Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.2.2.4
3.2.2.4 Lidstaataanspralcelijkheid
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397292:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent bijvoorbeeld Jans e.a. 2011, p. 337 e.v.; Craig & De Bárca 2011, p. 241 e.v.; Van der Burg 2009.
HvJEU 24 januari 2012, C-282/10 (Maribel Dominguez), n.n.g., AB 2012, 48, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 43.
HvJEG 8 oktober 1996, gevoegde zaken C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/ 94 (Dillenkofer), Jur. 1996, p. 1-4845, r.o. 21; HvJEG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029; HvJEG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90 (Francovich), Jur. 1991, p.1-5357. In laatstgenoemd arrest zijn slechts twee van de drie criteria terug te vinden.
Jans e.a. 2011, p. 348.
Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 351-352.
Zie artikel 9, derde lid, van de Commissiebeschikking EVF.
HvJEG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029, r.o. 29. Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 344.
HvJEG 8 oktober 1996, gevoegde zaken C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/ 94 (Dillenkofer), Jur. 1996, p.1-4845, r.o. 25. Zie ook HvJEG 4juli 2000, C-352/98 (Bergaderm), Jur. 2000, p. 1-5291, r.o. 43.
HvJEG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029, r.o. 56. Zie ook Jans e.a. 2011, p. 345.
HvJEG 8 oktober 1996, gevoegde zaken C-178/94, C-179/94, C-188/94, C-189/94 en C-190/ 94 (Dillenkofer), Jur. 1996, p. 1-4845, r.o. 25. Zie ook Jans e.a. 2011, p. 345.
Jans e.a. 2011, p. 346.
Jans e.a. 2011, p. 354.
Jans e.a. 2011, p. 354-355. Gehele duidelijkheid bestaat hieromtrent niet. Uit het arrest HvJEG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029 volgt dat de nationale rechter tot taak heeft het causaal verband vast te stellen. In het arrest Brinkmann Tabakfabriken (HvJEG 24 september 1998, C-319/96, Jur. 1998, p. 1-5255) werd door het Hof van Justitie zelf vastgesteld dat geen sprake is van causaal verband. Zie ook Craig & De Bárca 2011, p. 249.
HvJEG 28 juni 2001, C-118/00 (Gervais Larsy), Jur. 2001, p. 1-5063; HvJEG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029, r.o. 32. Zie hieromtrent ook Craig & De Bárca 2011, p. 245.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029. Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 358.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 23 mei 1996, C-5/94 (Hedley Lomas), Jur. 1996, p. 1-2553. Zie ook Jans e.a. 2011, p. 358-359.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 1 juni 1999, C-302/97 (Konle), Jur. 1999, p. 1-3099. Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 364 e.v.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 4 juli 2000, C-424/97 (Haim II), Jur. 2000, p. 1-5123.
HvJEG 30 september 2003, C-224/01 (Ktibler), Jur. 2003, p. 1-10239, AB 2003, 429, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2004/41, m.nt. MC, NJ 2004, 160, m.nt. M.R. Mok, SEW 2004, p. 272-274, m.nt. J.H. Jans. Zie hieromtrent bijvoorbeeld Jans e.a. 2011, p. 359 e.v.; Craig & De Bárca 2011, p. 245-246; Steyger 2010; Widdershoven 2009A, p. 554; Polak 2007, p. 275 e.v.; Widdershoven & Ortlep 2004.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 4 december 2003, C-63/01 (Evans), Jur. 2003, p. 1-14447.
Jans e.a. 2011, p. 371.
Craig & De Bárca 2011, p. 251. Zie omtrent deze beginselen paragraaf 3.7.2.
De derde mogelijkheid op grond waarvan het Europese recht doorwerkt in de nationale rechtsorde is de mogelijkheid om de lidstaat aansprakelijk te stellen voor de schade als gevolg van een schending van het Europese recht.1 Deze mogelijkheid komt pas aan de orde indien Eu-conforme interpretatie en rechtstreekse werking van het Eu-recht niet mogelijk is.2 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat wil sprake zijn van aansprakelijkheid aan drie voorwaarden moet zijn voldaan.3 In de eerste plaats geldt de eis dat de door de lidstaat geschonden norm ertoe strekt om rechten aan particulieren toe te kennen.4 Het lastige daarbij is dat normen in de Europese subsidie-regelgeving in veel gevallen zijn geschreven voor de relatie tussen de lidstaat en de Europese Commissie, en zodoende de rechten van particulieren slechts indirect raken.5 Een voorbeeld biedt de in de Commissiebeschikkingen inzake de migratiefondsen neergelegde verplichting voor de lidstaat om de ingediende subsidieaanvragen op kwaliteit te beoordelen.6
In de tweede plaats moet de schending voldoende gekwalificeerd zijn. Hoewel het uiteindelijk aan de nationale rechter is om te bepalen of sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending, volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat rekening moet worden gehouden met alle relevante aspecten.7 Voor zover het Eu-recht de lidstaat een zekere beoordelingsmarge laat bij de uitvoering van het Eu-recht, moet sprake zijn van een kennelijke en ernstige schending van de grenzen van deze marge.8 In dat kader is van belang de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel van Eu-recht; de omvang van de keuzeruimte/beoordelingsmarge; de vraag of de schending of de veroorzaakte schade opzettelijk is geschied; de vraag of sprake is van een verschoonbare rechtsdwaling en ten slotte de vraag of de Europese instellingen door hun handelwijze hebben bijgedragen aan de schending.9 Bestaat een dergelijke beoordelingsmarge niet, bijvoorbeeld omdat het Hof van Justitie reeds heeft uitgemaakt dat sprake is van een verdragsinbreuk, dan levert de schending als zodanig een voldoende gekwalificeerde schending op.10 De invulling die het Hof in de jurisprudentie heeft gegeven aan het criterium 'voldoende gekwalificeerde schending' komt er in feite op neer dat moet worden bezien of de lidstaat te goeder trouw heeft kunnen menen dat een bepaalde maatregel niet in strijd was met het EUrecht.11
Ten derde dient een rechtstreeks verband te bestaan tussen de schending en de geleden schade. Dit causale verband moet voldoende direct zijn.12 Het is in beginsel aan de nationale rechter om de aanwezigheid van causaal verband vast te stellen.13
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat het beginsel van lidstaataansprakelijkheid geldt voor alle gevallen van schending van het EUrecht door een lidstaat, ongeacht het orgaan van de lidstaat waaraan de schending is toe te rekenen.14 Het betreft in ieder geval, maar niet uitsluitend, de wetgever,15 nationale uitvoeringsorganen,16 waaronder decentrale overheden17 en zelfstandige bestuursorganen,18 en de rechterlijke macht.19 Ook private ondernemingen kunnen aansprakelijk worden gesteld, voor zover zij publiekrechtelijke bevoegdheden uitoefenen.20
De effectuering van het beginsel van lidstaataansprakelijkheid geschiedt door middel van het nationale (proces)recht.21 Dit nationale (proces)recht dient wel te voldoen aan de nog te bespreken beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.22