Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.3
2.3 Effecten
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS370256:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens heeft Kerstetter niet onderzocht in hoeveel procent van de gevallen deze klachten terecht zijn ingediend.
Eshuis (2009) heeft in Nederland geen samenhang gevonden tussen de ervaren procedurele rechtvaardigheid bij de civiele procedure in eerste aanleg en de naleving van de uitkomst (uitspraak of schikking). Dit kan volgens hem verklaard worden door het feit dat er binnen Nederland geen sprake is van een keuzevrijheid om wel of niet na te leven. Naleving kan immers, als dat nodig is, worden afgedwongen via een beslag.
In de vorige paragraaf heb ik de vragenlijst beschreven waarmee in dit onderzoek de door partijen ervaren rechtvaardigheid tijdens de zitting wordt gemeten. Maar wat is het belang daarvan? Waarom is het interessant te weten hoe rechtvaardig een procedure is in de ogen van de procesdeelnemers? Deze vraag beantwoord ik in deze paragraaf. Ik beschrijf wat de effecten zijn als een procesdeelnemer een procedure rechtvaardig vindt.
Zoals ik in paragraaf 2.1.4 reeds aangaf, is bij het onderzoek dat binnen de wetenschap naar (de effecten van) procedurele rechtvaardigheid is gedaan, vaak geen onderscheid gemaakt tussen procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid. Deze concepten zijn bij veel onderzoeken gecombineerd tot één concept onder de noemer van procedurele rechtvaardigheid. Daardoor is niet duidelijk of het gevonden effect veroorzaakt wordt door de ervaren procedurele, interpersoonlijke of informatieve rechtvaardigheid of een combinatie van deze drie. Dat maakt een overzicht van de (gezamenlijke) effecten van deze drie typen rechtvaardigheid niet minder nuttig, maar ik wil wel benadrukken dat als de term `procedurele rechtvaardigheid’ in deze paragraaf wordt gebruikt, deze gecombineerde maat van procedurele, interpersoonlijke en informatieve rechtvaardigheid wordt bedoeld. Verder worden vooral effecten beschreven die in de juridische setting relevant zijn, omdat het onderhavige onderzoek heeft plaatsgevonden bij rechtbanken.
Ten slotte wil ik nog opmerken dat ik met deze beschrijving van de effecten van procedurele rechtvaardigheid niet wil zeggen dat de (ervaren rechtvaardigheid) uitkomst niet belangrijk zou zijn. Er is namelijk ook onderzoek waaruit volgt dat individuen (de rechtvaardigheid van) de uitkomst belangrijk vinden, soms zelfs nog belangrijker dan de procedure (o.a. Bruinsma, 1995; Gramatikov & Klaming, 2009; Konow, 2003; Minekus, 2002; Sabbagh, 2001; Schuyt e.a., 1978).
Het eerste effect van een hogere ervaren procedurele rechtvaardigheid is een positievere perceptie van de rechtvaardigheid van de uitkomst, oftewel een hogere distributieve rechtvaardigheid (Lind & Tyler, 1988). Dit is vooral belangrijk in situaties waarin autoriteiten niet anders kunnen dan een burger een ongunstige uitkomst geven. Kerstetter (1995) heeft bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar klachten van burgers over misdragingen door politieagenten in de Verenigde Staten. Een groot probleem bij dergelijke misdragingen is dat in de meeste gevallen er geen onafhankelijke getuige of ander bewijs voorhanden is waardoor in de klachtprocedure de klacht van de burger tegenover de verklaring van de betreffende politieagent staat. De klacht wordt dan meestal ongegrond bevonden in de klachtprocedure, ook als deze mogelijk terecht is ingediend.1 Het is dan belangrijk dat burgers wel het gevoel hebben dat de klachtprocedure rechtvaardig is.
Ten tweede leidt een rechtvaardige procedure ertoe dat participanten de uitkomsten daarvan eerder vrijwillig accepteren. Dit is onder andere onderzocht bij gerechtelijke procedures, arbitrage, mediation en de politie (Lind e.a., 1993; McEwen & Maiman, 1984; Paternoster e.a., 1997; Thibaut & Walker, 1978; Tyler & Huo, 2002; Wissler, 1995).
Zo vroegen Tyler en Huo (2002) naar de ervaringen van 1656 inwoners van Oakland en Los Angeles met de politie en rechtbanken. De bereidheid van deze mensen om de beslissingen van de politie en rechtbanken te accepteren bleek vooral bepaald te worden door de mate waarin zij de procedures die daaraan vooraf gingen rechtvaardig vonden. Het maakte daarbij niet uit of zij zelf voor het contact met deze autoriteiten gekozen hadden (eigen verzoek aan de politie om te helpen/eiser bij rechtbank) of dat dit hen was opgelegd (aangehouden door de politie/gedaagde bij de rechtbank). De rechtvaardigheid van de procedure blijkt voor de acceptatie van de uitkomsten belangrijker te zijn dan de uitkomst als zodanig of de rechtvaardigheid van die uikomst.
Een ander voorbeeld is een aantal studies dat door McEwen en Maiman (1984) en Wissler (1995) is uitgevoerd in zogenaamde small claims courts in de Verenigde Staten. Hierbij kwam naar voren dat de mate van acceptatie van uitkomsten hoger was voor zaken die via mediation waren geregeld dan voor zaken waarin de rechter een vonnis had gewezen. Dit was het gevolg van verschillen in de (ervaren) rechtvaardigheid van de procedure: bij mediation moesten participanten instemmen met de uitkomst van het proces en hadden zij meer invloed op het proces dan bij de gerechtelijke procedure. Procedurele rechtvaardigheid is dus voor autoriteiten de sleutel tot vrijwillige naleving van hun beslissingen.2
Op de derde plaats beïnvloeden evaluaties van procedurele rechtvaardigheid de tevredenheid met de geschiloplosser van de betreffende procedure (Tyler & Huo, 2002). Het effect van de ervaren procedurele rechtvaardigheid hierop blijkt veel sterker te zijn dan het effect van distributieve rechtvaardigheid of de uitkomst als zodanig.
Daarnaast is uit onderzoek naar voren gekomen dat de persoonlijke ervaringen die individuen met autoriteiten hebben gehad van invloed zijn op meer algemene evaluaties, zoals het vertrouwen in het rechtssysteem of het vertrouwen in juridische autoriteiten (Lind & Tyler, 1988; Tyler & Huo, 2002). Vaak wordt aangenomen dat vertrouwen van burgers verklaard kan worden door meer instrumentele aspecten zoals kosten, snelheid en prestaties van instanties. Hoewel dergelijke aspecten wel enige invloed hebben op het algemene vertrouwen in het rechtssysteem, is de mate waarin de procedures van deze autoriteiten door burgers als rechtvaardig worden ervaren, veel belangrijker. Autoriteiten kunnen het vertrouwen van burgers dus in positieve zin beïnvloeden door ervoor te zorgen dat procedures zo worden ingericht dat mensen deze als rechtvaardig zien.
Ten slotte generaliseren mensen hun persoonlijke ervaringen met autoriteiten (en de ervaren rechtvaardigheid daarbij) naar algemene opvattingen die zij hebben over de legitimiteit van autoriteiten (Tyler, 2006b; Tyler & Huo, 2002). Legitimiteit, oftewel de opvatting dat autoriteiten gehoorzaamd behoren te worden, beïnvloedt vervolgens de mate waarin burgers zich aan de wet houden in het dagelijks leven (figuur 1).
Figuur 1: De ervaren procedurele rechtvaardigheid beïnvloedt via opvattingen over legitimiteit, de mate waarin de wet wordt nageleefd
Er bestaan verschillende ideeën over waarom mensen de wet naleven. De instrumentele benadering gaat ervan uit dat dit bepaald wordt door beloning en straf (afschrikken). Mensen zullen zich dan ook vooral aan de wet houden als ze bang zijn om gepakt te worden. Uit onderzoek blijkt dat dit inderdaad enige invloed heeft. Het is voor overheden echter een bijzonder kostbare benadering: de pakkans moet immers steeds voldoende hoog zijn. Daarnaast leidt deze instrumentele benadering ook tot een groter wantrouwen van en meer vijandigheid jegens de politie wat op lange termijn de naleving van de wet juist ondermijnt.
Een tweede benadering gaat ervan uit dat mensen zich aan de wet houden omdat zij autoriteiten als legitiem zien: de wet moet nageleefd worden, wat de wet ook zegt. Deze naleving op basis van legitimiteit moet onderscheiden worden van naleving op basis van eigen moraal. Eigen moraal betekent dat de wet gevolgd wordt door een individu omdat hij vindt dat de betreffende wet rechtvaardig is. Een laatste verklaring waarom mensen de wet gehoorzamen is groepsmoraal. Deze gehoorzaamheid is het resultaat van angst voor afkeuring van vrienden, collega’s of andere groepen waarvan het individu lid is.
Tyler (2006b) heeft de bijdrage van ieder van deze vier verklaringen (afschrikking, legitimiteit, eigen moraal en groepsmoraal) aan het naleven van de wet onderzocht. De belangrijkste verklaring bleek eigen moraal te zijn, op de voet gevolgd door legitimiteit. Voor de overige twee verklaringen vond hij weinig steun. Eigen moraal van burgers is moeilijk te beïnvloeden door autoriteiten, zeker in pluriforme samenlevingen waarin zeer veel verschillende opvattingen naast elkaar bestaan (hoewel individuele geschiloplossers in procedures mogelijk wel op deze eigen moraal van de aanwezigen kunnen inspringen). Daarom is legitimiteit interessanter omdat autoriteiten dat wel kunnen beïnvloeden. Zoals we al in figuur 1 zagen, kunnen zij dit doen door aan burgers rechtvaardige procedures aan te bieden.
Samenvattend kan worden gezegd dat de beschreven effecten in deze paragraaf wel aangeven, hoe belangrijk het is dat autoriteiten ervoor zorgen dat hun procedures zo ingericht zijn dat burgers deze als rechtvaardig ervaren.