Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.4.6
1.4.6 Het toetsingskader
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304310:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie het in onderdeel 1.3.2 opgenomen citaat uit de MvT bij het Belastingplan 2007.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 3 oktober 2006, zaak C-475/03 (Banca Populare di Cremona), V-N 2006/52.20.
Zie hierover onder andere Van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, diss., Kluwer, Deventer, 2009, onderdeel 7.4.
John Watson en Kate Garcia, EU VAT and the Rule of Economics, International VAT Monitor, May/June 2009, blz. 191.
Zie ook Van Doesum, t.a.p., onderdeel 7.7.
Een mooi voorbeeld hiervan is terug te vinden in HvJ EG 10 juli 2008, nr. C484/06 (Fiscale eenheid Koninklijke Ahold NV), BNB 2008/282 (noot B.G. van Zadelhoff), ro. 39.
Samengevat beoogt mijn onderzoek inzicht te geven in de ontwikkeling van het aftrekrecht als goederen en diensten niet gebruikt worden voor belaste prestaties in de periode 1968 tot het tijdstip van het afsluiten van dit onderzoek in de Europese regelgeving en in Nederland. Op basis van het aldus verworven inzicht spreek ik aan de hand van een groot aantal casusposities een verwachting uit over de gevolgen van de wijziging van art. 15, lid 1, wet met ingang van 1 januari 2007 voor de Nederlandse btw-praktijk, en in het bijzonder over de met deze wijziging beoogde beperking1 van het aftrekrecht. Daarnaast maak ik een momentopname van de stand van zaken met betrekking tot het aftrekrecht in de andere EU-lidstaten Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Ik hoop daarmee dan een bijdrage te leveren aan de discussie over de gevolgen van de wijziging van art. 15, lid 1, wet en aan de rechtsontwikkeling, die ongetwijfeld nog veel tijd in beslag gaat nemen voordat er een min of meer helder beeld is ontstaan over de gevolgen van de wijziging.
In een aantal van de door mij te bespreken casusposities zal het mogelijk blijken te zijn een eenduidig antwoord te geven op basis van positief recht. In veel gevallen zal dat niet mogelijk zijn en zal ik een antwoord zoeken binnen het toetsingkader dat wordt gevormd door het positieve Europese recht, de wezenlijke kenmerken van het btw-stelsel en de door het Hof van Justitie EU gehanteerde rechtsbeginselen.
Het Hof van Justitie EU heeft al vele malen in zijn arresten de wezenlijke kenmerken van de btw als volgt omschreven2:
Volgens artikel 2 van de Eerste richtlijn berust het gemeenschappelijk btw-stelsel op het beginsel dat tot en met de kleinhandelsfase van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van de goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties dat tijdens het productie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvond.
Bij elke transactie is de btw evenwel slechts verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de btw waarmee de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast; in artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn is de aftrek aldus geregeld, dat de belastingplichtigen de reeds voordien over de goederen of diensten geheven btw in mindering mogen brengen op de door hen verschuldigde btw, zodat in elke fase enkel de toegevoegde waarde wordt belast en de belasting uiteindelijk wordt gedragen door de eindverbruiker.
Dus de btw is een algemene, objectieve belasting (verschuldigd door alle ondernemers ter zake van alle leveringen en diensten), die op een neutrale wijze wordt geheven (ongeacht lengte van productie- en distributieproces) en die beoogt het consumptief verbruik te belasten (de belasting wordt uiteindelijke gedragen door de eindverbruiker).
In onderdeel 2.2 zal ik beschrijven dat bij de keuze door de toenmalige lidstaten van de EEG voor een algemene verbruiksbelasting in de vorm van een btw (dat wil zeggen als een niet-cumulatieve meermalige heffing, een in alle schakels van het productie- en distributieproces geheven belasting op de toegevoegde waarde met aftrek van voorbelasting, resulterend in een gefractioneerde betaling) de neutraliteit een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Conceptueel verzekert immers een dergelijk systeem dat de belastingdruk hetzelfde is ongeacht de lengte van de productie- en distributieketen en ongeacht of de goederen en diensten in het binnen- of buitenland betrokken worden. De gefractioneerde betaling heeft bovendien als groot voordeel dat het incassorisico voor de schatkist gespreid is over alle ondernemers en niet geconcentreerd is bij een veel kleinere groep, zoals het geval is bij een groothandels- of kleinhandelsbelasting.
Ofschoon de neutrale wijze van heffing dus inherent is aan de conceptuele structuur van de btw, zal ik in onderdeel 4.7, als afsluiting van het hoofdstuk waarin ik de relevante Europese jurisprudentie bespreek, laten zien dat neutraliteit ook als (rechts)beginsel dominant aanwezig is in de beslissingen van het Hof van Justitie EU. In alle arresten waarin het Hof van Justitie EU het antwoord op de voorgelegde prejudiciële vraag niet evident kan vinden in het positieve Europese recht, gaat het hof te rade bij de beginselen die ten grondslag liggen aan het positieve recht. In de btw en in het bijzonder bij de aftrek van voorbelasting blijkt dat het neutraliteitsbeginsel het allesoverheersende beginsel is. Met een beroep op het neutraliteitsbeginsel heeft het Hof van Justitie EU bijvoorbeeld beslist dat een eenmaal ontstaan aftrekrecht blijft behouden, ook als de belastingplicht vervalt (zie onderdeel 4.2), dat de btw die drukt op kosten die geen rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met belaste prestaties toch geheel of gedeeltelijk aftrekbaar kan zijn als daardoor recht wordt gedaan aan de beoogde neutraliteit (zie onderdeel 4.4), en dat geen sprake kan zijn van een (fictieve) heffing over een bedrijfsgoed waarvoor geen recht op aftrek van het belastingrestant is ontstaan omdat dat leidt tot dubbele belastingheffing, wat in strijd is met het beginsel van de belastingneutraliteit (zie onderdeel 4.6).
Daarom zal ik de door mij te bespreken casusposities, als het antwoord niet gevonden kan worden in het positieve recht, proberen te beantwoorden binnen het kader dat met name wordt bepaald door toepassing van het neutraliteitsbeginsel in zijn economische dimensie (d.w.z. bijdragend aan het concept van de btw in economische zin) maar ook als bijzondere verschijningsvorm van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.3 Ik denk daarmee ook aan te sluiten bij de werkwijze van het Hof van Justitie EU zoals die treffend wordt omschreven door Watson en Garcia4:
The ECJ clearly recognizes that the legal provisions of the VAT Directives are subservient to the conceptual structure of the tax. Rather than regarding the detailed legal provisions of the Sixth Directive (or now the VAT Directive) as sacred text to be given effect in accordance with the expressed intention of the draftsman, it treats them as the legal delivery mechanism for an economically conceived tax and also as a mechanism which has to comply with various general principles of European law. Where the detailed provisions of the Directives do not deliver the economics or do not follow the principles of the First Directive, they are ruthlesssly corrected by the ECJ.
Uiteindelijk zal in iedere casus een oplossing gevonden moeten worden die enerzijds past binnen het positieve recht maar anderzijds ook recht doet aan doel en strekking van de btw, inhoudende dat de uiteindelijke belasting niet wordt gedragen door de ondernemer in de productie- en distributieketen maar door de eindverbruiker naar evenredigheid van de door hem betaalde prijs.
Als sluitstuk van het toetsingskader noem ik het doelmatigheidsbeginsel.5 In een systeem dat berust op aangifte door de ondernemer zal praktische en doelmatige uitvoerbaarheid altijd een belangrijk criterium zijn.6