Hof 's-Hertogenbosch, 25-06-2019, nr. 200.218.097, 01
ECLI:NL:GHSHE:2019:2269
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
25-06-2019
- Zaaknummer
200.218.097_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2019:2269, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 25‑06‑2019; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8890
ECLI:NL:GHSHE:2018:5184, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 11‑12‑2018; (Hoger beroep)
- Wetingang
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2019-0020
JOR 2019/75 met annotatie van mr. J.M.A. Wintgens-van Luijn
Uitspraak 25‑06‑2019
Inhoudsindicatie
bestuurdersaansprakelijkheid, artikel 2:9 BW, artikel 6:162 BW, schade van de rechtspersoon, faillissementskosten, matiging
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.218.097/01
arrest van 25 juni 2019
in de zaak van
mr. Peter Ernst Butterman q.q., i.z.h.v. curator in het faillissement van
de Stichting Perpetuum,
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als de curator,
advocaat: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens te Breda,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 1,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,
advocaat: mr. J.M. van Gool,
2. [geïntimeerde 2] ,
3. [geïntimeerde 3] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden sub 2 en 3,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , en gezamenlijk als [geintimeerden 2 en 3 c.s.] ,
advocaat: mr. P.A. Visser,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 29 mei 2018 en 11 december 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/320204/ HA ZA 16-627 gewezen vonnis van 15 maart 2017.
8. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 11 december 2018;
- -
de akte uitlaten schade van de curator;
- -
de (antwoord)akte van [geïntimeerde 1] ;
- -
de (antwoord)akte van [geintimeerden 2 en 3 c.s.] ;
- -
de antwoordakte, tevens akte vermindering eis, van de curator.
Bij de akte uitlaten schade heeft de curator, voor zover relevant, de schade waarvoor [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] volgens de curator hoofdelijk aansprakelijk zijn, begroot op € 127.997,76. De faillissementskosten die de curator daarnaast vordert, zijn begroot op primair € 87.968,97, subsidiair € 32.147,45. De wettelijke rente over deze bedragen is gevorderd vanaf het moment van aansprakelijkstelling, 26 april 2016.
Vervolgens heeft het hof, op verzoek van de curator en de voormalig bestuurder van de stichting, [voormalig bestuurder van de stichting] (hierna: [voormalig bestuurder van de stichting] ), zijnde oorspronkelijk geïntimeerde sub 3, de zaak tussen hen doorgehaald. De curator heeft in dit verband zijn eis verminderd door het gevorderde bedrag aan schadevergoeding te verminderen met € 22.500,-, zijnde het bedrag dat [voormalig bestuurder van de stichting] aan de stichting heeft betaald.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9. De verdere beoordeling
9.1.
In het laatste tussenarrest (rov. 6.5.16-6.5.18. en 6.7.1.), waarbij het hof blijft en geen reden ziet om daarop terug te komen, heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op grond van artikel 2:9 BW en [geïntimeerde 3] op grond van artikel 6:162 BW jegens de Stichting Perpetuum (hierna: de stichting) aansprakelijk zijn voor de schade die de stichting als gevolg van hun onbehoorlijk bestuur respectievelijk onrechtmatig handelen heeft geleden. Het onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen bestaat, kort gezegd, uit het aangaan van financiële verplichtingen, vanaf begin juni 2013, terwijl voorzienbaar was dat de stichting deze niet zou kunnen nakomen. Op grond van artikel 6:102 lid 1 BW zijn [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] c.s. (hierna ook: het bestuur c.s.) hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden schade. Het hof heeft de curator in de gelegenheid gesteld om het bestaan en de omvang van de schade die als gevolg van het onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen is ontstaan bij akte nader te onderbouwen, waarna het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] c.s. in de gelegenheid heeft gesteld daarop bij akte te reageren en een eventuele betwisting daarvan nader te motiveren. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] c.s. zijn daarnaast in de gelegenheid gesteld hun beroep op matiging van de schadevergoedingsverplichting nader te onderbouwen, waarna de curator de gelegenheid heeft gekregen daarop te reageren en zijn eventuele betwisting daarvan nader te motiveren.
Schade
9.2.1.
Het hof stelt voorop dat de schadevergoeding in beginsel de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit (het onbehoorlijk bestuur, de onrechtmatige daad) niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de (vermogens)toestand zoals deze in werkelijkheid is met de (vermogens)toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 28 maart 2003, NJ 2003/389, ECLI:NL:HR:2003:AF3067, rov. 3.3; Hoge Raad 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539 (https://www.navigator.nl/document/id62280d9472e061e3518f3099fb81e3e9?ctx=WKNL_CSL_10000001&anchor=id-28b2b11b262fa1b8c39f609daa13d523), rov. 3.5).
9.2.2.
Met de curator is het hof van oordeel dat de schade die de stichting heeft geleden in dit geval bestaat uit het onvoldane deel van vorderingen van derden op de stichting die resulteren uit financiële verplichtingen die het bestuur c.s. namens de stichting is aangegaan terwijl voorzienbaar was dat de stichting deze niet zou kunnen nakomen. De aldus resterende schulden zou de stichting immers niet hebben gehad als het bestuur c.s. deze verplichtingen niet was aangegaan (en het onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen dus achterwege waren gebleven).
9.2.3.
Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de door de curator gestelde schulden overweegt het hof als volgt.
Rabobank / [verhuurder] / Econocom
9.3.1.
De curator stelt dat de stichting op 15 juli 2013 een huurovereenkomst is aangegaan met [verhuurder] . Partijen kwamen daarbij overeen dat de huur in de periode augustus tot en met december 2013, in totaal € 22.916,66, uitgesteld zou worden betaald vanaf 1 januari 2014, en wel in twaalf maandelijkse termijnen van € 1.909,72. Daarnaast bedroeg de huur per 1 januari 2014 € 13.750,- per kwartaal, bij vooruitbetaling te voldoen – zo begrijpt het hof. De huurovereenkomst is door partijen beëindigd per 1 juli 2014. De stichting heeft ten behoeve van [verhuurder] bij Rabobank een bankgarantiefaciliteit afgesloten. De stichting heeft de verschuldigde huur niet betaald, waarna [verhuurder] bij Rabobank aanspraak heeft gemaakt op betaling van € 22.916,66 onder de bankgarantie (de huur tot en met december 2013), welk bedrag vervolgens door Rabobank aan [verhuurder] is betaald. De daarmee corresponderende vordering van Rabobank op de stichting is onbetaald gebleven. Voorts is de vordering van [verhuurder] op de stichting terzake de huurtermijnen van januari tot en met juni 2014, zijnde € 27.500,-, vermeerderd met rente tot aan de faillissementsdatum (€ 1.235,91) en incassokosten (€ 1.061,80), in totaal € 29.797,71, onbetaald gebleven, aldus de curator.
9.3.2.
[geïntimeerde 1] voert aan dat [verhuurder] haar beweerde vordering pas na het laatste tussenarrest heeft ingediend, waardoor de vraag is of [verhuurder] deze vordering daadwerkelijk als schade heeft beschouwd. Het tijdstip van indiening, louter op verzoek van de curator, maakt de vordering tardief. [geïntimeerde 1] beschikt niet over facturen en betwist dat [verhuurder] facturen voor de huurtermijnen tijdig heeft verzonden. De oorspronkelijk in april 2014 gevorderde bedragen aan rente en incassokosten zijn niet verschuldigd omdat Rabobank de destijds gevorderde hoofdsom aan huurtermijnen onder de bankgarantie al eerder had voldaan. Bovendien wordt de hoogte van de gevorderde rente betwist alsook de noodzaak en omvang van de gevorderde incassokosten, aldus [geïntimeerde 1] .
[geintimeerden 2 en 3 c.s.] voert aan dat de huur over 2013 volgens de huurovereenkomst pas in 2014 in rekening zou worden gebracht. Dit betekent dat [verhuurder] ten onrechte de bankgarantie heeft uitgewonnen en deze door Rabobank ten onrechte is uitbetaald, aldus [geintimeerden 2 en 3 c.s.]
9.3.3.
Het hof stelt vast, als niet althans onvoldoende weersproken, dat op grond van de gesloten huurovereenkomst huurtermijnen verschuldigd waren over de periode augustus 2013 tot en met juni 2014, ter hoogte van in totaal € 50.416,66, en dat deze huurtermijnen door de stichting niet zijn betaald. Het hof volgt [geintimeerden 2 en 3 c.s.] niet in zijn stelling dat de bankgarantie ten onrechte is uitgewonnen (in april 2014), aangezien het bedrag aan huur waarop deze uitbetaling betrekking had (€ 22.916,66) zag op de periode tot en met december 2013 en de stichting met de (termijn)betaling daarvan (in ieder geval) vanaf 1 januari 2014 kennelijk in verzuim was. Ook het feit dat [verhuurder] pas in januari 2019 de huurtermijnen van januari tot en met juni 2014 heeft gevorderd, doet er niet aan af dat de stichting die termijnen verschuldigd is op grond van de huurovereenkomst. Anders dan [geïntimeerde 1] stelt, heeft [verhuurder] haar vordering terzake niet-betaalde huur al in 2014 ter verificatie ingediend (curator, productie 57) en heeft zij deze vordering in januari 2019 slechts vermeerderd. Nu deze vermeerderde vordering berust op dezelfde feitelijke en juridische grondslag als de aanvankelijk ingediende vordering, kan van verjaring van de vermeerderde vordering geen sprake zijn (Hoge Raad 23 mei 1997, NJ 1997/531 (Beauty WorldWide/Bayer), ECLI:NL:HR:1997:ZC2377).
Het hof is verder van oordeel dat de curator niet heeft toegelicht op grond waarvan de stichting het gevorderde bedrag aan rente verschuldigd is. De enkele verwijzing naar een sommatie van een deurwaarder, waarin wordt gesproken over een contractuele boete van € 800,- en een bedrag aan wettelijke rente van € 335,91 is daartoe onvoldoende. Ook de grondslag van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is niet toegelicht, zodat de curator in dit opzicht niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
9.3.4.
De curator stelt dat de stichting op 15 juli 2013 een overeenkomst is aangegaan met Econocom voor de huur van IT-apparatuur (iPads e.d.) ter waarde van maximaal € 20.000,- exclusief btw. De huur is aangevangen in augustus 2013. In november 2013 is het maximaal te besteden bedrag verhoogd tot € 25.000,-. Op grond van een tweede overeenkomst van 13 december 2013 heeft de stichting zich verplicht tot een minimale huurperiode van 60 maanden tot en met december 2018; de verplichting om deze huurovereenkomst te sluiten was al opgenomen in de eerste overeenkomst. De huur bedroeg aanvankelijk € 500,- inclusief btw per maand, en deze last is later toegenomen met het verhogen van de maximale leasewaarde. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden waren bij het voortijdig eindigen van de huurovereenkomst wegens niet-nakoming de resterende huurtermijnen ineens opeisbaar. De stichting heeft ten behoeve van Econocom bij Rabobank een bankgarantiefaciliteit afgesloten ter hoogte van € 25.000,-. Omdat de stichting in verzuim was met de nakoming van haar maandelijkse betalingsverplichtingen, heeft Econocom bij Rabobank aanspraak gemaakt op betaling van € 25.000,- onder de bankgarantie, welk bedrag vervolgens door Rabobank aan Econocom is betaald. De daarmee corresponderende vordering van Rabobank op de stichting is onbetaald gebleven, aldus de curator.
9.3.5.
[geïntimeerde 1] voert aan dat een factuur van Amac – de (aan Econocom gelieerde) maatschappij die de feitelijke levering van de apparatuur verzorgde – en een specificatie van de vordering van Econocom ontbreken. Verder heeft de curator niet geverifieerd of de bankgarantie terecht en geheel door Econocom is uitgewonnen. Eerst dient te worden vastgesteld of Econocom zich niet ongerechtvaardigd heeft verrijkt. Bovendien hebben [geïntimeerde 1] en zijn medebestuurders geen kennis genomen van de algemene voorwaarden van Econocom. Deze zijn door [geïntimeerde 3] ondertekend en hiermee heeft hij zijn mandaat als kwartiermaker overschreden. De eventuele schade die hieruit voor de stichting voortvloeit, dient (hooguit slechts) voor rekening van [geïntimeerde 3] te komen, aldus [geïntimeerde 1] .
[geintimeerden 2 en 3 c.s.] voert aan dat Amac de apparatuur heeft terugontvangen na het faillissement. De apparatuur is ter beschikking gesteld in de vorm van sponsoring, en betaling zou moeten plaatsvinden vanaf 1 januari 2014. Daarom betwist [geintimeerden 2 en 3 c.s.] deze vorderingen.
9.3.6.
Het hof overweegt dat, aangezien de stichting de apparatuur huurde van Econocom, niet relevant is dat facturen van Amac ontbreken. Uit de overeenkomst van 13 december 2013 (curator, productie 51) volgt voorts wat de waarde is van de op dat moment reeds daadwerkelijk verhuurde en ter beschikking gestelde apparatuur, en welke maandelijkse financiële verplichting daartegenover stond (€ 473,46 exclusief btw). Niet is betwist dat deze maandelijkse bedragen door de stichting niet zijn betaald, en het is niet althans onvoldoende betwist dat dit op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden met zich brengt dat de resterende termijnen voor de volledige contractsduur van 60 maanden ineens opeisbaar werden. Het is evident dat dit bedrag de hoogte van de afgegeven bankgarantie van € 25.000,- overstijgt. Of [geïntimeerde 1] en zijn medebestuurders kennis hebben genomen van de algemene voorwaarden is niet relevant, nu niet is gesteld dat de voorwaarden daarom niet van toepassing zouden zijn. Aan de stelling van [geïntimeerde 1] dat [geïntimeerde 3] bij het akkoord gaan met de algemene voorwaarden zijn mandaat heeft overschreden, gaat het hof voorbij aangezien een onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Verder ontbreekt enige toelichting waarom Econocom ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt, zodat het hof ook aan die stelling van [geïntimeerde 1] voorbijgaat. Het enkele feit dat Amac de gehuurde apparatuur heeft terugontvangen, zoals [geintimeerden 2 en 3 c.s.] stelt, brengt in elk geval nog niet met zich dat aan de stichting een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt.
Tot slot blijkt uit de bewijsstukken die de curator heeft overgelegd, dat Econocom bij Rabobank aanspraak heeft gemaakt op uitbetaling van het volledige bedrag van de bankgarantie, en dat die betaling vervolgens ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het hof stelt daarom vast dat Rabobank een vordering heeft op de stichting van € 25.000,-.
9.3.7.
Uit het voorgaande volgt dat Rabobank een vordering heeft op de stichting van in totaal € 47.916,66, namelijk € 22.916,66 ter zake de uitgewonnen bankgarantie door [verhuurder] en € 25.000,- ter zake de uitgewonnen bankgarantie door Econocom. De curator stelt dat de schuld van de stichting aan Rabobank in totaal € 50.367,26 bedraagt, welk bedrag naast genoemde hoofdsommen zou bestaan uit “kosten, provisie en rente”. Nu de curator dit bedrag van kennelijk € 2.450,60 niet heeft gespecificeerd en niet heeft onderbouwd op grond waarvan dit bedrag door de stichting aan Rabobank verschuldigd zou zijn, heeft de curator in zoverre niet aan zijn stelplicht voldaan.
De schuld van de stichting aan Rabobank bedraagt dus € 47.916,66. De schuld van de stichting aan [verhuurder] bedraagt € 27.500,-.
UWV / arbeidsovereenkomsten
[voormalige leerkracht van de school 1] en [voormalige leerkracht van de school 2]
9.4.1.
De curator stelt dat het UWV uit hoofde van de wettelijke loongarantieregeling op grond waarvan het (loon)betalingen heeft gedaan aan voormalige leerkrachten van de school, mevrouw [voormalige leerkracht van de school 1] en mevrouw [voormalige leerkracht van de school 2] , vorderingen heeft op de stichting ter hoogte van € 4.734,65 respectievelijk € 477,10.
[geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] betwisten dat de loongarantieregeling van toepassing is en dat het UWV op grond daarvan een vordering heeft op de stichting.
9.4.2.
Het hof overweegt dat de dienstbetrekkingen van beide leerkrachten volgens de eigen stellingen van de curator zijn geëindigd ruim voordat de stichting failliet werd verklaard op 13 mei 2014, namelijk in september en oktober 2013. Op grond van artikel 62 lid 1 Werkloosheidswet geldt dan het uitgangspunt dat deze werknemers geen recht op uitkering hadden onder de loongarantieregeling. De curator heeft niet gesteld dat een uitzondering als in dat artikellid genoemd van toepassing is op grond waarvan niettemin een recht op uitkering heeft bestaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geen recht op uitkering bestond en daarom ook geen regresrecht van het UWV op de stichting bestaat (artikel 66 lid 1 Werkloosheidswet).
[werknemer van de stichting]
9.4.3.
De curator stelt dat de stichting op 13 oktober 2013 een arbeidsovereenkomst is aangegaan met mevrouw [werknemer van de stichting] . [werknemer van de stichting] heeft een groot deel van haar salaris niet betaald gekregen en een vordering ingediend van € 21.479,41 ter zake haar loon vanaf 21 oktober 2013 tot de datum van het faillissement, 13 mei 2014. Het UWV heeft een deel van dit loon betaald, namelijk € 9.179,09 als pre-faillissement salaris tot 13 mei 2014 en € 9.888,23 als salaris na datum faillissement tot 30 juni 2014. Voor deze betalingen heeft het UWV op grond van haar regresrecht een vordering op de stichting, en voor [werknemer van de stichting] resteert daarom een vordering op de stichting ter zake haar loon tot aan de faillissementsdatum van € 12.300,32 (€ 21.479,41 - € 9.179,09), aldus de curator.
[geïntimeerde 1] voert aan dat de vordering van [werknemer van de stichting] onduidelijk is en dat de vordering van het UWV onvoldoende is gespecificeerd.
[geintimeerden 2 en 3 c.s.] voert aan dat met [werknemer van de stichting] is overeengekomen dat zij in de opstartfase geen salaris zou ontvangen, en dat een eventuele salarisverplichting niet eerder zou beginnen dan 1 januari 2014. [werknemer van de stichting] heeft geen aanspraak gemaakt op salaris of geprotesteerd tegen de niet-betaling of de te late betaling ervan, en zij heeft niet het faillissement aangevraagd. [geintimeerden 2 en 3 c.s.] betwist dat UWV een vordering toekomt.
9.4.4.
Het hof overweegt dat de curator voldoende heeft onderbouwd dat [werknemer van de stichting] vanaf 13 oktober 2013 werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan zij recht had op betaling van loon. Uit de arbeidsovereenkomst van [werknemer van de stichting] volgt immers dat zij met ingang van 21 oktober 2013 in dienst is getreden en recht heeft op een brutosalaris van € 2.316,- per maand exclusief vakantietoeslag (curator, productie 39). [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] hebben dit niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling van [geintimeerden 2 en 3 c.s.] dat met [werknemer van de stichting] is overeengekomen dat zij tot 1 januari 2014 geen salaris zou ontvangen, is daartoe onvoldoende, aangezien geen verklaring wordt gegeven voor het feit dat het door de stichting en [werknemer van de stichting] getekende arbeidscontract daarvoor geen grondslag biedt, en aangezien ook overigens een concrete onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Dat [werknemer van de stichting] voorafgaand aan het faillissement geen aanspraak zou hebben gemaakt op betaling en het faillissement niet heeft aangevraagd is niet relevant.
Het hof overweegt verder dat de vordering van [werknemer van de stichting] van € 21.479,41 met betrekking tot de periode tot 13 mei 2014 door haar advocaat voldoende duidelijk is gespecificeerd (curator, productie 104). Uit de specificatie van het UWV blijkt daarnaast voldoende duidelijk dat het uitgekeerde bedrag van € 9.179,09 betrekking heeft op het salaris en vakantiegeld in de drie maanden voorafgaand aan het faillissement en het bedrag van € 9.888,23 op het salaris, vakantiegeld en vakantiedagen over de (fictieve) opzegtermijn vanaf datum faillissement tot 30 juni 2014, een en ander conform artikelen 61 jo. 64 lid 1 sub a en b Werkloosheidswet. Het hof is daarom van oordeel dat het UWV een regresrecht heeft op de stichting ter hoogte van € 19.067,32 (artikel 66 lid 1 Werkloosheidswet), en dat voor [werknemer van de stichting] een vordering op de stichting resteert van € 12.300,32.
Nuon
9.5.1.
De curator stelt dat de stichting met ingang van 11 september 2013 een energiecontract is aangegaan met Nuon op grond waarvan Nuon een vordering heeft op de stichting voor geleverde energie in de periode vanaf aanvang van de levering tot en met 30 juni 2014 ter hoogte van € 11.103,50.
[geïntimeerde 1] voert aan dat de vordering van Nuon onduidelijk is. De eindafrekening verwijst naar termijnfacturen van juli, oktober en november 2014 terwijl de huurovereenkomst van het pand al per 1 juli 2014 is geëindigd, terwijl twee termijnfacturen van € 1.120,15 niet in de eindafrekening genoemd zijn en dus kennelijk betaald zijn, aldus [geïntimeerde 1] .
[geintimeerden 2 en 3 c.s.] refereert zich aan het oordeel van het hof.
9.5.2.
Het hof overweegt dat uit de eindafrekening van Nuon (curator, productie 102) voldoende duidelijk blijkt dat de kosten van de levering van energie vanaf 11 september 2013 tot en met 30 juni 2014 € 11.103,50 inclusief btw hebben bedragen. Het feit dat de eindafrekening melding maakt van niet-betaalde termijnfacturen van juli, oktober en november 2014 doet aan de verschuldigdheid van dit bedrag niet af en is dus niet relevant. Het enkele feit dat de eindafrekening geen melding maakt van twee termijnfacturen die eerder zijn verzonden, betekent nog niet dat die facturen door de stichting zijn betaald. Nu anderszins niet betwist is dat de eindafrekening niet betaald is, oordeelt het hof dat de vordering van Nuon op de stichting € 11.103,50 bedraagt.
Belastingsamenwerking West-Brabant
9.6.1.
De curator stelt dat de stichting een bedrag aan zuiveringsheffing en/of rioolbelasting van € 149,90 onbetaald heeft gelaten.
[geïntimeerde 1] voert aan dat hem niet duidelijk is of deze vordering tijdig is opgelegd en of deze onbetaald is gelaten, nu facturen en aanmaningen niet zijn overgelegd.
9.6.2.
Het hof overweegt dat blijkens de stukken waarnaar de curator verwijst (curator, productie 103) het bedrag van € 149,90 kennelijk deels betrekking heeft op het volledige jaar 2014 en op kosten van een dwangbevel dat in 2015, dus tijdens faillissement, is opgelegd. De curator geeft echter geen toelichting waarom dit bedrag niettemin (volledig) door de stichting verschuldigd is. Het hof is daarom van oordeel dat de curator ten aanzien van deze gestelde schuld niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Faillissementskosten
9.7.1.
De curator voert aan dat de schade van de stichting, naast de onbetaald gebleven schulden, tevens bestaat uit faillissementskosten waaronder met name het salaris van de curator. Met een schadevergoeding ter hoogte van de onbetaald gebleven schulden zou de stichting deze schulden kunnen voldoen, maar nu er een faillissement is dient de stichting eerst de faillissementskosten te betalen alvorens via de uitdelingslijst de schulden kunnen worden voldaan. Nu voorzienbaar was dat de aangegane financiële verplichtingen niet zouden kunnen worden betaald, was ook het faillissement voorzienbaar. Daarom maken de faillissementskosten deel uit van de schade van de stichting, aldus de curator.
9.7.2.
Zoals overwogen in 6.8.2. van het tussenarrest zijn de faillissementskosten zoals het salaris van de curator geen kosten die de stichting heeft gemaakt noch kosten die de stichting gehouden is te vergoeden aan de curator of aan derden. Daarmee zijn de faillissementskosten in beginsel geen schade van de stichting, ongeacht of de vordering is gebaseerd op artikel 2:9 BW of artikel 6:162 BW. Het feit dat de vorderingen van schuldeisers na vereffening van de boedel niet volledig voldaan zullen zijn omdat uit de boedel eerst de faillissementskosten moeten worden betaald, ook al zou dat voorzienbaar zijn geweest zoals de curator stelt, brengt nog niet met zich dat de stichting met schade blijft zitten. De stichting houdt ingevolge artikel 2:19 lid 6 BW in dat geval immers op te bestaan. Het is niet uitgesloten dat een rechtspersoon na faillissement blijft bestaan én tevens schulden overhoudt, bijvoorbeeld na een akkoord waarbij de vorderingen van schuldeisers slechts deels worden voldaan en de rechtspersoon (een deel van) de niet-voldane vorderingen schuldig blijft. De stellingen van de curator bieden echter geen aanknopingspunten voor het bestaan van een dergelijke situatie.
Conclusie schade en aansprakelijkheid
9.8.1.
Het hof is van oordeel dat de financiële verplichtingen van de stichting die in het voorgaande zijn vastgesteld, namens de stichting zijn aangegaan terwijl voor het bestuur c.s. voorzienbaar was – om de redenen genoemd in 6.5.16. van het tussenarrest – dat de stichting deze niet althans niet volledig zou kunnen nakomen.
9.8.2.
[geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de financiële verplichtingen die met [werknemer van de stichting] zijn aangegaan. [geïntimeerde 3] is de arbeidsovereenkomst met haar aangegaan zonder voorafgaand overleg met het bestuur. [geïntimeerde 1] had alle redenen om aan te nemen dat [werknemer van de stichting] haar werkzaamheden onbezoldigd althans niet voor rekening van de stichting verrichtte, aangezien er meerdere onbezoldigde krachten voor de stichting werkzaam waren. De contacten met [werknemer van de stichting] verliepen vrijwel uitsluitend via [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] was slechts incidenteel op de school aanwezig. De schade van de stichting bestaande uit de schuld aan het UWV en [werknemer van de stichting] kan dan ook niet aan [geïntimeerde 1] worden toegerekend, aldus [geïntimeerde 1] .
9.8.3.
Het hof overweegt dat de financiële verplichtingen jegens [werknemer van de stichting] door [geïntimeerde 3] namens de stichting zijn aangegaan, zodat [geïntimeerde 1] daar als voorzitter van het bestuur in beginsel de volledige verantwoordelijkheid voor draagt. [geïntimeerde 1] heeft niet gesteld dat [geïntimeerde 3] met het aangaan van deze arbeidsovereenkomst buiten het door het bestuur aan hem verstrekt mandaat is getreden. Van [geïntimeerde 1] had verwacht mogen worden dat hij zich van de inhoud van de arbeidsovereenkomst op de hoogte had gesteld alvorens aan te nemen dat [werknemer van de stichting] onbezoldigd aan de slag zou gaan, ook als moet worden aangenomen dat bij de stichting tevens andere personen wel onbezoldigd aan het werk waren. Ook het feit dat [geïntimeerde 1] zich slechts incidenteel op de school liet zien, komt voor zijn eigen rekening. Het gestelde gebrek aan wetenschap maakt naar het oordeel van het hof dus niet dat [geïntimeerde 1] van het aangaan van deze verplichting geen ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.
9.8.4.
Uit het voorgaande volgt dat de aldus vastgestelde schulden als gevolg van het onbehoorlijk bestuur van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 3] zijn ontstaan. De stichting zou deze schulden niet hebben gehad als het bestuur c.s. deze verplichtingen niet was aangegaan en het onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen achterwege waren gebleven. De schade die de stichting daardoor heeft geleden bedraagt daarmee:
Rabobank € 47.916,66
[verhuurder] € 27.500,-
UWV € 19.067,32
[werknemer van de stichting] € 12.300,32
Nuon € 11.103,50
Totaal € 117.887,80.
9.8.5.
De curator heeft met [voormalig bestuurder van de stichting] een regeling getroffen op grond waarvan [voormalig bestuurder van de stichting] , kennelijk ter vergoeding van (een deel van) deze schade, een bedrag van € 22.500,- aan de stichting heeft betaald. Dit bedrag moet daarom in mindering worden gebracht op het bedrag van de geleden schade. De schade die de stichting heeft geleden bedraagt daarmee € 117.887,80 - € 22.500,- = € 95.387,80.
Matiging
9.9.1.
[geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] hebben een beroep gedaan op matiging.
9.9.2.
[geïntimeerde 1] heeft daartoe aangevoerd dat hij, wat betreft de rechtsverhouding tussen partijen, onbezoldigd bestuurder is geweest en zich louter uit ideële overwegingen bereid heeft verklaard tot het vervullen van een bestuursfunctie. [geïntimeerde 1] had op dit gebied geen ervaring en geen onderwijsachtergrond. Hij had achteraf bezien niet aan de functie moeten beginnen. Hij heeft zich tot het laatst toe ingespannen om sponsors te zoeken en subsidiebronnen aan te boren. Zelf heeft hij een bedrag van € 1.000,- aan de stichting geschonken. Verder stond het bestuur c.s. onder (tijds)druk om voor aanvang van het schooljaar 2013-2014 met de school te beginnen. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] zelf een advocaat betaald om het faillissement aan te vragen, en heeft hij zich ingespannen om kinderen van de school elders onder te brengen. Hij heeft enkele dagen voor het faillissement aangifte gedaan van een inbraak bij de school. [geïntimeerde 1] voert verder aan dat hij over een geringe draagkracht beschikt en niet bij machte is om tienduizenden euro’s, laat staan een bedrag hoger dan € 100.000,- als schadevergoeding te betalen. Vanwege de aansprakelijkstelling en procedures loopt zijn eenmanszaak niet goed en lopen zijn inkomsten terug. Zijn enige substantiële bezit is zijn eigen woning. Hij is kostwinnaar in een gezin met vier kinderen. [geïntimeerde 1] wordt onevenredig zwaar getroffen door het gelegde beslag op zijn woning. Bij toewijzing van de vordering van de curator zal deze zich op de woning verhalen en zal [geïntimeerde 1] failliet gaan en met zijn gezin op straat komen te staan. Zijn aansprakelijkheid is niet door verzekering gedekt.
9.9.3.
[geintimeerden 2 en 3 c.s.] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 3] noch [geïntimeerde 2] enig bedrag hebben overgehouden aan hun inzet voor de stichting. [geïntimeerde 3] is kwartiermaker geweest, [geïntimeerde 2] is slechts lid geweest van het bestuur. [geintimeerden 2 en 3 c.s.] heeft met de beste intenties, met het idealisme om de jeugd te voorzien van goed kwalitatief onderwijs, de maatschappij te bevorderen en het algemeen nut van de samenleving naar een hoger niveau te brengen, zich ingespannen en risico’s genomen. Het is strijdig met het rechtsgevoel om hen daarop dermate hard af te rekenen en aansprakelijk te stellen voor financiële verplichtingen die zijn aangegaan, zonder dat zij daar op enigerlei wijze (financieel) baat bij hebben gehad.
Er was een breed gedragen enthousiasme bij andere betrokkenen zoals leerkrachten en leveranciers. Partijen die met de stichting in zee gingen, wisten waar ze aan begonnen en wisten dat er een kans was op een deficit. [verhuurder] deed aan onderhuur uit leegstand en beperkte daarmee haar eigen kosten. Deze kosten had zij anders niet kunnen verhalen op enige partij. Nadien heeft [verhuurder] ook geen onderhuurovereenkomst meer kunnen sluiten. Bij alle schuldeisers heeft dus een zekere mate van risicoacceptatie en risicoaanvaarding bestaan.
Als [geïntimeerde 3] in de periode van 1 juli 2013 tot aan het faillissement bezoldigd werk zou hebben verricht, dan zou hij hierbij een salaris hebben genoten van ongeveer € 50.000,-. Dit bedrag moet in mindering worden gebracht op het bedrag waarvoor [geïntimeerde 3] aansprakelijk zou zijn. Voor het resterende bedrag is het passend dat het bestuur c.s. niet meer voldoet dan 10% van de schuldenlast.
Het faillissement van de stichting heeft voor [geïntimeerde 3] tot gevolg gehad dat zijn naam in onderwijsland is verbonden aan het faillissement. Hij heeft sindsdien nergens meer betaald werk kunnen vinden, zowel binnen als buiten zijn vakgebied. De reputatieschade aan zijn zijde is gigantisch.
De curator heeft niet naar behoren een minnelijke regeling beproefd. [geïntimeerde 3] had enige middelen voor handen om tot een regeling te komen maar die zijn nu volledig opgesoupeerd aan advocaatkosten.
De aansprakelijkheid van [geintimeerden 2 en 3 c.s.] is niet door verzekering gedekt.
9.9.4.
De curator heeft verweer gevoerd. Dit zal hierna, voor zover nodig, aan de orde komen.
9.9.5.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6:109 BW alleen dan voor matiging van schadevergoeding plaats is, wanneer volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De in die bepaling neergelegde maatstaf noopt ertoe dat de rechter met terughoudendheid gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen (Hoge Raad 28 mei 1999, NJ 1999/510, ECLI:NL:HR:1999:ZC2913).
9.9.6.
Wat betreft de aard van de aansprakelijkheid overweegt het hof dat, hoewel de curator terecht aanvoert dat het hier gaat om schuldaansprakelijkheid (en geen risicoaansprakelijkheid) en het bestuur c.s. een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] geen sprake is geweest van een oogmerk om de stichting te benadelen of zichzelf te bevoordelen. Evenmin is sprake geweest van frauduleus handelen. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] financieel geen profijt hebben gehad van hun handelen. Wat betreft de aard van de rechtsverhouding neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] geen inkomsten ontvingen voor hun werkzaamheden. Het feit dat voor aansprakelijkheid niet relevant is dat een bestuurder zijn taken onbezoldigd heeft uitgevoerd, zoals de curator aanvoert, neemt niet weg dat deze omstandigheid wel relevant is voor de beoordeling of toekenning van volledige schadevergoeding kennelijk onaanvaardbare gevolgen heeft. Afhankelijk van de overige omstandigheden zal van dergelijke onaanvaardbare gevolgen immers eerder sprake zijn bij een onbezoldigde bestuurder – die geen vergoeding heeft ontvangen voor de risico’s die een bestuurderschap met zich brengt – dan bij een bestuurder die voor zijn arbeid en dus ook voor het lopen van dergelijke risico’s een (riante) beloning heeft ontvangen.
Wat betreft de draagkracht van partijen, heeft [geïntimeerde 1] volstaan met een door zijn boekhouder opgesteld overzicht van inkomsten en uitgaven per 1 januari 2019. Zoals de curator terecht opmerkt, ontbreekt een toelichting waarom voor de, wel in het overzicht genoemde, partner geen inkomsten zijn opgenomen. Daarnaast ontbreken stukken waaruit de gestelde kostenposten blijken zodat de juistheid daarvan niet kan worden vastgesteld. Bovendien zijn voor de draagkracht niet alleen de inkomsten relevant maar ook het vermogen. In dit verband beschikt [geïntimeerde 1] naar eigen zeggen wel over substantieel vermogen in de vorm van zijn eigen woning, maar laat hij na inzichtelijk te maken wat de overwaarde van deze woning is. [geintimeerden 2 en 3 c.s.] heeft geen inzicht verschaft in de mate waarin hij, gelet op zijn inkomsten en vermogen, in staat is een schadevergoedingsverplichting te dragen. Het hof gaat er daarom vanuit dat [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] over voldoende draagkracht beschikken om aan een hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding jegens de stichting te kunnen voldoen.
9.9.7.
Wat betreft de stelling van [geïntimeerde 1] dat hij zich heeft ingespannen om sponsors te vinden en inkomstenbronnen aan te boren, en dat hij zich rondom het faillissement heeft ingespannen om de kinderen elders onder te brengen en aangifte heeft gedaan van een inbraak op de school, overweegt het hof dat deze inspanningen horen tot de normale taakuitoefening die van een bestuurder van een school (in problemen) mag worden verwacht. Deze inspanningen zijn in elk geval niet zodanig dat deze reeds daarom tot matiging van de schadevergoedingsverplichting behoren te leiden. De eigen sponsorbijdrage aan de school en de kosten voor de aanvraag van het faillissement die [geïntimeerde 1] op zich heeft genomen, geven vanwege hun relatief geringe omvang onvoldoende aanleiding tot matiging.
9.9.8.
De stelling van [geintimeerden 2 en 3 c.s.] dat schuldeisers een zekere mate van risico hebben aanvaard door met de stichting in zee te gaan, is naar het oordeel van het hof niet relevant voor de matiging van de schadevergoedingsverplichting van [geintimeerden 2 en 3 c.s.] jegens de stichting. Waar een eventuele risicoacceptatie mogelijk relevant kan zijn in de verhouding tussen [geintimeerden 2 en 3 c.s.] en de schuldeisers, vermindert deze omstandigheid op haar beurt niet de aansprakelijkheid van de stichting jegens deze schuldeisers, en dus ook niet de schulden (en schade) van de stichting. De gestelde leegstand bij [verhuurder] is niet met stukken of anderszins concreet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
De gestelde reputatieschade in onderwijsland heeft [geïntimeerde 3] naar het oordeel van het hof als direct gevolg van zijn ernstig verwijtbaar handelen zelf te dragen. Dat [geïntimeerde 3] zowel binnen als buiten zijn vakgebied geen betaald werk meer kan krijgen, heeft hij echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Het niet treffen van een minnelijke regeling door de curator neemt het hof niet in aanmerking. De curator is daartoe immers niet verplicht.
9.9.9.
Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, met name de omstandigheden dat [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] hun taken onbezoldigd hebben uitgevoerd, dat zij niet het oogmerk hebben gehad de stichting te benadelen of zichzelf te bevoordelen, en dat zij van hun handelen geen voordeel hebben gehad, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden voor [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] . Het hof matigt de schadevergoeding daarom met 25% tot € 71.540,85. De curator heeft niet betwist dat deze aansprakelijkheid niet door verzekering gedekt was en dat [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] niet verplicht waren deze door verzekering te dekken. Afwezigheid van dekking in dit geval is, anders dan de curator betoogt, voor het hof onvoldoende reden om van matiging af te zien. Het hof zal [geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] hoofdelijk veroordelen het bedrag van € 71.540,85 aan de stichting te betalen.
9.9.10.
De gevorderde wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW zal worden toegewezen zoals gevorderd vanaf 26 april 2016.
Conclusie en proceskosten
9.10.1.
Vanwege het slagen van grieven 4 en 5 zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van de curator alsnog (deels) toewijzen. De overige grieven behoeven geen (verdere) behandeling.
9.10.2.
[geïntimeerde 1] en [geintimeerden 2 en 3 c.s.] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten van de curator in beide instanties. De nakosten en wettelijke rente over deze bedragen zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.
9.10.3.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de curator worden begroot op:
– explootkosten € 199,12
– griffierecht € 885,-
– salaris advocaat (2 punten x tarief III € 579,-) € 1.158,-
totaal € 2.242,12
9.10.4.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de curator worden begroot op:
– explootkosten € 200,32
– griffierecht € 716,-
– salaris advocaat (4 punten x tarief IV € 1.959,-) € 7.836,-
totaal € 8.752,32
10. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/320204/ HA ZA 16-627 gewezen vonnis van 15 maart 2017;
opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk tot betaling aan de stichting van een bedrag van € 71.540,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 26 april 2016 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de curator op € 2.242,12 in eerste aanleg en op € 8.752,32 in hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, E.H. Schulten en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juni 2019.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 11‑12‑2018
Inhoudsindicatie
faillissement stichting (primair onderwijs); aansprakelijkheid van bestuurders op grond van artikel 2:9 BW jegens stichting voor onbehoorlijk bestuur wegens aangaan van financiële verplichtingen namens de stichting waarvan voorzienbaar was dat deze niet door toereikende inkomsten van de stichting zouden kunnen worden gedekt; aansprakelijkheid van feitelijk bestuurder / medebeleidsbepaler jegens stichting op grond van artikel 6:162 BW; beroep op matiging.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.218.097/01
arrest van 11 december 2018
in de zaak van
mr. [curator] q.q., i.z.h.v. curator in het faillissement van
de Stichting [stichting 1],
kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als de curator,
advocaat: mr. A.J.C.L. Pals-Rubbens te Breda ,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 1,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,
advocaat: mr. J.M. van Gool,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 2,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. P.A. Visser,
3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 3,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 3] ,
advocaat: mr. D.D. Versluis ,
4. [geïntimeerde 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde sub 4,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 4] , en gezamenlijk met [geïntimeerde 2] als [geïntimeerde 4] c.s.,
advocaat: mr. P.A. Visser,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 mei 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , onder zaaknummer C/02/320204/ HA ZA 16-627 gewezen vonnis van 15 maart 2017. Het hof zal de nummering van het tussenarrest hierna voortzetten.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 29 mei 2018 waarbij het hof een datum voor pleidooi heeft bepaald;
- -
de bij brieven van 28 september 2018 en 1 oktober 2018 door de curator toegezonden producties 71 tot en met 87, die bij het pleidooi in het geding zijn gebracht;
- -
het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
[geïntimeerde 4] c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen door de curator, als productie 59, van de aantekeningen die de advocaat van de curator ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft opgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat deze aantekeningen geen deel uitmaken van de processtukken van de eerste aanleg, maar zij twisten over de vraag in hoeverre de inhoud van deze aantekeningen tijdens de comparitie naar voren is gebracht. Het hof ziet hierin geen grond om deze productie geen deel te laten uitmaken van de gedingstukken in hoger beroep.
Bij faxbericht van 15 oktober 2018 en op de zitting van 16 oktober 2018 heeft de curator verzocht productie 88 in het geding te mogen brengen, die – gelet op het bepaalde in het landelijk rolreglement – op voorhand niet tijdig is toegezonden. Tegen toelating van deze productie hebben geïntimeerden bezwaar gemaakt. Gelet op het tijdstip van toezending en de aard van de productie, heeft het hof deze geweigerd zodat deze geen deel uitmaakt van de gedingstukken.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
6. De beoordeling
De feiten
6.1.1.
In rechtsoverweging 3.1. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grieven 1 en 1.1 tot en met 1.7 wordt deze vaststelling deels bestreden. Het hof zal thans deze grieven en nog enkele andere feitelijke kwesties bespreken en daarna, met inachtneming van zijn oordelen hieromtrent, de in hoger beroep vaststaande feiten weergeven.
6.1.2.
Grieven 1.1 en 1.2 zijn gericht tegen vaststellingen van de rechtbank in rechtsoverweging 3.1. sub a. en b. Deze vaststellingen zijn, zoals hierna zal blijken bij de behandeling van grieven 3, 4 en 5, niet relevant voor de beoordeling in hoger beroep, zodat de curator geen belang heeft bij behandeling van deze grieven.
6.1.3.
Grief 1.3 is gericht tegen rechtsoverweging 3.1. sub f. van het bestreden vonnis. De curator stelt dat de gemeenteraad van de gemeente [plaats] de aanvraag van de Stichting [stichting 2] voor opname van haar school in het plan van scholen van de gemeente heeft afgewezen omdat het bestuur geen prognose van het te verwachten aantal leerlingen en geen beschrijving van het voedingsgebied heeft ingediend, geen plaats heeft genoemd waar het onderwijs moet worden gegeven, geen beschrijving heeft gegeven van de bevolking en de te verwachten in- en uitstroom in het voedingsgebied van 0 tot en met 14 jaar en het aantal levendgeborenen, en tot slot geen belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente heeft benoemd, en daarmee niet heeft aangetoond dat de stichtingsnorm voor een school voor primair onderwijs in [plaats] van 257 leerlingen zal worden gehaald. Geïntimeerden hebben dit niet betwist, zodat grief 1.3. slaagt en het hof dit in zoverre zal aanpassen in het hierna volgende feitenoverzicht.
6.1.4.
Grief 1.4 is gericht de vaststelling in rechtsoverweging 3.1. sub f. van het bestreden vonnis dat via [concept] ( [concept] ) is getracht om voor de [stichting 2] een experimenteerstatus te verkrijgen om per 1 januari 2014 een bekostiging te ontvangen. Wat in dit verband is aangevoerd in (de toelichting op) grief 1.4 zal gezamenlijk worden behandeld met grieven 3, 4 en 5.
6.1.5.
Grief 1.5 is gericht tegen de volgende vaststelling in rechtsoverweging 3.1. sub k. van het bestreden vonnis: “Op basis van de Businesscase heeft Rabobank [plaats] op 13 augustus 2013 aan de [stichting 2] een financieringsvoorstel gedaan dat door de stichting is geaccepteerd. Rabobank [plaats] heeft op grond hiervan een krediet verstrekt van € 50.000,-.” De curator stelt onder meer dat geen sprake is geweest van een krediet maar van een bankgarantiefaciliteit. Nu geïntimeerden dit niet hebben betwist, slaagt grief 1.5. in zoverre en zal het hof deze vaststelling in deze zin aanpassen in het hierna volgende feitenoverzicht. Grief 1.5. zal voor het overige gezamenlijk worden behandeld met grieven 3, 4 en 5.
6.1.6.
Grief 1.6. is gericht tegen de vaststelling van de rechtbank in rechtsoverweging 3.1. sub n. dat de onderwijsinspectie op 5 november 2013 een positief rapport heeft uitgebracht over de school. Deze vaststelling is, zoals hierna zal blijken, niet relevant voor de beoordeling in hoger beroep, zodat de curator geen belang heeft bij behandeling van deze grief.
6.1.7.
Grief 1.7. is gericht tegen de vaststellingen van de rechtbank in rechtsoverweging 3.1. sub q. en sub u. dat besprekingen hebben plaatsgevonden tussen de Stichting [stichting 1] en Stichting [stichting 3] over een samenwerking/fusie en een concept fusieplan is opgesteld, en dat de Stichting [stichting 3] heeft afgezien van een samenwerking/fusie naar aanleiding van een publicatie in [nieuwsblad] . Wat in dit verband is aangevoerd in (de toelichting op) grief 1.7 zal gezamenlijk worden behandeld met grieven 3, 4 en 5.
6.1.8.
Ten aanzien van rechtsoverweging 3.1. sub h. van het bestreden vonnis overweegt het hof dat de rechtbank met de “Businesscase schooljaar 2012-2013” kennelijk bedoeld heeft de “Businesscase schooljaar 2013-2014”, aangezien dit de enige business case is die volgens partijen voorafgaand aan de start van de school is opgesteld.
6.1.9.
Ten aanzien van rechtsoverweging 3.1. sub p. waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat “de statutaire naam van de [stichting 2] ” is gewijzigd in “Stichting Primair Onderwijs [stichting 1] ” overweegt het hof dat de rechtbank hiermee kennelijk heeft bedoeld dat de statutaire naam van de Stichting [stichting 2] is gewijzigd in Stichting [stichting 1] zoals vervolgens ook is gesteld, en niet althans onvoldoende gemotiveerd is betwist, in de toelichting op grief 1 (memorie van grieven, par. 10, sub 85, productie 64).
6.1.10.
Met inachtneming hiervan zal het hof zal een nieuw overzicht geven van de vaststaande feiten voor zover in hoger beroep van belang.
a) In 2012 is [geïntimeerde 4] begonnen met het stichten van een basisschool in [plaats] waarbij het concept van de zogenaamde [stichting 2] -scholen is gehanteerd. Kinderen krijgen daarbij kort gezegd een iPad en meer vrijheid hun eigen lesprogramma samen te stellen. Dit concept, later [concept] genoemd, is in Nederland ontwikkeld door [naam] .
b) Op 18 januari 2013 is de Stichting [stichting 2] (hierna: de stichting) opgericht.
c) [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] zijn tot bestuurders van de stichting benoemd. Zij hadden respectievelijk de functie van voorzitter, (tijdelijk) penningmeester en secretaris. [geïntimeerde 4] is als directeur van de door de stichting gehouden [stichting 2] (hierna: de school) aangesteld.
d) [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] hebben hun werkzaamheden onbezoldigd verricht.
e) [geïntimeerde 4] heeft een aanvraag voor subsidie bij de gemeente [plaats] ingediend teneinde in het Plan van Scholen 2014-2017 opgenomen te worden en in aanmerking te komen voor rijksbekostiging in de zin van artikel 79 van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO). Deze aanvraag is door de gemeenteraad van de gemeente [plaats] afgewezen omdat de aanvraag niet voldeed aan de wettelijke vereisten, aangezien het bestuur geen prognose van het te verwachten aantal leerlingen en geen beschrijving van het voedingsgebied heeft ingediend, geen plaats heeft genoemd waar het onderwijs moet worden gegeven, geen beschrijving heeft gegeven van de bevolking en de te verwachten in- en uitstroom in het voedingsgebied van kinderen van 0 tot en met 14 jaar en het aantal levendgeborenen, en tot slot geen belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente heeft benoemd, en daarmee niet heeft aangetoond dat de stichtingsnorm voor een school voor primair onderwijs in [plaats] van 257 leerlingen zal worden gehaald.
f) Via [concept] is tevens getracht om voor de School de experimenteerstatus op basis van de Wet Innovatieve experimenteerruimte onderwijs te verkrijgen.
g) Voorafgaand aan de start van de School heeft het bestuur van de school de “Businesscase schooljaar 2013-2014” (hierna: de business case) opgesteld.
h) De school is op 12 augustus 2013 gestart.
i) De vrijwillige ouderbijdrage bedroeg € 165,- per jaar.
j) Rabobank [plaats] heeft op 13 augustus 2013 een financieringsvoorstel gedaan dat door de stichting is geaccepteerd. Rabobank heeft op grond hiervan een bankgarantiefaciliteit verstrekt van € 50.000,-. Door Rabobank [plaats] zijn geen (persoonlijke) zekerheden bedongen.
k) Op 26 augustus 2013 heeft [naam] meegedeeld dat de school geen experimenteerstatus zou verkrijgen.
l) [geïntimeerde 3] heeft op 1 oktober 2013 zijn functie als penningmeester van het bestuur van de stichting beëindigd.
m) In januari 2014 hebben [naam] en [concept] hun steun aan de school ingetrokken.
n) Dit heeft geresulteerd in een statutenwijziging waarbij de statutaire naam van de stichting is gewijzigd in Stichting [stichting 1] .
o) Het bestuur van de stichting heeft op 19 maart 2014 een schriftelijke overeenkomst gesloten met bureau Subsidiefonds, gespecialiseerd in het onderkennen van subsidiemogelijkheden en het aanvragen/begeleiden daarvan.
p) De stichting is op eigen aangifte op 13 mei 2014 in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator in zijn hoedanigheid.
Het geschil in eerste aanleg
6.2.1.
In deze procedure heeft de curator, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden om aan de curator, in zijn hoedanigheid, te betalen:
a. een bedrag gelijk aan het bedrag van de in het faillissement van de stichting ingediende en ter verificatievergadering erkende vorderingen en boedelschulden, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten in dat faillissement kunnen worden voldaan, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
b. een voorschot van € 40.000,- op het onder a. genoemde boedeltekort; en
de proceskosten.
6.2.2.
Aan deze vordering heeft de curator ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] als bestuurders en [geïntimeerde 4] als feitelijk beleidsbepaler op grond van artikel 2:9 BW en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk zijn voor de schade die de stichting heeft geleden doordat zij de stichting onbehoorlijk hebben bestuurd althans op die wijze onrechtmatig hebben gehandeld jegens de stichting. De curator stelt daartoe dat geïntimeerden verplichtingen zijn aangegaan waarvan bij gebrek aan inkomsten voorzienbaar was dat deze niet konden worden nagekomen. De schade die de stichting heeft geleden, is gelijk aan het boedeltekort omdat geïntimeerden alle in het faillissement ingediende schulden te kwader trouw zijn aangegaan. De schade bestaat daarnaast uit de faillissementskosten.
6.2.3.
Geïntimeerden hebben verweer gevoerd.
6.2.4.
In het eindvonnis van 15 maart 2017 heeft de rechtbank de vorderingen van de curator afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
Het geschil in hoger beroep
6.3.1.
De curator heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd, deels onderverdeeld in zogenaamde ‘subgrieven’. De curator heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, na wijziging van de eis, hoofdelijke veroordeling gevorderd van geïntimeerden tot betaling van:
a. een bedrag gelijk aan het bedrag van de in het faillissement van de stichting ingediende en ter verificatievergadering erkende vorderingen en boedelschulden, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten in dat faillissement kunnen worden voldaan, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans een door het hof te bepalen bedrag;
b. een voorschot van € 100.000,- op de onder a. genoemde vordering althans een door het hof te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente; en
de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
Geïntimeerden hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
6.3.2.
Grief 2 is gericht tegen de weergave door de rechtbank van de grondslag van de vordering van de curator. Het hof is echter van oordeel dat deze weergave juist is. Reeds daarom faalt grief 2.
6.3.3.
Grief 4 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestuur van de stichting een onvoldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen om tot aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur te concluderen, en dat van onrechtmatig handelen evenmin sprake is. Grief 3 is gericht tegen de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Grieven 1, 1.4, 1.5 en 1.7 zijn gericht tegen een aantal door de rechtbank ten behoeve van deze beoordeling vastgestelde feiten (welke hiervoor deels reeds door het hof besproken zijn). Ten slotte stelt grief 5 de vraag aan de orde of [geïntimeerde 4] feitelijk beleidsbepaler was en op grond van onbehoorlijk bestuur dan wel onrechtmatige daad aansprakelijk is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling, waarbij het hof eerst zal beoordelen of [geïntimeerde 4] kan worden aangemerkt als feitelijk bestuurder.
Feitelijk bestuurderschap [geïntimeerde 4]
6.4.1.
De curator stelt dat [geïntimeerde 4] als feitelijk bestuurder of medebeleidsbepaler op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de schade die de stichting heeft geleden als gevolg van de gestelde onbehoorlijke taakvervulling en/of onrechtmatig handelen door het bestuur.
[geïntimeerde 4] betwist dat hij als feitelijk bestuurder heeft opgetreden of het beleid (mede) heeft bepaald, al dan niet door terzijdestelling van de formele bestuurders. Hij was slechts onbezoldigd schoolleider en heeft hij zich op basis van het aan hem door het bestuur verstrekte mandaat beziggehouden met de uitvoering van het schoolbeleid. Partijen hebben nimmer beoogd dat [geïntimeerde 4] zou fungeren als bestuurder, aldus [geïntimeerde 4] .
6.4.2.
Het hof stelt voorop dat de curator, anders dan [geïntimeerde 4] heeft aangevoerd, al in de memorie van grieven heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 4] als feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad (memorie van grieven, par. 135), zodat geen sprake is van een nieuwe grief die pas bij pleidooi in hoger beroep zou zijn aangevoerd.
Het hof overweegt verder dat het hier gaat om de eventuele – interne – aansprakelijkheid van bestuurders van een stichting jegens die stichting. Anders dan de artikelen 2:138 en 2:248 BW bepalen ten aanzien van kennelijk onbehoorlijk bestuur, voorziet artikel 2:9 BW voor haar toepassing niet in gelijkstelling van een feitelijk bestuurder met een formele bestuurder. Niettemin kan ook een feitelijk bestuurder aansprakelijk worden gehouden op grond van art. 6:162 BW, maar dat is dan op grond van alle concrete omstandigheden van het geval ten aanzien van zijn handelen of nalaten, en niet louter op grond van een gesteld feitelijk bestuurderschap. Ten aanzien van de toerekening van onrechtmatig handelen of nalaten aan een feitelijk bestuurder hanteert het hof evenwel dezelfde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel als ware hij formeel bestuurder geweest, namelijk dat hem van dat handelen of nalaten een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. De omstandigheid dat een feitelijk bestuurder niet als bestuurder is benoemd, rechtvaardigt immers niet dat hij wat betreft de aansprakelijkheidsdrempel in een nadeliger positie zou verkeren dan wanneer hij wél als zodanig zou zijn benoemd. Wat betreft het gestelde feitelijk bestuurderschap van [geïntimeerde 4] overweegt het hof als volgt.
6.4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het idee voor het stichten van de school afkomstig is van [geïntimeerde 4] . Evenmin is in geschil dat [geïntimeerde 4] , al dan niet gezamenlijk met [geïntimeerde 1] , de contacten met de gemeente [plaats] heeft onderhouden over het stichten van de school en de aanvraag voor opname in het plan van scholen. Op het moment dat bleek dat burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] de gemeenteraad adviseerden de aanvraag af te wijzen, heeft [geïntimeerde 4] het initiatief genomen om in te spreken bij de vergadering van (de commissie van) de gemeenteraad waarin de aanvraag zou worden besproken. Blijkens de inspraaknotitie heeft [geïntimeerde 4] zich daarbij geafficheerd als initiatiefnemer van de school. Verder blijkt uit e-mails van [geïntimeerde 4] dat hij, vanwege de uitblijvende positieve respons van de gemeente [plaats] , tevens contact heeft gelegd met Tweede Kamerleden en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met het doel om steun te verwerven voor de school. Ook voor [concept] was [geïntimeerde 4] de gesprekspartner. Naar het oordeel van het hof gaat het hier steeds om contacten en initiatieven die van strategische betekenis zijn geweest voor de stichting en de school. Uit de desbetreffende e-mails van [geïntimeerde 4] , en zijn berichten daarover aan het bestuur van de stichting, volgt bovendien dat [geïntimeerde 4] hierbij niet slechts als woordvoerder van de stichting heeft opgetreden of anderszins alleen besluiten van het bestuur heeft uitgevoerd, maar dat het initiatief tot het ontplooien van deze voor de toekomst van de school belangrijke activiteiten voornamelijk bij hem heeft gelegen.
6.4.4.
Ook de business case is door [geïntimeerde 4] opgesteld, zoals hij bij pleidooi in hoger beroep heeft bevestigd. Deze business case – die in de ik-vorm is geschreven – bevat voornamelijk een overzicht van de activiteiten die [geïntimeerde 4] heeft ondernomen ter ontwikkeling van de school, en de visie van [geïntimeerde 4] op richting en inhoud van het onderwijsconcept alsook de wijze van financiering van de school. Weliswaar is de business case vastgesteld c.q. goedgekeurd door het bestuur, maar dat doet er niet aan af dat juist de business case bevestigt dat [geïntimeerde 4] een bepalende invloed heeft gehad op de totstandkoming van het beleid van de stichting ten aanzien van de oprichting en de activiteiten van de school, en de financiering daarvan.
6.4.5.
[geïntimeerde 4] heeft voorts niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist de stelling van de curator dat hij betrokken is geweest bij vrijwel elke belangrijke beslissing of overeenkomst die namens de stichting is gesloten. Verder heeft [geïntimeerde 4] niet betwist dat, op zijn eigen aanvraag, een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering voor hem is afgesloten.
6.4.6.
Ten slotte heeft de echtgenote van [geïntimeerde 4] hem samen met de formele bestuurders bij Rabobank opgegeven als uiteindelijk belanghebbende van de stichting, waarmee volgens de instructies van Rabobank naast personen met stemrecht moet worden verstaan personen die een gelijkwaardige controle uitoefenen over de organisatie en onder meer in staat zijn strategische beslissingen te beïnvloeden. Dat [geïntimeerde 4] volgens [geïntimeerde 3] in feite de man was die alle beslissingen nam, welke stelling de curator heeft overgenomen, is door [geïntimeerde 4] niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.
6.4.7.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat [geïntimeerde 4] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat hij als feitelijk bestuurder het beleid van de stichting mede heeft bepaald en dat hij van meet af aan binnen de stichting een positie heeft bekleed waarin hij in feite een beslissingsmacht kon uitoefenen en heeft uitgeoefend die gelijkwaardig is aan die van een formele bestuurder. Dat het aan hem verleende mandaat niet in deze mate van betrokkenheid bij het beleid heeft voorzien, is daarbij niet relevant. Hetzelfde geldt voor het feit dat hij zijn werkzaamheden (overigens net als de formele bestuurders) onbezoldigd heeft verricht. Het hof neemt het feit dat [geïntimeerde 4] deze positie binnen de stichting heeft gehad in aanmerking bij de beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van [geïntimeerde 4] op grond van artikel 6:162 BW. Het bestuur en [geïntimeerde 4] zullen hierna (ten behoeve van de leesbaarheid) gezamenlijk worden aangeduid als het bestuur c.s.
Onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW) en onrechtmatig handelen (6:162 BW)
6.5.1.
Aan de meest verstrekkende betwisting van [geïntimeerde 3] , namelijk dat hij geen bestuurder is geweest van Stichting [stichting 1] omdat dit een andere stichting zou zijn dan de Stichting [stichting 2] , gaat het hof voorbij als zijnde onvoldoende onderbouwd. Uit de statutenwijziging die de curator heeft overgelegd volgt immers dat slechts de naam van de Stichting [stichting 2] is gewijzigd in “Stichting [stichting 1] ” en niet dat de Stichting [stichting 1] een andere stichting is.
6.5.2.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 2:9 lid 1 BW elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur is op voet van artikel 2:9 BW vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Deze maatstaf voor aansprakelijkheid vindt ook toepassing bij beoordeling van de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad die is begaan door een bestuurder bij de vervulling van zijn taak (HR 2 maart 2007, NJ 2007/240 (Holding Nutsbedrijf Westland), ECLI:NL:HR:2007:AZ3535 (https://www.navigator.nl/document/id24220070302c05336hradmusp?anchor=id-fb669299-441f-4635-b0d0-bd5d7b3ad361)).
6.5.3.
De onbehoorlijke taakvervulling en het onrechtmatig handelen van het bestuur c.s. bestaat volgens de curator in essentie uit het namens de stichting aangaan van financiële verplichtingen waarvan bij gebrek aan zekerheid of reëel zicht op voldoende inkomsten voorzienbaar was dat deze niet konden worden nagekomen.
6.5.4.
In de eerste plaats stelt de curator daartoe dat het bestuur c.s. in mei 2013 wist of behoorde te weten dat de school niet in aanmerking zou komen voor rijksbekostiging via opname in het plan van scholen van de gemeente.
Het bestuur c.s. voert aan dat het van plan was een nieuwe aanvraag voor opname in het plan van scholen als bedoeld in artikel 75 WPO in te dienen na inwerkingtreding van het nieuwe artikel 75 lid 2 WPO per 1 januari 2014. Volgens dit nieuwe artikellid dienen burgemeester en wethouders bij de gemeenteraad een voorstel in tot opname van een openbare school in het plan van scholen als, kort gezegd, minimaal 50 ouders verklaren behoefte te hebben aan een dergelijke school.
6.5.5.
Het hof stelt voorop dat, anders dan [geïntimeerde 4] c.s. en [geïntimeerde 3] hebben aangevoerd, het feit dat de curator bij pleidooi in hoger beroep heeft gereageerd op wat het bestuur c.s. in de memories van antwoord heeft aangevoerd over het nieuwe artikel 75 lid 2 WPO niet maakt dat daarmee sprake is van een nieuwe grief. De stelling dat het bestuur c.s. wist of behoorde te weten dat de school niet in aanmerking zou komen voor rijksbekostiging via opname in het plan van scholen – onder meer op grond van artikel 75 WPO – heeft de curator immers al in de memorie van grieven ingenomen (memorie van grieven, par. 12A en in de toelichting op grief 3).
Het hof overweegt verder als volgt. Vaststaat dat het bestuur c.s. in mei 2013 door de gemeente [plaats] ervan op de hoogte is gesteld dat de aanvraag voor opname in het plan van scholen, teneinde in aanmerking te komen voor rijksbekostiging in de zin van artikel 79 van de WPO, zou worden afgewezen vanwege het ontbreken van de wettelijk vereiste gegevens (hierboven genoemd in 6.1.10. sub e.) waaronder een prognose van het te verwachten aantal leerlingen. Partijen verschillen van mening over onder meer de vraag of de stichting op basis van plaatsing van de school als openbare school op het plan van scholen in aanmerking had kunnen komen (om op die manier aanspraak te kunnen maken op rijksbekostiging). Tussen partijen is echter niet in geschil, gelet op hun bevestiging daarvan bij pleidooi in hoger beroep, dat een eventuele succesvolle hernieuwde aanvraag in elk geval niet vóór het schooljaar 2014/2015, dat wil zeggen niet vóór 1 augustus 2014, tot daadwerkelijke bekostiging had kunnen leiden. Voor zover het bestuur c.s. heeft betoogd dat het vertrouwen heeft bestaan dat dit tot bekostiging per 1 januari 2014 zou leiden, is dit onvoldoende onderbouwd nu niet is toegelicht waaraan dat vertrouwen concreet werd ontleend. De business case voor het schooljaar 2013-2014, die in april of mei 2013 is opgesteld, houdt overigens ook geen rekening met inkomsten uit rijksbekostiging.
Het hof is daarom van oordeel dat vaststaat dat het bestuur c.s. in mei 2013 wist dat de stichting in elk geval tot het schooljaar 2014/2015 geen aanspraak kon maken op rijksbekostiging op basis van opname in het plan van scholen van de gemeente [plaats] .
6.5.6.
Wat betreft (rijks)bekostiging hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] voorts aangevoerd dat zij ervan uitgingen dat de school in aanmerking zou komen voor toekenning van een ‘experimenteerstatus’ op basis van de Wet Innovatieve experimenteerruimte onderwijs, waarbij per 1 januari 2013 artikel 176k is ingevoerd in de WPO. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] heeft deze verwachting in elk geval bestaan totdat [naam] op 26 augustus 2013 aan het bestuur c.s. berichtte dat de school geen deel meer uitmaakte van een gezamenlijke aanvraag van een experimenteerstatus door [concept] .
De curator weerspreekt dat toekenning van een experimenteerstatus krachtens artikel 176k WPO had kunnen leiden tot bekostiging, althans dat het bestuur c.s. daarop heeft mogen vertrouwen.
6.5.7.
Het hof stelt voorop dat artikel 176k WPO slechts voorziet in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur af te wijken van bepaalde regels van de WPO, wat voor het eerst is gebeurd met het Besluit experiment regelluwe scholen PO/VO van 9 november 2015 dat op 1 januari 2016 in werking is getreden. In het licht hiervan hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zij in de periode voorafgaand aan het schooljaar 2013/2014 ervan uitgingen dat de school in aanmerking zou komen voor toekenning van een ‘experimenteerstatus’, nog daargelaten dat zij evenmin voldoende hebben onderbouwd waaraan zij de verwachting hebben ontleend dat een eventuele experimenteerstatus krachtens artikel 176k WPO aanspraak op bekostiging zou geven. Voor zover [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben betoogd dat (zij de verwachting hadden dat) toekenning van een experimenteerstatus zou bijdragen aan de kansen van een nieuwe aanvraag tot opname in het plan van scholen, geldt wederom dat dit in elk geval niet gedurende het schooljaar 2013/2014 tot bekostiging had kunnen leiden, zoals overwogen in 6.5.5.
Het bestuur c.s. heeft (tevens) aangevoerd dat de gezamenlijke aanvraag van [concept] geen of niet uitsluitend betrekking had op besluiten die op artikel 176k WPO zouden worden gebaseerd, maar (tevens) op een aanvraag voor subsidie bij – naar het hof begrijpt – de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het bestuur c.s. heeft echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag op grond waarvan een dergelijke subsidie door [concept] zou zijn aangevraagd. Evenmin heeft het bestuur c.s. een verklaring gegeven waarom de stichting, na het teleurstellende bericht van [naam] op 26 augustus 2013, de desbetreffende subsidieaanvraag niet alsnog zelf heeft gedaan. Het hof gaat daarom voorbij aan deze stelling als zijnde onvoldoende onderbouwd.
6.5.8.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat het bestuur van de stichting van meet af aan heeft besloten de school niet te bekostigen met substantiële ouderbijdragen, en slechts een relatief geringe en vrijwillige ouderbijdrage van € 165,- per kind per jaar heeft gerekend. Zelfs bij inschrijving van een behoorlijk aantal kinderen (in de praktijk was slechts sprake van inschrijving van 11 leerlingen bij de start van de school) was te voorzien dat deze bijdrage nooit dekkend kon zijn.
6.5.9.
Gelet op het voorgaande is het hof is van oordeel dat het bestuur c.s. het besluit van begin juni 2013 om met ingang van het nieuwe schooljaar te starten met de school heeft genomen in de wetenschap dat in dat schooljaar niet althans onvoldoende zou kunnen worden beschikt over de gebruikelijke wijze van financiering van de primaire activiteit van de school, te weten het geven van onderwijs, door ofwel bekostiging door de overheid ofwel bekostiging door particuliere ouderbijdragen of een combinatie daarvan. Door ondanks het ontbreken van dergelijke financiering toch te besluiten om met de school van start te gaan en de daarvoor noodzakelijke financiële verplichtingen aan te gaan zoals een huurcontract voor het pand en arbeidscontracten met leerkrachten, heeft het bestuur c.s. naar het oordeel van het hof een onverantwoord groot risico genomen dat de stichting deze financiële verplichtingen niet zou kunnen nakomen.
6.5.10.
Het bestuur c.s. heeft gesteld dat de verwachting bestond dat inkomsten tijdens het schooljaar 2013-2014 konden worden behaald uit kinderopvang en buitenschoolse opvang (hierna gezamenlijk: kinderopvang) en (onder-)verhuur van delen van het pand. In dit verband zijn in de business case inkomsten begroot op in totaal € 220.500,- in het eerste jaar.
De curator heeft weersproken dat het bestuur c.s. heeft mogen vertrouwen op inkomsten uit kinderopvang of verhuur.
6.5.11.
Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat aan (de inkomsten uit) kinderopvang geen (markt)onderzoek naar de behoefte aan kinderopvang ten grondslag heeft gelegen. Verder staat vast dat de stichting in feite geen kinderopvang heeft aangeboden en geen inkomsten uit kinderopvang heeft genoten. Het bestuur c.s. heeft niet althans onvoldoende toegelicht waaraan het de reële verwachting heeft ontleend dat de inkomsten uit kinderopvang zoals begroot in de business case daadwerkelijk zouden worden behaald. Aangezien het hier gaat om inkomsten uit aanvullende activiteiten die niet alleen hoog genoeg moesten zijn om de kosten van de kinderopvang zelf te dekken maar juist ook om de kosten van de primaire activiteit van de school te dekken, had het bovendien op de weg gelegen van het bestuur c.s. om de deugdelijkheid van de business case ook in dit opzicht, gelet op wat de curator heeft aangevoerd, (nader) te onderbouwen. Daarbij valt op dat in de business case wel de inkomsten van de kinderopvang worden vermeld, maar niet de kosten die gepaard gaan met die opvang (zoals personeel en verzorging) zijn opgenomen. Voor zover het bestuur c.s. heeft betoogd dat het (reële) verwachtingen op inkomsten heeft ontleend aan gesprekken over mogelijke samenwerking met kinderopvang [kinderopvang] , overweegt het hof dat het bestuur c.s. niet althans onvoldoende heeft onderbouwd op welke wijze en in welke mate een dergelijke samenwerking had moeten leiden tot de inkomsten in de orde van grootte genoemd in de business case. Immers, gelet op de omzetberekening die is gebaseerd op marktconforme uurtarieven per kind is er in de business case kennelijk vanuit gegaan dat de kinderopvangactiviteiten door de stichting zelf zouden worden ontplooid en niet door een derde.
Wat betreft inkomsten uit (onder)verhuur van het pand, terbeschikkingstelling van een expertisecentrum en het geven van workshops, cursussen en trainingen heeft de curator in de eerste plaats onweersproken gesteld dat het de stichting op grond van de huurovereenkomst niet was toegestaan om het pand geheel of gedeeltelijk aan derden te (onder)verhuren of in gebruik te geven. In de tweede plaats ging het bij de begrote inkomsten uit deze activiteiten – die overigens uiteindelijk niet tot noemenswaardige inkomsten hebben geleid – om een relatief klein bedrag ten opzichte van de begrote uitgaven in de business case.
Op grond hiervan is het hof van oordeel het bestuur c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat zij ten tijde van het besluit om te starten met de school en het aangaan van financiële verplichtingen vanaf begin juni 2013 reële verwachtingen mocht hebben dat de kosten daarvan in voldoende mate konden worden gedekt met inkomsten uit aanvullende activiteiten zoals opgenomen in de business case.
6.5.12.
Het bestuur c.s. heeft verder aangevoerd dat Rabobank op basis van de business case een financiering ter hoogte van € 50.000,- aan de stichting heeft verstrekt (waaruit onder meer het vertrouwen van Rabobank in de plannen van de stichting zou kunnen worden afgeleid, wat weer een argument zou zijn in het voordeel van de stichting).
Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat het bij deze financiering gaat om een bankgarantiefaciliteit ter hoogte van dit bedrag, en dus niet om geld dat de stichting kon gebruiken voor het doen van uitgaven. In zoverre is het feit dat de stichting over deze bankgarantie beschikte dus niet relevant voor de vraag welke inkomsten het bestuur c.s. redelijkerwijs mocht verwachten. Verder is het hof van oordeel dat het afgeven van de bankgarantie door Rabobank – al aangenomen dat dit op basis van de business case is gebeurd – de bestuurders niet ontslaat van hun zelfstandige verplichting tot behoorlijke vervulling van hun taak en, in dat verband, om geen financiële verplichtingen namens de stichting aan te gaan die de financiële draagkracht van de stichting aanmerkelijk te boven gaan.
6.5.13.
Naar het oordeel van het hof is voorts niet relevant de stelling van het bestuur c.s. dat het diverse partijen bereid heeft gevonden een sponsorbijdrage te leveren aan de realisatie van de school in de vorm van het kosteloos leveren van producten en diensten, aangezien dergelijke sponsoring geen inkomsten oplevert en ook niet heeft opgeleverd waarmee de financiële verplichtingen die namens de stichting zijn aangegaan hadden kunnen worden voldaan.
6.5.14.
De stelling van het bestuur c.s. dat het ervoor heeft gezorgd dat de aangegane verplichtingen pas vanaf 1 januari 2014 tot uitgaven zouden leiden, kan naar het oordeel van het hof niet afdoen aan het feit dat bij het aangaan van de verplichtingen er voor het gehele schooljaar 2013/2014 – dus ook na 1 januari 2014 – geen reëel perspectief op inkomsten was.
6.5.15.
Ten slotte heeft het bestuur c.s. aangevoerd dat samenwerking of fusie tussen de stichting en Stichting [stichting 3] had moeten leiden tot bekostiging van de school en toekenning van PGB-budgetten voor leerlingen van de school.
Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de besprekingen tussen beide stichtingen over beoogde samenwerking of fusie – wat daarvan verder ook zij – niet eerder zijn aangevangen dan in 2014 en dus na het aangaan van de financiële verplichtingen in 2013 waar het in deze zaak om gaat. Daarmee is deze beoogde samenwerking of fusie niet relevant voor de beoordeling van het verwijt dat aan het bestuur c.s. door de curator wordt gemaakt dat het deze financiële verplichtingen is aangegaan terwijl op dat moment geen reëel perspectief bestond op voldoende inkomsten ter dekking daarvan. Hetzelfde geldt voor de stelling van [geïntimeerde 1] dat het bestuur actief heeft gezocht naar alternatieve geldstromen zoals ESF-subsidies, en daartoe de business case in februari 2014 heeft bijgesteld.
6.5.16.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het bestuur c.s. vanaf begin juni 2013 namens de stichting financiële verplichtingen is aangegaan terwijl op het moment van aangaan daarvan bekend was dat de school in elk geval in het schooljaar 2013/2014 niet voor bekostiging door de overheid in aanmerking zou komen, en de aangegane verplichtingen wel al in die periode tot grote uitgaven zouden leiden. Inkomsten uit andere bronnen waren bij het aangaan van deze verplichtingen zo zeer onzeker dat het bestuur c.s. daarvan niet de reële verwachting heeft kunnen hebben dat deze in toereikende mate de aangegane financiële verplichtingen zouden dekken. Daarmee was voor het bestuur c.s. voorzienbaar, bij het aangaan van de financiële verplichtingen, dat de stichting deze niet zou kunnen nakomen. Van het bestuur c.s. had in dit opzicht meer inzicht en een grotere zorgvuldigheid verwacht mogen worden, te meer nu bekostiging door de overheid was misgelopen juist vanwege het ontbreken van een leerlingenprognose en de daarmee gepaard gaande onzekerheid over voldoende instroom. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de aard van de activiteiten van de stichting, te weten het verzorgen van primair onderwijs, zich niet verdraagt met het nemen van grote financiële risico’s zoals het bestuur c.s. deze heeft genomen.
6.5.17.
Het hof is daarom van oordeel dat sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur waarvan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW.
6.5.18.
Aan [geïntimeerde 4] kan op dezelfde gronden een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt dat hij heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat het bestuur, waarin hij zelf een voorname rol vervulde als feitelijk bestuurder zoals overwogen in 6.4.7., financiële verplichtingen namens de stichting is aangegaan terwijl op dat moment geen reëel perspectief bestond op toereikende inkomsten ter dekking daarvan. Daarmee heeft [geïntimeerde 4] in strijd gehandeld met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens de stichting, welke onrechtmatig handelen hem kan worden toegerekend.
Disculpatie
6.6.1.
[geïntimeerde 1] heeft een beroep gedaan op disculpatie in de zin van artikel 2:9 lid 2 BW en daartoe onder meer aangevoerd dat hij actief naar sponsors heeft gezocht en zich actief richting crediteuren heeft opgesteld.
Het hof is van oordeel dat de door [geïntimeerde 1] genoemde activiteiten onverlet laten dat het bestuur c.s. de genoemde financiële verplichtingen is aangegaan waarvoor [geïntimeerde 1] als voorzitter van het bestuur volledig verantwoordelijk was. [geïntimeerde 1] heeft niet gesteld, althans onvoldoende onderbouwd, dat hem – gelet op een eventuele taakverdeling of anderszins – geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat deze verplichtingen zijn aangegaan terwijl geen reëel perspectief bestond op toereikende inkomsten. Het beroep op disculpatie is daarom onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
6.6.2.
[geïntimeerde 3] heeft eveneens een beroep gedaan op disculpatie en gesteld dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het onbehoorlijk bestuur en persoonlijk ernstig verwijtbaar handelen voortvloeiende uit het door [geïntimeerde 4] gevoerde beleid. Daartoe heeft [geïntimeerde 3] in de eerste plaats aangevoerd dat hij slechts uit noodzaak en tijdelijk als penningmeester zou deelnemen in het bestuur, en dat zijn kwaliteiten niet lagen op het financiële vlak. Verder fungeerde [geïntimeerde 4] als spin in het web en behoorde het exclusief tot zijn takenpakket om aanspraak te maken op mogelijke subsidies en om op de hoogte te zijn van de relevante onderwijsrechtelijke wetgeving en ontwikkelingen. [geïntimeerde 3] heeft op basis van de informatie van [geïntimeerde 4] over een toegezegde experimenteerstatus ervan uit mogen gaan dat een gedegen basis aanwezig was voor het starten van de school en dat de begroting sluitend was; een zelfstandig onderzoek naar de begroting was niet mogelijk, aldus [geïntimeerde 3] .
6.6.3.
Het hof overweegt dat een bestuurder zich er ter disculpatie van onbehoorlijk bestuur niet op kan beroepen dat hij het inzicht en de bekwaamheid miste die van een bestuurder redelijkerwijs kan worden verwacht. De aanvaarding van de positie als bestuurder – ook al is het voornemen om dat slechts tijdelijk te doen – brengt met zich dat de bestuurder er in deze zin voor in staat dat hij op zijn taak berekend is.
Aan de gestelde exclusieve taak van [geïntimeerde 4] gaat het hof voorbij, nu [geïntimeerde 3] dit onvoldoende heeft onderbouwd door slechts te verwijzen naar diens lidmaatschap van het landelijk partijbestuur van [partij] .
Wat betreft het gestelde vertrouwen op informatie van [geïntimeerde 4] is het hof van oordeel dat [geïntimeerde 3] niet concreet heeft gesteld op basis van welke informatie van [geïntimeerde 4] hij heeft aangenomen dat een experimenteerstatus zou worden verleend en – zoals [geïntimeerde 3] kennelijk heeft aangenomen – dat daaraan aanspraak op bekostiging kon worden ontleend. Wat betreft het gestelde vertrouwen in de deugdelijkheid van de door [geïntimeerde 4] opgestelde begroting miskent [geïntimeerde 3] dat van hem als bestuurder, en zeker als penningmeester, verwacht had mogen worden dat hij zich zelfstandig een oordeel vormde over de mate waarin de stichting over toereikende financiële middelen kon beschikken om de beoogde uitgaven te kunnen doen.
Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde 3] zijn beroep op disculpatie onvoldoende heeft onderbouwd, zodat dit faalt.
Conclusie aansprakelijkheid
6.7.1.
Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] op grond van artikel 2:9 BW en [geïntimeerde 4] op grond van artikel 6:162 BW jegens de stichting aansprakelijk zijn voor de schade die de stichting als gevolg van het onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen heeft geleden. Op grond van artikel 6:102 lid 1 BW zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor deze schade. Ten aanzien van [geïntimeerde 3] geldt dat hij slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade uit onbehoorlijk bestuur in de periode dat hij bestuurder was van de stichting, te weten tot en met 1 oktober 2013.
6.7.2.
Hieruit volgt dat grieven 4 en 5 slagen.
Schade
6.8.1.
De curator stelt dat de schade die de stichting heeft geleden bestaat uit het boedeltekort waaronder de faillissementskosten.
6.8.2.
Wat betreft de faillissementskosten, waaronder het salaris van de curator, is het hof van oordeel dat deze niet kunnen worden aangemerkt als schade die de stichting heeft geleden. Anders dan bij een vordering ex artikel 2:138 of 2:248 BW, op grond waarvan bestuurders jegens de boedel aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het boedeltekort, ligt aan de vordering van de curator in deze zaak aansprakelijkheid van het bestuur c.s. jegens de stichting ten grondslag voor schade die de stichting heeft geleden. Faillissementskosten zoals het salaris van de curator zijn geen kosten die de stichting heeft gemaakt noch kosten die de stichting gehouden is te vergoeden aan de curator of aan derden. Van schade geleden door de stichting is in zoverre dus geen sprake.
6.8.3.
Voor het overige bestaat de schade volgens de curator uit vorderingen van derden op de stichting die resulteren uit financiële verplichtingen die het bestuur c.s. namens de stichting is aangegaan terwijl voorzienbaar was dat de stichting deze niet zou kunnen nakomen (memorie van grieven, par. 15 en 18). De curator heeft primair verwijzing naar de schadestaat gevorderd.
Het bestuur c.s. heeft het bestaan en de omvang van de vorderingen van derden op de stichting, in voornamelijk algemene termen, betwist.
Het hof acht zich vooralsnog in staat de schade in deze procedure te begroten zodat verwijzing naar de schadestaat niet aan de orde is. Daartoe zal eerst de curator in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan en de omvang van de schulden die als gevolg van het onbehoorlijk bestuur en onrechtmatig handelen zijn ontstaan bij akte nader te onderbouwen, waarna het bestuur c.s. in de gelegenheid zal worden gesteld daarop bij akte te reageren en eventuele betwisting daarvan nader te motiveren.
6.8.4.
Wat betreft hetgeen is aangevoerd over de gestelde vorderingen van [derde 1] , Rabobank en [derde 2] overweegt het hof reeds nu als volgt.
In het licht van het verweer van [geïntimeerde 3] heeft de curator vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat de stichting op 5 juni 2013 een financiële verplichting is aangegaan jegens [derde 1] , en dat de gestelde vordering van Rabobank uitsluitend betrekking heeft op geïnde bankgaranties voor financiële verplichtingen die zijn aangegaan in de periode waarin [geïntimeerde 3] deel uitmaakte van het bestuur, te weten tot en met 1 oktober 2013. Voor zover de vordering van Rabobank betrekking heeft op een bankgarantie die [derde 2] heeft geïnd voor schulden die zijn ontstaan op grond van de overeenkomst tussen de stichting en [derde 2] van 10 december 2013 is dat immers niet het geval.
6.8.5.
[geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 2] hebben allen, voornamelijk in algemene termen, een beroep gedaan op matiging van een toe te kennen schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BW. Gelet op het voorgaande zullen zij in de gelegenheid worden gesteld om, bij dezelfde akte waarin zij reageren op de akte van de curator met nadere onderbouwing van de gestelde schade, hun beroep op matiging nader te onderbouwen. Daarin zullen zij tevens antwoord moeten geven op de vraag of en voor welk bedrag hun aansprakelijkheid door verzekering is gedekt. Daarna zal de curator de gelegenheid krijgen om op de nadere onderbouwing van het beroep op matiging bij akte te reageren.
6.9.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
7. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 8 januari 2019 voor akte aan de zijde van de curator met het hiervoor in 6.8.3. vermelde doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, E.H. Schulten en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 december 2018.
griffier rolraadsheer