenemer hier bij opzegging. Het hof heeft gelet op de jarenlange relatie tussen partijen, de verwachtingen bij franchisenemer tot het moment van de mededeling op 15 juli 2020 dat de franchiseovereenkomst niet zou worden beëindigd, de investeringen die franchisenemer heeft gedaan die nog niet (geheel) zijn afgeschreven, dat franchisenemer geen verwijt kan worden gemaakt van de opzegging en de afhankelijke relatie van franchisenemer. Geoordeeld is dat franchisegever zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de in het geding zijnde belangen van franchisenemer, terwijl de opzegging geheel is gebaseerd op de eigen strategische keuze van franchisegever en de wens om hetgeen zij misloopt bij de voortzetting van de franchiseformule als extra omzet toe te voegen aan haar eigen onderneming. Dat maakt dat het hof termen ziet voor toekenning van een (schade)vergoeding en daar doet volgens het hof de omstandigheid dat franchisenemer eerder dan contractueel overeengekomen op de hoogte was van de opzegging niet (voldoende) aan af. Dat biedt volgens het hofoordeel geen toereikende compensatie: in deze omstandigheden van het geval heeft de opgezegde franchisenemer ondanks dat zij eerder op de hoogte was van de opzegging (niettemin ook) aanspraak op schadevergoeding.
6.7
De klacht ziet op het verband tussen een in acht genomen (ruimere dan contractueel voorziene, redelijke) opzegtermijnvraag en de mate van (additionele) schadevergoeding. Schelhaas bepleit dat er bij regelmatige opzegging met een redelijke opzegtermijn in beginsel geen ruimte zou moeten zijn voor additionele schadevergoeding. Er wordt al toereikend rekening gehouden met de belangen van de opgezegde partij door het in acht nemen van een redelijke opzegtermijn, ook al heeft de opzegging nadelige consequenties47.. Uit het al wat oudere arrest Mattel/Borka volgt weliswaar dat ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat niettemin termen bestaan voor (additionele) schadevergoeding48.. Van omstandigheden die maken dat naast een redelijke opzegtermijn een schadevergoedingsverplichting bestaat kan volgens Schelhaas echter niet snel sprake zijn en met name moet worden gedacht aan een beperkte vergoeding voor extra kosten die het gevolg zijn van de opzegging zelf, zoals onderhandelings- of administratiekosten, of investeringen die juist met het oog op dit contract zijn verricht en nog niet zijn terugverdiend49.. Houben betoogt dat de opzegging in zijn geheel moet worden beschouwd en dat het vereiste van een zwaarwegende grond, de lengte van de opzegtermijn of de hoogte van de aangeboden compensatie niet geïsoleerd getoetst moeten worden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar juist in samenhang met elkaar50.. Dat laatste onderschrijf ik graag. Resumerend lijkt mij dat er (al dan niet beperkte) ruimte kan zijn voor schadevergoeding, ook als een redelijke opzegtermijn is gehanteerd.
6.8
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de lengte van de opzegtermijn in de omstandigheden van dit geval niet maakt dat er geen schadevergoedingsverplichting bestaat. Of deze qua omvang beperkter moet worden geacht dan wanneer de contractuele opzegtermijn zou zijn gehanteerd, zal voorwerp van debat (kunnen) zijn in de schadestaatprocedure. Van belang hierbij is onder meer wat in rov. 6.13.3-6.13.5 is overwogen over de overname van de aandelen in de onderneming, de investering in een nieuw filiaal in [plaats] , dat er door franchisegever niet is besproken dat er een opzegging in de lucht hing, het handelen van franchisenemer dat was afgestemd op de verwachting dat niet binnen afzienbare tijd zou worden opgezegd, zoals het aangaan in 2016 van een onderhuurovereenkomst en de daarmee gepaard gaande financiële investeringen. De hier door het hof gemaakte afweging dat ondanks de ruime opzegtermijn aanspraak bestaat op aanvullende schadevergoeding voor franchisenemer, is in hoge mate feitelijk is en in cassatie maar beperkt toetsbaar en de figuur van additionele schadevergoeding ook al is een (meer dan) redelijke opzegtermijn in acht genomen, is geen onbekende in ons recht. De door Houben bepleite niet-geïsoleerde beschouwing geniet de voorkeur, het zijn communicerende vaten. Dus hoewel de klacht een punt heeft in die zin dat de franchisenemer doordat zij eerder op de hoogte was van de opzegging langer de mogelijkheid heeft gehad om haar bedrijfsvoering aan te passen is het niet onjuist dat het hof heeft geoordeeld dat het eerder op de hoogte zijn van de opzegging geen compensatie betreft voor de franchisenemer. De datum waartegen werd opgezegd was immers niet later dan contractueel overeengekomen, zodat niet kan worden gezegd dat de langere opzegtermijn heeft geleid tot extra tijd voor de franchisenemer om de investeringen genoemd in rov. 6.13.3-6.13.5 terug te verdienen. Dit lijkt mij typisch materie die voldoende aan bod kan komen in de schadestaatprocedure, waar naar is verwezen. Van ontoereikende motivering lijkt mij ook geen sprake. Door de uitvoerige afweging van de belangen, waaronder die genoemd in rov. 6.13.3-6.13.5, die gedane investeringen betreffen met het oog op voortzetting van de overeenkomst en dus in dit geval zwaarwegend zijn, heeft het hof voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang hier dat plaats is voor schadevergoeding naast een ruime opzegtermijn. Dat sluit als gezegd (bepaald) niet uit dat de lengte van de opzegtermijn in de schadestaatprocedure vervolgens van invloed kan zijn op de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding.
6.9
Het onvoorwaardelijke incidentele middel 1 zie ik zodoende geen doel treffen.
6.10
Franchisegever voert als onderdeel 2 een klacht aan onder de voorwaarde dat enige klacht van onderdeel 1 in principaal cassatieberoep slaagt. Aan deze voorwaarde is in mijn ogen niet voldaan.
6.11
Ten overvloede: de betreffende incidentele klacht is het spiegelbeeld van subonderdeel 1.iii van het principaal cassatieberoep en struikelt ook over de dubbele ‘onaanvaardbaar’ uit rov. 6.15, maar ziet een spiegelbeeldige innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 6.11 en 6.15: het kan niet zo zijn dat tegelijkertijd rechtsgeldig is opgezegd (rov. 6.11), maar toch is tekortgeschoten door op te zeggen zonder aanbod tot een (schade)vergoeding. Zoals hiervoor in 5.19 onder verwijzing naar 4.6 is besproken, is hier van onverenigbaarheid of innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake, zodat de klacht inhoudelijk tevergeefs is voorgesteld.
6.12
De louter voortbouwende klacht van onderdeel 3 dat bij gegrondbevinding van enige (voorwaardelijk) incidentele klacht ook de voortbouwende oordelen in rov. 6.15, 6.31 en het dictum niet in stand kunnen blijven, behoeft geen afzonderlijke bespreking.
6.13
Ik kom tot de conclusie dat het incidenteel cassatiemiddel niet tot cassatie kan leiden.
7. Conclusie
7.1
Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot afdoening als hiervoor onder 5.40 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑05‑2024
Samengevat inhoudende: (i) voor de 4 franchisenemers zijn werkzaamheden nodig die niet nodig zijn voor de eigen winkels, (ii) afspraken over online-verkopen (een kwart van de omzet in 2021) zijn lastig te maken met franchisenemers en dat geldt ook voor (iii) de marketingmix, (iv) de zakelijke markt en (v) de eenheid naar buiten toe. Verder (vi) bestaat zijdens franchisegever de wens zo min mogelijk uitzonderingen te hoeven maken op een nieuw in te voeren ICT- en ERP-systeem en (vii) levert de Wet franchise een lastenverzwaring voor franchisegever op bij handhaving van de franchiseformule, terwijl (viii) zelfexploitatie i.p.v. franchise meer inkomsten genereert (zie in deze zin ook s.t. franchisegever 1.7).
Zie daarover o.m. W.L. Valk, Opzegging van duurovereenkomsten na Gemeente/SNU en Stedin, NTBR 2012/25 n.a.v. de nieuwe lijn van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd met ingang van het in het in deze bijdrage bedoelde arrest: HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, JG 2012/4 m.nt. J.J. van der Gouw, JIN 2012/12 m.nt. N.J. Meuwese, JOR 2012/240, m.nt. A.J. Verdaas, AB 2012/85 m.nt. F.J. van Ommeren, Gst. 2012/49 m.nt. A.J. van Poortvliet, TBR 2012/58 m.nt. J.E. Brink - van der Meer en A.J. van der Vegt, NJ 2012/685 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (De Ronde Venen/Stedin). Vgl. ook J.M. Barendrecht, G.R.B. van Peursem, Distributieovereenkomsten, 1997, nr. 214 (verandering van distributiebeleid).
De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Den Bosch 28 februari 2023, rov. 6.1.1-6.1.17. zie ook de uitspraak in eerste aanleg: Rb. Zeeland-West-Brabant 29 december 2021, rov. 2.1. Zie voor een beknopte weergave het tussenarrest: Hof Den Bosch 26 april 2022, rov, 3.1.
Mijn recente conclusie van 19 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:441, bevat in 3.3-3.7 deels overeenkomstige inleidende opmerkingen over duurovereenkomsten. In die in die zaak staan andere aspecten centraal dan in de onderhavige zaak.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/89; vgl. ook Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon BW nr. A5) 2017/4.26, die een duurovereenkomst omschrijft als een overeenkomst waar voortdurende of telkens terugkerende rechten en verplichtingen uit voortvloeien.
Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/194 met verdere verwijzingen.
Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/214, met de aantekening van Houben dat ‘(h)ierbij (…) de vraag (kan) worden gesteld of in sommige gevallen, met name indien franchisenemers later ‘toetreden tot’ standaardcontracten, de meer objectieve variant van de Haviltexnorm zou dienen te worden toegepast.’
Een duurovereenkomst voor bepaalde tijd is in beginsel niet opzegbaar, tenzij anders is overeengekomen of de wet anders bepaalt, met als uitzondering het geval van onvoorziene omstandigheden volgens art. 6:258 BW, zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/408 onder verwijzing naar HR 21 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0483, NJ 1990/439 (Mondia/Calanda), HR 10 augustus 1994 ECLI:NL:HR:1994:ZC1428 (…] / [….), NJ 1994/688 en HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2769, NJ 1999/132 ( /Kluwer).
Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is, ook als wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging, in beginsel opzegbaar, zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/408, met verwijzing naar het al aangehaalde arrest De Ronde Venen/Stedin.
A. van der Kruk en M.E.A. Möhring, GS Verbintenissenrecht, art. 6:248 BW, aant. 5.5.1.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/408 met verwijzing naar HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, JIN 2013/137 m.nt. J.L. Naves, NJ 2013/341 (Auping/Beverslaap), rov. 3.6 (waarin wordt verwezen door de Hoge Raad naar De Ronde Venen/Stedin, al aangehaald) en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, JOR 2016/294 m.nt. P.G.M. Brouwer, PJ 2016/101 m.nt. E. Lutjens, NJ 2016/450 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent), rov. 4.4.2, onder verwijzing naar opnieuw De Ronde Venen/Stedin, Auping/Beverslaap en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, AB 2016/229 m.nt. A.H.J. Hofman, BR 2016/84 m.nt. M. Hendriks, JOR 2016/189 m.nt. J.M. Blanco Fernández, NJ 2016/236 (Gooisch Natuurreservaat/Amsterdam of: Amsterdam/Provincie c.s.), rov. 4.4. Zie ook Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/219.
Zie rov. 3.6.2 uit De Ronde Venen/Stedin, al aangehaald: “Zij hebben niet aangevoerd bepaalde investeringen te hebben gedaan die nog moeten worden terugverdiend, of in hun bedrijfsvoering geen rekening te hebben gehouden, en te hebben kunnen houden, met eventuele omvangrijke kosten van verlegging in de toekomst, of anderszins tijd of kosten kwijt te zijn met de omschakeling naar de nieuwe situatie die door de opzegging ontstaat.” Zie ook Auping/Beverslaap, al aangehaald: van belang is dat Beverslaap en de aan haar gelieerde e-Bedding B.V. voor een groot deel afhankelijk waren van de omzet in Auping-producten en dat Beverslaap en Auping ten tijde van de opzegging al 8,5 jaar zaken met elkaar hadden gedaan. Zie hierover N.H. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26. vgl. ook: Asser/Houben 7-X 2019/128 en de NJ-noot van Tjong Tjin Tai onder 3 onder De Ronde Venen/Stedin, al aangehaald.
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98, JIN 2018/57, m.nt. R.A.G de Vaan, JOR 2018/140, m.nt. G.J.M. Verburg (Goglio/SMQ), 3.6.4 onder verwijzing naar rov. 4.4.2 van Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, al aangehaald. Zie ook Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/219, waarin Houben dit zo verwoordt: ‘Onder omstandigheden kan dus op een contractuele opzeggingsbepaling in een franchiseovereenkomst geen beroep worden gedaan (art. 6:248 lid 2 BW). De daardoor ontstane leemte kan onder omstandigheden worden aangevuld (art. 6:248 lid 1 BW) met vereisten tot inachtneming van een (langere) opzegtermijn of het aanbieden van een vergoeding. Zie conclusie van A-G van Peursem, ECLI:NL:PHR:2022:679, met name 3.24-3.26 bij HR 11 november 2022, RvdW 2022/1057 [ECLI:NL:HR:2022:1610 (Spits c.s./Inpak Apotheek Tiel) A-G] (art. 81 RO).’
Mogelijk is hier ook de lezing dat het beroep van franchisenemer op het niet vervuld zijn van de opzeggingsgrond – in redelijkheid kan niet gevergd worden dat franchisegever de overeenkomst voortzet – wordt afgewezen.
Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van regels omtrent de franchiseovereenkomst, in werking getreden per 1 januari 2021, Stb. 2020, 493. Volgens de hoofdregel van art. 68a Ow NBW heeft de wet onmiddellijke werking, met uitzondering van (zie art. 209 Ow NBW) van art. 7:920 en art. 7:921 BW, die per 1 januari 2023 van toepassing zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35392, 3 (MvT), p. 50-51). De Wet franchise is van dwingend recht, art. 7:922 BW, zie Kamerstukken II 2019/20, 35393, 3 (MvT), p. 51 en Asser/Houben & Van Schaick 2023/184.
De Wet franchise bevat naast de besproken definities in art. 7:911 BW verder bepalingen over zorgplichten, goed franchisegever en goed franchisenemer (art. 7:912 BW), informatieplichten in de precontractuele fase met een stand-still periode van vier weken (art. 7:913-914 BW), onderzoeksplicht van de beoogd franchisenemer (art. 7:915 BW) en informatieplichten van de franchisegever gedurende de looptijd van het contract (art. 7:916 BW), alsmede de wijze waarop informatie moet worden verstrekt (art. 7:917 BW) en na een delegatiebepaling (art. 7:918 BW) in art. 7:919 BW een regeling over bijstand en ondersteuning door franchisegever en een bepaling over instemmingsrecht van de franchisenemer bij overschrijding van drempelwaarden in art. 7:921 BW, welke laatste bepaling ook pas per 1 januari 2023 in werking is getreden.
Zie daarover Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/220-225.
Art. 7:920 lid 1 sub b BW bepaalt dat de franchiseovereenkomst in ieder geval moet bepalen hoe goodwill (een niet in Titel 7.16 BW gedefinieerd begrip, zie daarover Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/220 met verdere verwijzingen) die redelijkerwijs is toe te rekenen aan de franchisenemer bij beëindiging aan de franchisenemer wordt vergoed als de franchisegever de onderneming van de franchisenemer overneemt om die zelfstandig voort te zetten. Volgens Houben t.a.p. is vergoeding van goodwill bij beëindiging van de franchiseovereenkomst overigens ‘zeker niet vanzelfsprekend’, bijv. omdat goodwill kan zijn toe te rekenen aan de reputatie van de franchiseformule i.p.v. aan franchisenemers. Het lijkt mij een discussie die thuishoort in de schadestaatprocedure; we hebben gezien dat er zijdens franchisegever een aanbod is gedaan tot vergoeding van goodwill, dat door franchisenemer niet is geaccepteerd. Houben tekent aan dat er nog weinig rechtspraak over deze kwestie is.
Art. 7:920 lid 2 BW stelt sinds 1 januari 2023 dwingendrechtelijke vereisten aan een geldig postcontractueel non-concurrentiebeding, zie Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/222. Deze zijn ook van toepassing geworden op lopende overeenkomsten per die datum. Een beding dat niet tijdig is aangepast aan deze vereisten is nietig (art. 7:922 BW) en Houben acht voorstelbaar dat hier geen conversie mogelijk is naar een wel geldig non-concurrentiebeding.
De PI verwijst onder 4 naar MvG 11.
Onder verwijzing naar MvA/MvG 3.24.
In de PI staat per abuis (iii).
Onder verwijzing naar MvG 12, 15-16, 58-59 en 65, plta 6 en HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706, NJ 1995/437, AA 1997/0513, m.nt. J.M. van Dunné (…] / [….), een al weer wat oudere uitspraak over iets heel anders (ingebruikgeving om niet voor onbepaalde tijd van opstallen en grond) en met andere rechtsvragen.
W.L. Valk, Opzegging van duurovereenkomsten na Gemeente/SNU en Stedin, NTBR 2012/25, onder 6; Asser/Houben 7-X 2019/130.
Zie in vergelijkbare zin N.H. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26, waar Schelhaas hetzelfde betoogt ten aanzien van de consequenties van een te vroege opzegging. In gelijke zin s.t. franchisegever 2.2.7.
Franchisegever verwoordt dat bij s.t. 2.2.5 zo: ‘Er is dus een verschil tussen het geval waarin opzegging als zodanig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en het geval waarin (dat niet het geval is, maar) het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat wordt opgezegd zonder aanbod tot (schade)vergoeding.’
W.L. Valk, NTBR 2012/25, t.a.p.
Inl. dgvd. 41-73; MvG 8-102 waarin grief 1 en 2 worden toegelicht. In de kern betoogt franchisenemer in appel dat niet is voldaan aan de vereisten voor opzegging in art. 10.3 (grief 1). Als daar wel aan zou zijn voldaan, is de opzegging onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (grief 2, zie punt 64).
Inl. dgvd. 74-93; MvG 97-101 waarin franchisenemer betoogt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de opzegging gepaard had moeten gaan met het aanbod om schadevergoeding te betalen.
Onder verwijzing naar MvG 112; CvA in reconventie 79.
Onder verwijzing naar MvA/MvG 3.125-3.130.
MvG 112.
MvA/MvG 4.55.
Vaste rechtspraak: HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, NJ 2022/219, rov. 4.1.2, onder verwijzing naar HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369, RvdW 2016/369, rov. 3.4 met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
Het tussenarrest van 26 april 2022 in het dictum. De beslissing over de proceskosten heeft het hof tot de einduitspraak in de hoofdzaak aangehouden.
Dit volgt uit: HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPR 2018/47, m.nt. I.M.A. Lintel, JIN 2018/116, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.M. Kuipers.
HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5863, NJ 2000/603, m.nt. H.J. Snijders.
Onder verwijzing naar het arrest Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, al aangehaald, rov. 4.4.2 (slotalinea) en 4.4.3 (eerste volzin).
Onder verwijzing naar CvA 3.27; plta van 24 september 2021 4.6.
Onder verwijzing naar CvA 2.65, 3.15, 3.28; zittingsaantekeningen van 24 september 2021, p. 9; p-v van de mondelinge behandeling van 17 november 2022, p. 18; plta 17 november 2022 4.1.
Onder verwijzing naar het vonnis van 29 december 2021, rov. 4.31-4.32 en verder CvA 3.45, 3.49; plta van 24 september 2021 4.9.
N.H. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26, onder verwijzing naar (thans zal zijn bedoeld:) Asser/Houben 7-X 2019/130 (verwezen wordt in de monografie van Schelhaas uit 2017 naar Asser/Houben 7-X nr. 132).
HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291, NJ 1991/742, m.nt. P.A. Stein.
N.H. Schelhaas, t.a.p.
Beroepschrift 30‑06‑2023
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiseres tot cassatie is [de B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats]. Ze wordt hierna [de B.V.] genoemd.
[de B.V.] kiest in deze zaak woonplaats te (5038 BA) Tilburg, aan de Willem II Straat 29a (Postbus 246, 5000 AE Tilburg), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. A.C. van Schaick, die te dezen wordt gesteld;
Verweerster in cassatie is Leen Bakker Nederland B.V., gevestigd te Raamsdonksveer. Ze wordt hierna Leen Bakker genoemd.
Leen Bakker heeft in deze zaak domicilie gekozen te (5611 ZT) Eindhoven, aan het Kennedyplein 201, ten kantore van haar advocaten in feitelijke instanties mrs. M. Goorts en W.J.G. Maas.
Het cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2023, zaaknummer 200.306.284/01, gewezen tussen [de B.V.] als appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel appel, en Leen Bakker als geïntimeerde, tevens incidenteel appellante.
Leen Bakker kan in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op 30 juni 2023.
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, om 10:00 uur. De behandeling vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Ten behoeve van [de B.V.] wordt tegen het arrest het hierna te formuleren middel van cassatie aangevoerd.
Inleiding
1.
De vaststaande feiten. In rov. 6.1 (6.1.1. tot en met 6.1.17) van het bestreden arrest heeft het hof opgesomd welke feiten tussen partijen vaststaan. Van die feiten kan ook in cassatie worden uitgegaan.
Voor zover nog relevant komen de vaststaande feiten neer op het volgende:
- (i)
[de B.V.] en Leen Bakker hebben met ingang van 1 september 1995 een franchiseovereenkomst gesloten,1. die sinds 31 juli 2003 telkens voor de duur van vijf jaar is verlengd.
- (ii)
Behalve [de B.V.] zijn Belfurn, Bentja en Dampie franchisenemer van Leen Bakker.
- (iii)
Art. 10.3 van de franchiseovereenkomst bepaalt:
‘De franchisegever is slechts gerechtigd de overeenkomst op te zeggen, indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren. De opzegging dient op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen te zijn omkleed.’
- (iv)
[de B.V.] heeft met Leen Bakker ook een (onder)huurovereenkomst bedrijfsruimte gesloten,2. die [de B.V.] verplicht om de bedrijfsruimte te gebruiken als een Leen Bakker-winkel. Art. 3.1 van de onderhuurovereenkomst bepaalt:
‘Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 10 (tien) jaar, ingaande op 11 juli 2016 (hierna ‘ingangsdatum’) en lopende tot en met 10 juli 2026.’
- (v)
Na onderhandelingen in de periode 2018-februari 2020 over een aanpassing van de lopende franchiseovereenkomst, heeft Leen Bakker op 15 juli 2020 meegedeeld dat ze ging stoppen met de franchise. Ze heeft de franchiseovereenkomst bij brief van 28 juli 20203. gemotiveerd opgezegd tegen 31 juli 2021. De onderhuurovereenkomst is opgezegd tegen 10 juli 2026.
- (vi)
Leen Bakker heeft op 28 juli 2020 ook de franchiseovereenkomsten met de drie andere franchisenemers opgezegd.
2.
Het procesverloop in feitelijke instanties. In eerste aanleg heeft [de B.V.] gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de opzegging van Leen Bakker geen rechtsgevolg heeft, althans dat Leen Bakker wordt veroordeeld om [de B.V.] schadeloos te stellen, vermeerderd met rente en kosten. Bij eindvonnis van 29 december 2021 heeft de kantonrechter te Breda deze vorderingen afgewezen en in reconventie, overeenkomstig de tegenvordering van Leen Bakker, voor recht verklaard dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, [de B.V.] geboden om het gebruik van de Leen Bakkerformule te staken, en haar veroordeeld om de winkelruimte te ontruimen. Volgens de kantonrechter is voldaan aan de eis dat voortzetting van de franchiseovereenkomst in redelijkheid niet van Leen Bakker kan worden gevergd. De door Leen Bakker aangevoerde redenen zouden haar strategische keuze om te stoppen met de franchiseorganisatie rechtvaardigen, en haar belang daarbij zou zwaarwegend zijn. Tot betaling van schadevergoeding is Leen Bakker volgens de kantonrechter niet gehouden. Leen Bakker zou ook een gerechtvaardigd belang hebben bij beëindiging van de huurovereenkomst, die [de B.V.] uitsluitend gelegenheid geeft tot exploitatie van een Leen Bakker-winkel. Ook in verband met deze beëindiging zou Leen Bakker geen vergoeding hoeven te betalen.
[de B.V.] heeft geappelleerd, waarna Leen Bakker incidenteel heeft geappelleerd. [de B.V.] heeft vijf grieven aangevoerd en haar eis voorwaardelijk vermeerderd, in het incidentele appel heeft Leen Bakker zeven grieven aangevoerd. Bij zijn eindarrest van 28 februari 2023 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd, maar evenals de kantonrechter voor recht verklaard dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst met [de B.V.] rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023, [de B.V.] geboden om het gebruik van de Leen Bakker-formule te staken, en Leen Bakker veroordeeld tot het vergoeden van de bij staat op te maken schade van [de B.V.]. Het hof heeft het einde van de huurovereenkomst eveneens bepaald op 31 juli 2023, [de B.V.] veroordeeld om de winkelruimte per die datum te ontruimen en [de B.V.] veroordeeld tot vergoeding van de bij staat op te maken schade van Leen Bakker doordat ze het Leen Bakker-filiaal na 31 juli 2023 heeft voortgezet.
3.
Inzet van dit cassatieberoep. [de B.V.] voert tegen het arrest van 28 februari 2023 drie klachten aan. De eerste klacht (met subklachten) bestrijdt het oordeel van het hof dat de opzegging van de franchiseovereenkomst door Leen Bakker het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. De tweede klacht heeft betrekking op de beëindiging respectievelijk het einde van de (onder)huurovereenkomst. Met haar derde klacht bestrijdt [de B.V.] de consequenties van de beslissingen van het hof voor het eindvonnis van 29 december 2021 en de daarbij uitgesproken proceskostenveroordelingen.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid tot gevolg heeft, doordat het hof in zijn hier bestreden arrest heeft overwogen en beslist als daarbij is geschied, op de in dat arrest genoemde gronden, ten onrechte, om één of meer van de volgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Klachten
Onderdeel 1: de opzegging van de franchiseovereenkomst
1.1.
In rov. 6.9 van het bestreden arrest heeft het hof het standpunt van [de B.V.] verworpen dat de vraag of Leen Bakker de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 van de franchiseovereenkomst in acht heeft genomen, moet worden beantwoord aan de hand van de opzeggingsgronden die Leen Bakker in haar opzeggingsbrief van 28 juli 2020 heeft aangevoerd. Volgens het hof wordt door dat standpunt ten onrechte een ‘verstrekkende betekenis’ aan de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 toegekend en heeft [de B.V.] onvoldoende concreet onderbouwd dat art. 10.3 in die zin moet worden uitgelegd.
Deze overweging geeft hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting hetzij is zij onbegrijpelijk gemotiveerd.
1.2.
In rov. 6.11 van het bestreden arrest heeft het hof overwogen dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, omdat met het ‘voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is voldaan aan het criterium dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst met [de B.V.] te laten voortduren’, nu ‘zij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie met [de B.V.] dat opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd is, tegen de achtergrond dat zij in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels’, waartegen ‘het belang van [de B.V.] bij voortzetting van de franchiserelatie niet op(weegt)’, zodat grief 1 van [de B.V.] faalt.
Door deze overweging heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd.
1.3.
In rov. 6.15 brengt een afweging van de belangen van [de B.V.] tegen de belangen van Leen Bakker het hof tot de slotsom dat ‘de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding4. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ is. Omdat ‘[n]iet is gebleken dat Leen Bakker op enig moment een vergoeding heeft aangeboden’, is zij volgens het hof in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst tekortgeschoten jegens [de B.V.], en kan [de B.V.] ‘op basis van deze tekortkoming’ jegens Leen Bakker aanspraak maken op ‘een zekere (schade)vergoeding.’ In de afsluitende zinnen van rov. 6.15 staat dan echter:
‘Al met al acht het hof het beroep van Leen Bakker op de opzeggingsbevoegdheid in de franchiseovereenkomst in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.’ En volgens de inleidende zin van rov. 6.17 heeft het hof in rov. 6.15 overwogen dat ‘Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig [heeft] opgezegd, zij het dat het hof de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht.’
Deze overwegingen zijn rechtens onjuist en in elk geval onbegrijpelijk.
Toelichting bij onderdeel 1
(i) De opzeggingsgronden (rov. 6.9)
4.
Beoordeelbare opzeggingsgronden. In het eindvonnis van 29 december 2021 heeft de kantonrechter geconstateerd (rov. 4.4) dat [de B.V.] terecht stelt5. ‘dat Leen Bakker in deze procedure meer argumenten noemt dan in de opzeggingsbrief van 28 juli 2020 vermeld staat’. Maar ze heeft tegelijkertijd overwogen dat ze de nieuwe argumenten van Leen Bakker in haar beoordeling van de opzegging kan betrekken ‘voor zover deze zien op omstandigheden ten tijde van de opzegging’. [de B.V.] heeft haar eerste grief tegen (onder meer) deze overweging van de kantonrechter gericht, en herhaald dat de rechtsgeldigheid van de opzegging door Leen Bakker niet (mede) kan worden beoordeeld aan de hand van opzeggingsgronden die niet in de opzeggingsbrief van 28 juli 2020 zijn genoemd.6.
In rov. 6.9 heeft het hof dit standpunt van [de B.V.] verworpen, op de grond dat onvoldoende concreet is onderbouwd dat die verstrekkende betekenis aan de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 moet worden gegeven.
5.
Onjuiste rechtsopvattingen. Aldus geeft rov. 6.9 van het bestreden arrest om verschillende redenen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De door [de B.V.] verdedigde uitleg haakt aan bij de eis van art. 10.3 dat de opzegging met redenen is omkleed. Art. 10.3 moet — uiteraard — worden uitgelegd aan de hand van de haviltex-maatstaf, waarbij het er mede om gaat of [de B.V.] in art. 10.3 heeft gelezen en mogen lezen dat Leen Bakker zich verplichtte om haar opzegging te motiveren door de feiten en omstandigheden die haar tot de opzegging hebben bewogen. Áls al kan worden gezegd dat deze uitleg van [de B.V.] ‘verstrekkend’ is (zie onder 6), betekent dat nog niet dat de haviltex-maatstaf niet zou kunnen leiden tot de conclusie dat het de juiste uitleg van art. 10.3 is. De haviltex-maatstaf vergt een onderzoek naar de gemeenschappelijke bedoeling van partijen aan de hand van art. 3:33 jo. art. 3:35 BW, in het licht van de stellingen die partijen te dier zake hebben aangevoerd. Zo'n onderzoek heeft het hof in zijn rov. 6.9 niet (kenbaar) verricht.
Als het hof dat onderzoek wel had verricht, zou het hebben geconstateerd dat Leen Bakker Westervelds uitleg van art. 10.3 weliswaar heeft bestreden, maar dat ze tegelijkertijd heeft erkend dat art. 10.3 haar opzeggingsvrijheid beperkt tot ‘omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’.7. Door zijn oordeel (rov. 6.9 i.f.) dat bij de beoordeling van de opzegging ‘[o]ok andere argumenten … mits deze gebaseerd zijn op feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging’ moeten worden meegewogen, heeft het hof dan ook art. 24 Rv miskend, doordat dit oordeel de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen overschrijdt.8. De zuiver tekstuele uitleg van het hof werd immers door Leen Bakker zelf niet verdedigd. Het hof heeft — tegen de achtergrond van de uitleg die het zelf aan art. 10.3 toekende — ook niet onderzocht of de door Leen Bakker nader aangevoerde opzeggingsgronden aan [de B.V.] bekend waren. [de B. V.]s ontkenning daarvan ligt besloten in de bezwaren die zij al in eerste aanleg tegen die nieuwe opzeggingsgronden heeft aangevoerd:9. ze zijn vaag, niet geconcretiseerd of onderbouwd, en nooit eerder uitgesproken.
6.
Een onbegrijpelijk oordeel. Als het hof al kan worden geacht binnen de grenzen van de rechtsstrijd en met toepassing van de haviltex-maatstaf tot zijn uitleg-oordeel met betrekking tot art. 10.3 van de franchiseovereenkomst te zijn gekomen, is dat oordeel onbegrijpelijk.
Ter motivering van haar uitleg van de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 heeft [de B.V.] verwezen10. naar art. 7:273 lid 1 BW, art. 7:295 lid 2 BW, en art. 7:940 lid 3 BW, die de opzegger eveneens binden aan de opzeggingsgronden in zijn opzeggingsbrief. Bij een bij die bepalingen aanhakende uitleg van de verplichting van art. 10.3 om met redenen omkleed op te zeggen, wordt de opzegger gedwongen tot zorgvuldigheid en daarmee tot oog voor de belangen van zijn wederpartij bij (i) voortzetting van de overeenkomst en (ii) een goede beoordeling van haar kansen in een procedure. In het licht daarvan is (niet alleen onjuist maar ook) onbegrijpelijk (want niet althans onvoldoende gemotiveerd) dat de uitleg van [de B.V.] ‘verstrekkend’ zou zijn. Dat is [de B.V.]s uitleg niet, althans is die uitleg niet verstrekkender dan de uitleg van Leen Bakker, laat staan met de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof, die de ratio van de verplichting om de opzegging met redenen te omkleden, geweld aandoet, doordat hij impliceert dat de opzegger zijn opzegging later naar believen kan baseren op meer en/of andere redenen dan die welke hij aanvankelijk heeft gegeven mits ze maar zijn te herleiden tot feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging, waarmee de opzegger dus de (gezien art. 7:273 lid 1 BW, art. 7:295 lid 2 BW, en art. 7:940 lid 3 BW: volgens de wetgever: legitieme) belangen van de wederpartij kan negeren althans schenden.
Met zijn enkele oordeel (rov. 6.9) dat aan art. 10.3 niet de door [de B.V.] verdedigde ‘verstrekkende betekenis’ toekomt, geeft het hof dan ook geen althans onvoldoende inzicht in zijn kennelijke gedachte dat de argumenten van [de B.V.] geen hout snijden.
De toevoeging van het hof (t.a.p.) dat [de B.V.] ‘onvoldoende concreet [heeft] onderbouwd dat een dergelijke uitleg aan artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst moet worden gegeven’, verklaart niet waarom de uitleg van [de B.V.] verstrekkend is respectievelijk verstrekkender dan de uitleg van Leen Bakker en het hof zelf, noch hoe [de B.V.] haar interpretatie op dit punt concreter had kunnen onderbouwen dan door een verwijzing naar de ratio van een opzeggingsbepaling als art.10.3. Daarbij verdient aantekening dat de door Leen Bakker verdedigde uitleg niet concreter is onderbouwd dan die van [de B.V.],11. en dat het hof zelf niet verder komt dan het (onjuiste althans onbegrijpelijke) oordeel dan dat de uitleg van [de B.V.] ‘verstrekkend’ is; een argument dat Leen Bakker zelf niet heeft aangevoerd.
7.
Slotsom met betrekking tot de opzeggingsgronden. Door in zijn beoordeling van de rechtsgeldigheid van de opzegging van Leen Bakker, de beoogde intensievere samenwerking tussen Leen Bakker en Kwantum (rov. 6.10.2), het nieuwe wettelijke instemmingsrecht van [de B.V.] (rov. 6.10.4) en de behoefte aan waarborging van een uniforme uitstraling (rov. 6.10.6) te betrekken, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel dat de opzegging van Leen Bakker het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, onbegrijpelijk gemotiveerd.
(iii) De opzeggingsmaatstaf (rov. 6.11 jo. rov. 6.15)
8.
De (niet toegepaste) maatstaf. Het hof heeft het standpunt van Leen Bakker verworpen (rov. 6.7) dat voor de rechtsgeldigheid van de opzegging volstaat dat zij een redelijke opzeggingsgrond heeft. Volgens het hof (rov. 6.8) moet de opzegging van Leen Bakker worden beoordeeld aan de hand van art. 10.3 van de franchiseovereenkomst, bepalend dat Leen Bakker ‘slechts gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen, indien van [haar] in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren.’
Het hof heeft deze maatstaf vervolgens echter uit het oog verloren, blijkens zijn overweging (rov. 6.9) dat een franchisegever als ondernemer het recht heeft om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken, welke bedrijfseconomische gronden (rov. 6.10.1) voldoende aannemelijk dienen te worden gemaakt en (rov. 6.10.1–6.10.6) in het onderhavige geval ook voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Als Leen Bakker op bedrijfseconomische gronden het strategische besluit neemt de overeenkomst op te zeggen, kan niet, althans niet zonder nadere motivering, worden gezegd dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren.
9.
Art. 10.3: een contractuele beperking van partijautonomie. Wat er ook zij van het uitgangspunt dat een franchisegever op bedrijfseconomische gronden de strategische keuze kan maken om de franchiseovereenkomst te beëindigen, diezelfde franchisegever heeft natuurlijk óók de vrijheid om zich op dat punt contractueel te beperken, bijvoorbeeld door zich er jegens zijn wederpartij op vast te leggen dat hij de overeenkomst alleen zal kunnen beëindigen als in redelijkheid niet langer van hem kan worden gevergd dat hij de overeenkomst laat voorduren. Die (vrijwillig aanvaarde) maatstaf dwingt in voorkomend geval tot een belangenafweging: in de concrete omstandigheden moet het voortzettingsbelang van de franchisenemer het duidelijk afleggen tegen het be-eindigingsbelang van de franchisegever. Een opzegging die slechts is gebaseerd op ‘een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden’ heeft dan geen rechtsgevolg. [de B.V.] heeft dat voor het hof ook nadrukkelijk aangevoerd.12.
Zie in dit verband ook HR 21 april 1995, NJ 1995/437 (Kakkenberg/Kakkenberg):
‘In het kader van zijn beoordeling van de vraag of Henk bij de opzegging van de overeenkomst een redelijke termijn in acht heeft genomen, heeft het Hof overwogen dat die termijn ‘thans’ reeds ruimschoots is verstreken, en dat daarbij ‘de door Henk voor zijn opzegging geldende resp. daarvoor door hem aangevoerde redenen in het midden (kunnen) blijven’ (rov. 16). Aldus overwegende heeft het Hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien bij de beoordeling van voormelde vraag de wederzijdse belangen van partijen moeten worden afgewogen en derhalve ook aard en gewicht van deze redenen van belang zijn, hetzij zijn oordeel onvoldoende met redenen omkleed, doordat het niet heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval deze redenen geen rol zouden spelen.’
10.
Een ontbrekende dan wel onbegrijpelijke belangenafweging. De slotsom van het hof (rov. 6.11) dat met de door Leen Bakker aangevoerde redenen, ‘in onderling verband en samenhang bezien’, is voldaan aan ‘het criterium’ van art. 10.3, dus dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst met [de B.V.] te laten voortduren, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is die slotsom onbegrijpelijk. Van een kenbare belangenafweging waaruit volgt dat de belangen van Leen Bakker (duidelijk) boven de belangen van [de B.V.] gaan, is in het bestreden arrest geen sprake. De enkele opmerking van het hof (rov. 6.11, rov. 6.15) dat het voortzettingsbelang van [de B.V.] niet tegen het beëindigingsbelang van Leen Bakker opweegt, maakt dat niet anders. Met die enkele opmerking blijft ontoelaatbaar onduidelijk waarom het belang van [de B.V.] het (duidelijk) aflegt tegen de strategische keuze van Leen Bakker om de overeenkomst te beëindigen. De facto bewijst het hof aldus slechts een lippendienst aan de belangen van [de B.V.]. Als het oordeel van het hof al niet berust op een onjuiste rechtsopvatting, beantwoordt het op dit punt in elk geval niet aan minimale motiveringseisen,13. en is het oordeel van het hof dus onbegrijpelijk.
11.
De belangen van [de B.V.] rechtvaardigen geen blote opzegging. De slotsom van het hof in rov. 6.11 is temeer onbegrijpelijk omdat het hof iets verderop in zijn bestreden arrest wel (het merendeel van14.) de zwaarwegende belangen van [de B.V.] bij voortzetting van de franchiseovereenkomst concreet benoemt (rov. 6.13.2–6.13.7), en dan oordeelt (rov. 6.15) dat de blote opzegging door Leen Bakker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat zij ‘zich onvoldoende rekenschap [heeft] gegeven van de belangen van [de B.V.]’ en haar opzegging ‘geheel’ heeft gebaseerd op haar eigen strategische keuze’, te weten haar wens om de omzet die zij onder de franchiseovereenkomst aan [de B.V.] moet laten, toe te voegen aan haar eigen onderneming.15. Het hof oordeelt daarom (rov. 6.15) dat ‘Leen Bakker in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst is tekortgeschoten jegens [de B.V.].’
De eerdere slotsom van het hof (rov. 6.11) dat is voldaan aan de eis van art. 10.3 dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren, valt niet met rov. 6.15 te verenigen. Als aan die slotsom al een juiste rechtsopvatting ten grondslag ligt, berust ze in elk geval op een onbegrijpelijke redenering. Ondanks zijn aankondiging van het tegendeel (rov. 6.8) blijkt het hof de opzegging van de franchiseovereenkomst niet werkelijk te toetsen aan de maatstaf van art. 10.3, doordat het hof de belangen van de beide partijen niet tegen elkaar afweegt, geen blijk geeft van de terughoudendheid die de maatstaf oplegt (‘slechts gerechtigd’), en door middel van een onbegrijpelijke redenering tot de conclusie komt dat de opzegging — die volgens het hof als zodanig een tekortkoming van Leen Bakker is — het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Het hof had moeten (en alleen begrijpelijk kunnen) beslissen dat die opzegging niet tot het beoogde rechtsgevolg heeft geleid omdat de strategische (namelijk louter door winstbejag ingegeven) keuze van Leen Bakker niet opweegt tegen het voortzettingsbelang van [de B.V.], zodat de opzeggingsdrempel van art. 10.3 dus niet is gehaald.
(iii) Derogerende werking, tekortkoming, schadevergoeding (rov. 6.15)
12.
Gevolgen van het onaanvaardbaarheidsoordeel van het hof. Nadat het hof in rov. 6.15 de belangen van [de B.V.] in ogenschouw heeft genomen, komt het tot de conclusie dat ‘de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding16. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ is. Omdat ‘[n]iet is gebleken dat Leen Bakker op enig moment een vergoeding heeft aangeboden’, is zij volgens het hof in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst tekortgeschoten jegens [de B.V.], die daarom jegens Leen Bakker aanspraak kan maken op ‘een zekere (schade)vergoeding.’
Gezien art. 6:248 lid 2 BW dwingen deze (juiste) overwegingen van het hof óók tot de conclusie dat de opzegging van de franchiseovereenkomst niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Leen Bakker hééft immers geen schadevergoeding aangeboden; ze heeft de overeenkomst zonder meer opgezegd — wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is — en ze is haar schadeplichtigheid blijven ontkennen.17. Het kan dan niet tegelijkertijd waar zijn — zoals het hof niettemin eveneens, rechtens onjuist althans onbegrijpelijk, overweegt (rov. 6.15, curs, toegev.) — dat ‘het beroep van Leen Bakker op de opzeggingsbevoegdheid in de franchiseovereenkomst in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ is en (rov. 6.17) dat ‘Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig [heeft] opgezegd, zij het dat het hof de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht.’ Zonder (niet aangeboden) schadevergoeding is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid door Leen Bakker immers wél naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
13.
Gevolgen van de tekortkoming van Leen Bakker. Weliswaar stelt het hof ook terecht vast (rov. 6.15) dat Leen Bakker, door de overeenkomst zonder meer op te zeggen, jegens [de B.V.] is tekortgeschoten, maar door zijn vervolgoverweging (t.a.p.) dat [de B.V.] op basis daarvan aanspraak kan maken op ‘een zekere (schade)vergoeding’, miskent het hof dat de schuldeiser autonoom beslist welke remedie hij naar aanleiding van de tekortkoming van zijn schuldenaar inzet. Ten gevolge van haar ongeoorloofde opzegging van de overeenkomst is Leen Bakker in verzuim geraakt (art. 6:83 onder c BW), zodat [de B.V.] aanspraak kon maken op (vervangende en aanvullende) schadevergoeding (art. 6:74 BW) of de overeenkomst kon ontbinden (art. 6:265 BW) in combinatie met een schadevergoedingsvordering. Maar zij kon natuurlijk evengoed aansturen op voortzetting van de overeenkomst en nakoming vorderen van de verbintenissen die ten laste van Leen Bakker uit de overeenkomst voortvloeien (art. 3:296 BW), zoals zij door middel van haar primaire vordering heeft gedaan. Het hof had deze keuze van [de B.V.] te respecteren.18. Doordat het hof dat niet heeft gedaan, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is zijn rov. 6.15 onbegrijpelijk, doordat daarin niet inzichtelijk wordt gemaakt waarom de primaire vordering van [de B.V.] niet toewijsbaar zou zijn.
Hierbij komt dat een schadevergoedingsvordering wegens de tekortkoming in de nakoming van een contractuele verbintenis, recht geeft op vergoeding van het positieve contractsbelang,19. dat wil zeggen dat [de B.V.] er recht op heeft dat Leen Bakker haar in financiële zin brengt in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming van Leen Bakker achterwege was gebleven, in dit geval dus als Leen Bakker de franchiseovereenkomst met [de B.V.] niet had opgezegd. Dat betekent dat de (subsidiair) door Leen Bakker te vergoeden schade precies het verlies moet compenseren dat [de B.V.] lijdt doordat Leen Bakker de franchiseovereenkomst niet voortzet, en dat dan over de periode waarin de overeenkomst zonder de tekortkoming van Leen Bakker zou hebben doorgelopen. Voor zover de overweging van het hof dat [de B.V.] recht heeft op ‘een zekere (schade)vergoeding’, moet worden begrepen als een beperking van haar recht op vergoeding van het positieve contractsbelang, is die overweging rechtens onjuist althans (ook voor de schadestaatrechter) onbegrijpelijk, nu nergens in het bestreden arrest — met inachtneming van de stellingen van partijen — inzichtelijk wordt gemaakt wat het hof met ‘een zekere (schade)vergoeding’ voor ogen staat, dus waarom en in hoeverre het recht van [de B.V.] op vergoeding van haar positieve contractsbelang dient te worden beperkt.
14.
Slotsom met betrekking tot derogerende werking en tekortkoming. De aangevallen overwegingen in rov. 6.15 en rov. 6.17 geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn ze onbegrijpelijk. Nadat het hof had vastgesteld dat de opzegging van de franchiseovereenkomst door Leen Bakker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en een tekortkoming is, had het hof slechts kunnen constateren dat deze opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, zodat [de B.V.] terecht heeft gevorderd dat Leen Bakker wordt veroordeeld om haar contractuele verplichtingen jegens [de B.V.] onverkort na te komen, althans om het positieve contractsbelang van [de B.V.] te vergoeden.
15.
Voortbouwklacht. Vanwege het slagen van (de subonderdelen van) onderdeel 1 ontvalt de grondslag aan de voortbouwende rov. 6.31 en voorts aan de verklaring voor recht (rov. 7.6) dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst met [de B.V.] rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 juli 2023 en dat de franchiseovereenkomst per deze datum eindigt, en aan de daarop gebaseerde geboden, veroordelingen en verklaring voor recht ten laste van [de B.V.] (rov. 7.7–7.13).
Onderdeel 2: de huurovereenkomst tussen [de B.V.] en Leen Bakker
In rov. 6.16–6.21 van het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat niet alleen de franchiseovereenkomst maar ook de (onder)huurovereenkomst tussen Leen Bakker en [de B.V.] op 31 juli 2023 eindigt, omdat het — als het om de huurovereenkomst gaat — naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [de B.V.] vasthoudt aan de einddatum van 10 juli 2026 (rov. 6.19) en (t.a.p.) uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de huurovereenkomst tussen Leen Bakker en [de B.V.], in het licht van de rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst, óók op 31 juli 2023 eindigt. Het hof heeft ook geoordeeld (rov. 6. 21) dat [de B.V.] geen belang heeft bij een bespreking van haar vierde grief, waarbij [de B.V.] heeft aangevoerd (i) dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst een gemengde overeenkomst zijn als bedoeld in art. 6:215 BW,20. (ii) dat in elk geval het oordeel van de kantonrechter dat het franchise-element overheerst onbegrijpelijk is,21. (iii) dat het de bedoeling van partijen is geweest om de einddatum van de franchiseovereenkomst gelijk te trekken met de einddatum van de huurovereenkomst22. en (iv) dat de kantonrechter ten onrechte het einde van de huurovereenkomst gelijk heeft getrokken met het einde van de franchiseovereenkomst.23.
De overwegingen van het hof dat de (onder)huurovereenkomst tussen Leen Bakker en [de B.V.] moet eindigen op het moment waarop de franchiseovereenkomst eindigt, dus op 31 juli 2023, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [de B.V.] vasthoudt aan de einddatum van de huurovereenkomst (10 juli 2026) en dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de huurovereenkomst tussen Leen Bakker en [de B.V.], in het licht van de rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst, ook op 31 juli 2023 eindigt, geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn ze onbegrijpelijk.
Toelichting bij onderdeel 2
16.
Het verband tussen huurovereenkomst en franchiseovereenkomst. De grieven 3 en 4 van [de B.V.] en grief 7 van Leen Bakker betreffen het verband tussen de huurovereenkomst en de franchiseovereenkomst. Het hof heeft dat verband aanvaard, en Leen Bakker gevolgd in haar standpunt dat beide overeenkomsten moeten eindigen op 31 juli 2023 (rov. 6.19).
17.
Voortbouwklacht. Gegeven het verband tussen huurovereenkomst en franchiseovereenkomst kan het oordeel van het hof dat de huurovereenkomst tussen Leen Bakker en [de B.V.] moet eindigen, niet in stand blijven als het oordeel van het hof met betrekking tot het einde van de franchiseovereenkomst evenmin in stand blijft.
18.
Het samenvallende einde van franchise en huur. [de B.V.] heeft haar vierde grief gericht tegen rov. 4.37–4.39 van het eindvonnis van 29 december 2021, waarin de kantonrechter (onder het kopje ‘Beëindigingsdata van de beide overeenkomsten’) heeft overwogen dat de franchise- en huurovereenkomst een gemengde overeenkomst zijn, en dat in die gemengde overeenkomst het franchise-element overheerst zodat de franchiseovereenkomst eindigt tegen de opgezegde datum, en dat de overeenkomst voor zover het gaat om het huur-element doorloopt tot de overeengekomen einddatum van 10 juli 2026.
Het hof heeft weliswaar bevestigd (rov. 6.21) dat er geen sprake is van een gemengde overeenkomst, maar tegelijkertijd overwogen (t.a.p.) dat [de B.V.] geen belang meer heeft bij de bespreking van haar vierde grief. De overweging is niet gemotiveerd.
Het hof heeft overwogen (rov. 6.19) dat het, gezien het einde van de franchiseovereenkomst op 31 juli 2023, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [de B.V.] vasthoudt aan de contractuele einddatum van de huurovereenkomst (10 juli 2026), en dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de huurovereenkomst tussen Leen Bakker en [de B.V.], in het licht van de rechtsgeldige opzegging van de franchiseovereenkomst, ook op 31 juli 2023 eindigt. Maar daarmee heeft het hof het standpunt van [de B.V.]24. genegeerd dat naar de bedoeling van partijen, onder andere blijkend uit haar art. 10.1 van de franchiseovereenkomst, ‘voor wat betreft de einddatum van de franchiseovereenkomst aangesloten dient te worden bij de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst’, zodat de franchiseovereenkomst pas op 10 juli 2026 kan eindigen. Dit standpunt van [de B.V.] is door Leen Bakker niet weersproken; zij heeft slechts de door het hof in rov. 6.21 verworpen (overeenkomstige) toepasselijkheid van art. 6:215 BW en daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen verdedigd.25.
19.
Een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op het partijdebat heeft het hof door zijn rov. 6.19 en rov. 6.21 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het heeft miskend dat het de rechter niet vrijstaat om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Leen Bakker heeft immers niet het verweer gevoerd dat redelijkheid en billijkheid vergen dat de (onbestreden) partijbedoeling dat de franchiseovereenkomst niet kan eindigen voordat de huurovereenkomst eindigt, terzijde wordt gesteld.
20.
Een onbegrijpelijk oordeel. Als het hof heeft gemeend dat het standpunt van [de B.V.] niet meer aan de orde is (rov. 6.21) omdat het hof bij zijn beoordeling van de grieven 1 en 2 al heeft beslist dat de opzegging van de franchiseovereenkomst per 31 juli 2023 het beoogde rechtsgevolg heeft, en/of omdat het hof bij zijn beoordeling van grief 3 al heeft beslist dat [de B.V.] geen belang heeft bij een voortzetting van de huurovereenkomst na 31 juli 2023, is dat onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof is (althans berust) dan (op) een cirkelredenering: de bedoeling van partijen om het einde van de franchiseovereenkomst aan het einde van de huurovereenkomst te koppelen, moet worden genegeerd omdat de franchiseovereenkomst eindigt op 31 juli 2023, zodat ook de huurovereenkomst moet eindigen op 31 juli 2023.
Mede gezien het partijdebat valt zonder nadere motivering niet te begrijpen waarom de franchiseovereenkomst eerder zou eindigen dan op 10 juli 2026. Gelet op de onweersproken stelling van [de B.V.] dat partijen in art. 10.1 van de franchiseovereenkomst het tegendeel zijn overeengekomen, had het hof (in elk geval) moeten beslissen dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst met [de B.V.] niet rechtsgeldig per 31 juli 2023 heeft beëindigd. Het hof heeft in het dictum van zijn arrest dus ten onrechte in die zin voor recht verklaard (rov. 7.6) en [de B.V.] dus ten onrechte geboden om vanaf 1 augustus 2023 de exploitatie van haar Leen Bakker-vestiging te staken en gestaakt te houden (rov. 7.7), en dus ten onrechte het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen [de B.V.] en Leen Bakker eindigt, vastgesteld op 31 juli 2023 (rov. 7.10). Van een schadevergoedingsverplichting van [de B.V.] wegens voortzetting van haar Leen Bakker-vestiging na 31 juli 2023 (rov. 7.12), kan dan ook geen sprake zijn. Het hof had hooguit kunnen beslissen — met conversie van de opzegtermijn in de opzeggingsbrief van 28 juli 2020 — dat de franchise- en huurovereenkomst eindigen op 10 juli 2026.
Onderdeel 3: slotsom en dictum
In rov. 6.31 overweegt het hof dat de kantonrechter [de B.V.] terecht heeft veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg in conventie en reconventie ‘[n]u het vonnis grotendeels in stand blijft’. De vordering van [de B.V.] tot veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling, met rente, van alles wat [de B.V.] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Leen Bakker heeft betaald, is volgens het hof niet toewijsbaar. In hoger beroep zouden partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, en de proceskosten gecompenseerd moeten worden. Het hof kondigt aan (t.a.p.) dat het bestreden vonnis om proceseconomische redenen zal worden vernietigd, wat vervolgens ook gebeurt (rov. 7.1), waarna het hof dit (vernietigde) vonnis in conventie gedeeltelijk bekrachtigt (rov. 7.4).
Rov. 6.31 en het dictum van het bestreden arrest geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn de desbetreffende overwegingen onbegrijpelijk.
Toelichting bij onderdeel 3
21.
Tegenstrijdige en onbegrijpelijke overwegingen. Het hof heeft in rov. 7.1 van het bestreden arrest — conform zijn aankondiging in rov. 6.31 — het bestreden vonnis vernietigd en in de daaropvolgende overwegingen opnieuw recht gedaan. In rov. 7.2 en 7.3 heeft het hof Leen Bakker veroordeeld om een bij staat op te maken ‘(schade-)vergoeding’26. aan [de B.V.] te betalen. In rov. 7.4 wordt dan het vonnis dat zojuist is vernietigd en er dus niet meer is, in conventie ‘voor het overige’ bekrachtigd. Dat is rechtens onmogelijk. Als het hof daardoor heeft bedoeld de afwijzing van de vorderingen van de franchisenemers in stand te laten voor zover die op iets anders zagen dan de toegewezen schadevergoeding, is het een raadsel waarom in rov. 7.5 nog het meer of anders door [de B.V.] gevorderde wordt afgewezen. Die afwijzing is wél noodzakelijk in het licht van de algehele vernietiging van het bestreden vonnis.
In rov. 6.31 heeft het hof overwogen dat ‘de kantonrechter [de B.V.] terecht in de proceskosten van eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) veroordeeld’ heeft. Als het hof met de bekrachtiging van het bestreden vonnis ‘voor het overige’ ook (of vooral) het oog heeft gehad op de proceskostenveroordeling die in eerste aanleg in conventie is uitgesproken, blijft overeind dat die proceskostenveroordeling er ten gevolge van de vernietiging van het bestreden vonnis niet meer is. Er is geen grond meer voor de betaling van die proceskosten.
Het dictum van het bestreden arrest geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het vanwege zijn tegenstrijdigheden onbegrijpelijk.
22.
De proceskostenveroordeling met betrekking tot de eerste aanleg. De overweging van het hof (rov. 6.31) dat de kantonrechter [de B.V.] terecht heeft veroordeeld in de kosten van eerste aanleg in conventie en reconventie ‘[n]u het vonnis grotendeels in stand blijft’. geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 237 lid 1 Rv bepaalt immers dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De vraag welke partij (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden beantwoord door een vergelijking van het petitum met het dictum, niet door een vergelijking van het dictum van de uitspraak in hoger beroep met het dictum van de uitspraak in eerste aanleg. Het hof heeft zijn beslissing over de proceskostenveroordeling gemotiveerd door het feit dat ‘het vonnis grotendeels in stand blijft’ (rov. 6.31). Over de vraag wie uiteindelijk in eerste aanleg (overwegend) gelijk heeft gekregen, heeft het hof echter niets overwogen. Daarmee heeft het hof een verkeerde maatstaf toegepast.
Als het hof door zijn overweging dat ‘het vonnis grotendeels in stand blijft’ (rov. 6.31), moet worden geacht [de B.V.] te hebben aangemerkt als de partij die in eerste aanleg overwegend in het ongelijk is gesteld, is rov. 6.31 onbegrijpelijk. Het bestreden arrest leert immers dat [de B.V.] (hoe dan ook) niet kan worden aangemerkt als de partij die in eerste aanleg overwegend in het ongelijk wordt gesteld. [de B.V.] heeft ter bescherming van haar rechten het initiatief tot een procedure moeten nemen, waarin in elk geval is vastgesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst zonder meer heeft opgezegd, en dat Leen Bakker door deze opzegging jegens [de B.V.] is tekortgeschoten en schadeplichtig is geworden. Daarom heeft het hof de subsidiaire vordering van [de B.V.] alsnog toegewezen. Het hof had de vraag te beantwoorden wat dit — de toewijzing in hoger beroep in plaats van de afwijzing in eerste aanleg — betekent voor de proceskosten in eerste aanleg (in conventie). Het had moeten beslissen dat [de B.V.] in conventie overwegend in het gelijk is gesteld en Leen Bakker moeten veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg (in conventie) — dus 3 x € 311, € 126 griffierecht en € 85,81 explootkosten -, althans had het hof moeten beslissen dat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk respectievelijk ongelijk zijn gesteld en de proceskosten in eerste aanleg (in conventie) moeten compenseren.
23.
De terugbetalingsvordering van [de B.V.]. De voortbouwende beslissingen van het hof (rov. 6.31 jo. rov. 7.5) dat de vordering van [de B.V.] tot veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling, met rente, van alles wat [de B.V.] ter uitvoering van het vernietigde vonnis aan Leen Bakker heeft betaald, niet toewijsbaar is, is gezien het voorgaande evenzeer rechtens onjuist. Aan die vernietiging ontleent [de B.V.] immers een vordering uit onverschuldigde betaling, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment van betaling.27.
In elk geval zijn deze beslissingen van het hof onbegrijpelijk. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom [de B.V.] ten gevolge van de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van haar subsidiaire vordering geen vordering uit onverschuldigde betaling, met rente, zou (moeten) hebben.
Gevolgen van vernietiging
24.
De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen. Als onderdeel 1 slaagt, staat vast dat de opzegging van de franchiseovereenkomst niet het door Leen Bakker beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Dat dwingt dan tot de conclusie dat de primaire vordering van [de B.V.] moet worden toegewezen en de vorderingen in reconventie van Leen Bakker moeten worden afgewezen. De Hoge Raad zou de zaak zelf in die zin kunnen afdoen, met veroordeling van Leen Bakker in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg, de procedure in hoger beroep en de procedure in cassatie en met veroordeling van Leen Bakker om aan [de B.V.] terug te betalen wat de laatste op grond van het vernietigde vonnis van 29 december 2021 heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling.
Als onderdeel 1 faalt maar onderdeel 2 slaagt, dwingt dat naar de mening van [de B.V.] tot de conclusie dat haar primaire vordering in die zin moet worden toegewezen dat zowel de franchiseovereenkomst als de huurovereenkomst voortduurt tot 10 juli 2026, onder instandhouding van de veroordeling van Leen Bakker om de bij staat op te maken schade van [de B.V.] te vergoeden, en aanpassing van de data in het vonnis in reconventie. De Hoge Raad zou ook dan de zaak zelf in die zin kunnen afdoen, met beslissing over de proceskosten, en met veroordeling van Leen Bakker om aan [de B.V.] alles terug te betalen wat de laatste op grond van het vernietigde vonnis van 29 december 2021 onverschuldigd blijkt te hebben betaald, vermeerderd met rente vanaf de dag van betaling.
Als onderdeel 3 slaagt, moet Leen Bakker alsnog worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie à € 1.144,81, althans moeten de kosten van de eerste aanleg in conventie alsnog worden gecompenseerd, steeds met veroordeling van Leen Bakker om aan [de B.V.] terug te betalen wat de laatste op grond van het vernietigde vonnis van 29 december 2021 heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van betaling.
In elk geval moet het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt, opnieuw worden vastgesteld (art. 7:295 lid 1 BW).
Conclusie
[de B.V.] concludeert op grond van het hiervoor geformuleerde middel van cassatie dat het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch moet worden vernietigd, met zodanig verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, en met veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling van al hetgeen [de B.V.] haar ingevolge het vonnis van 29 december 2021 heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele voldoening, en in de kosten van deze (en de voorgaande) procedure(s), te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en na-kosten als Leen Bakker deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest heeft betaald.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 30‑06‑2023
Inleidende dagvaarding, productie 3.
Inleidende dagvaarding, productie 4.
Inleidende dagvaarding, productie 15.
In rov. 6.15 en rov. 7.3 van het bestreden arrest staat het woord ‘schade’ tussen haakjes: ‘(schade-)vergoeding’. Daarvan gaat de suggestie uit dat de door Leen Bakker te betalen vergoeding wellicht niet als een schadevergoeding in de zin van afdeling 6.1.10 BW kan worden aangemerkt. Maar die suggestie wordt ondergraven door de verwijzing van partijen naar de schadestaatprocedure, die in beginsel alleen van toepassing is op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (HR 8 januari 2021, NJ 2021/178 (X/Gem. Eindhoven)).
Zie de conclusie van antwoord in reconventie onder 27–28 (toevoeging Kwantum), onder 33 (instemmingsrecht franchisenemers), onder 58 (truien; eigen bezorgdiensten; IT-apparatuur, klachtafwikkeling, tuinproducten, eigen advertenties, fictieve klantorders). Zie ook de spreekaantekeningen e.a., onder 31–32.
Memorie van grieven onder 11.
Memorie van antwoord in principaal appel/grieven in incidenteel appel onder 3.24.
Vgl. HR 11 juni 2021, RvdW 2021/637 (Rabobank/CIA); HR 16 juli 2021, RvdW 2021/824. Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/377.
Zie voetnoot 5.
Memorie van grieven onder 11.
Memorie van antwoord in principaal appel/grieven in incidenteel appel onder 3.24: ‘[G]een enkele (rechts)regel verlangt van Leen Bakker dat zij volledig en uitputtend moet zijn in de opzeggingsbrieven. De wettelijke bepalingen waar de Franchisenemers naar verwijzen, zijn niet van toepassing op franchisecontracten en kennen ook een andere systematiek — namelijk, een wettelijke basis die voor franchise niet bestaat.’
Memorie van grieven onder 12, onder 15, onder 16, onder 58, onder 59 en onder 65, en spreekaantekeningen onder 6. [de B.V.] heeft daarbij verwezen (memorie van grieven onder 12) naar hetgeen ze in dit verband in eerste aanleg heeft aangevoerd (eindvonnis, rov. 4.20–4.31) en (memorie van grieven onder 59) naar haar, mede uit de aard van de overeenkomst voortvloeiende, zwaarwegende belang bij voortzetting.
HR 4 juni 1993, NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis); HR 25 oktober 2002, NJ 2003/171 (Verhoeven/Lammers); HR 13 juli 2007, NJ 2007/407 (De Oorsprong/Gem. Utrecht); HR 7 februari 2014, RvdW 2014/292; HR 1 mei 2015, NJ 2015/234 (Stokke/Hauck); HR 4 december 2015, NJ 2016/16 (LMR Advocaten/LR Advocaten); HR 9 oktober 2020, NJ 2020/380; HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:661 (AFM/X).
Het hof heeft niet (kenbaar) meegewogen dat [de B.V.] ook heeft aangevoerd (memorie van grieven onder 77) dat haar directeur zich in het kader van de overname van de onderneming in privé borg heeft gesteld voor een bancair krediet van € 600.000. De overweging van het hof (rov. 6.13.7) dat [de B.V.] in financiële zin volledig afhankelijk is van de franchiseovereenkomst, heeft daarop geen betrekking: het hof verklaart die afhankelijkheid slechts door het wegvallen van inkomen.
Zie ook rov. 6.13.6: ‘De redenen voor opzegging liggen geheel binnen de sfeer van Leen Bakker en haar eigen gemaakte strategische keuze’.
Zie voetnoot 4.
Memorie van antwoord in principaal appel/grieven in incidenteel appel onder 3.115: ‘De kantonrechter oordeelde terecht dat Leen Bakker niet gehouden was om een vergoeding aan te bieden vanwege de opzegging…’.
Zie HR 24 november 1995, NJ 1996/160 (Tromp/Regency): ‘Indien wanprestatie van een contractspartij van dien aard is dat zij naar dat recht in beginsel ontbinding rechtvaardigt, heeft de partij jegens wie deze wanprestatie is gepleegd, de keuze tussen de hem, mede als gevolg van die wanprestatie ten dienste staande bevoegdheden…’
Zie bijvoorbeeld HR 8 juli 2011, NJ 2012/684 (G4/Hanzevast).
Memorie van grieven onder 108.
Memorie van grieven onder 110.
Memorie van grieven onder 112.
Memorie van grieven onder 113.
Memorie van grieven onder 112. Zie ook reeds conclusie van antwoord in reconventie onder 79.
Memorie van antwoord in principaal appel/grieven in incidenteel appel onder 3.125–3.130.
Zie voetnoot 4.
HR 19 mei 2000, NJ 2000/603 (W./Staat).