Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.1
1.8.1 De hoofdfunctie van de actie tot productie in het formula-proces
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644997:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Vangerow III (1876), p. 639; Lenel (1927), p. 223 e.v. ; Windscheid II (1891), p.706.
D. 10, 4, 9, 5 (Ulpianus): “Quantum autem ad hanc actionem attinet, exhibere est in eadem causa praestare, in qua fuit, cum iudicium acciperetur, ut quis copiam rei habens possit exsequi actione quam destinavit in nullo casu quam intendit laesa, quamvis non de restituendo, sed de exhibendo agatur.”
Windscheid II (1891), p.706.
Inst. 4, 17, 3: “Si ad exhibendum actum fuerit, non sufficit, si exhibeat rem is cum quo actum est, sed opus est, ut etiam causam rei debeat exhibere, id est ut eam causam habeat actor, quam habiturus esset, si, cum primum ad exhibendum egisset, exhibita res fuisset: ideoque si inter moras usucapta sit res a possessore, nihilo minus condemnabitur. praeterea fructuum medii temporis, id est eius quod post acceptum ad exhibendum iudicium ante rem iudicatam intercessit, rationem habere debet iudex. quod si neget is cum quo ad exhibendum actum est in praesenti exhibere se posse et tempus exhibendi causa petat idque sine frustratione postulare videatur, dari et debet, ut tamen caveat, se restituturum: quod si neque statim iussu iudicis rem exhibeat neque postea exhibiturum se caveat, condemnandus est in id quod actoris intererat ab initio rem exhibitam esse.” Bedacht moet worden dat in de tijd van Justinianus het formula-proces reeds lang was afgeschaft. Het onderzoek naar de hoedanigheid van de zaak was echter niet veranderd.
Kaser, RIDA/1967, p. 274.
Kaser, RIDA/1967, p. 268-269. Om de stelling te ondersteunen dat het produceren in iure moest geschieden, verwees Kaser naar de exhibitie-interdicten (D. 43, 5, 3, 9 en D. 43, 29, 3, 8), waarin stond dat het produceren in die interdictenprocedures voor de praetor geschiedde. Dit is echter in mijn ogen een minder sterk argument, aangezien een interdictenprocedure zich altijd voor de praetor afspeelde. In Kaser/Hackl (1996) staat echter dat: “mit ihr [actio ad exhibendum, JCTF] verlangt der Kläger, ohne das dingliche Recht behaupten und beweisen zu müssen, die Vorlage oder Vorführung des Gegenstandes vor Gericht.“ Met “Gericht” wordt hier mijns inziens bedoeld de Gerichtsmagistrat, dat wil zeggen de “praetor.” Dit volgt onder meer uit het gegeven dat Kaser/Hackl in de voetnoot verwijzen naar het artikel van Kaser in RIDA/1967, waarin expliciet staat vermeld dat men in iure diende te produceren. Ook in Kaser (1971), p. 434, spreekt Kaser van “Vorlegung oder Vorführung des Gegenstandes vor den Prätor.”
Kaser/Hackl (1996), p. 105; Windscheid II (1891), p. 707.
In het formula-proces was de aanwezigheid van de zaak in de procedure in iure geen vereiste meer om een zakelijke actie toegewezen te krijgen. Waarom zou de eiser dan nog de actio ad exhibendum gebruiken, indien hij ook zonder de zaak vastgepakt te hebben toch “de hand” kon leggen op de zaak. Welke reden blijft er voor het bestaansrecht van de actio ad exhibendum over? Die moet men onder andere zoeken in de mogelijkheid om een zaak waarop de eiser een recht meende te hebben, te onderzoeken of te identificeren.1
“Voor wat nu deze actie betreft, wordt onder ‘produceren’ verstaan het voorbrengen van de zaak in dezelfde staat als waarin zij zich bij het aangaan van het proces bevond, om te bereiken dat de eiser toegang tot die zaak heeft en de door hem uitgekozen actie kan instellen zonder dat aan zijn processuele positie in enig opzicht afbreuk gedaan wordt, ook al wordt er niet ter zake van afgifte maar ter zake van productie geprocedeerd.”2
Het produceren van een zaak hield dus in dat de zaak in zo’n verhouding tot iemand werd gebracht, dat deze kennis kon nemen van de identiteit en de hoedanigheid van de zaak.3 Als de identiteit van de zaak was vastgesteld en ook was vastgesteld in welke staat de zaak zich bevond, dan kon vervolgens het proces om de (zakelijke) hoofdactie beginnen. Een voorbeeld. A was in de veronderstelling dat B zijn boek had. A wilde zijn boek revindiceren, maar om er zeker van te zijn dat B zijn boek had, stelde hij de actio ad exhibendum in. A eiste door middel van de actie tot productie de fysieke aanwezigheid van het boek bij het proces. Zo kon hij identificeren of het geproduceerde boek inderdaad zijn zaak was en in welke staat het zich bevond. Dat laatste was eveneens belangrijk. Het was niet voldoende de kale zaak aan te dragen. Dat schrijft Justinianus in zijn Instituten:
“Indien een actie tot productie is ingesteld, is het niet voldoende wanneer de gedaagde de zaak produceert, maar is het nodig dat hij ook alles wat tot de zaak behoort produceert, d.w.z. dat de eiser de zaak krijgt in die rechtstoestand waarin hij haar zou hebben gehad, indien zij onmiddellijk bij het instellen van de actie tot productie zou zijn geproduceerd. Als daarom de zaak intussen door de bezitter door verjaring verkregen is, wordt hij niettemin veroordeeld. Bovendien dienen de vruchten die in de tussentijd, d.w.z. die welke ná het accepteren van de actie tot productie, maar vóór de uitspraak zijn verkregen, door de rechter in de berekening betrokken te worden. Als degene die in de actie tot productie gedaagde is beweert dat hij op dat moment niet kan produceren, en een termijn verzoekt om dat te doen, moet hem die gegeven worden, indien het de rechter voorkomt dat hij erom vraagt zonder opzet om te vertragen, evenwel met de aantekening dat hij zekerheid stelt voor de afgifte. Maar als hij de zaak niet terstond op last van de rechter produceert en evenmin zekerheid stelt dat hij dit naderhand nog zal doen, moet hij veroordeeld worden tot datgene wat het belang van de eiser bij een productie van de zaak van het begin af aan heeft uitgemaakt.”4
De actio ad exhibendum had echter nog een andere, belangrijkere, functie. Niet alleen wilde de eiser met de actie tot productie een zaak identificeren, maar hij wilde vooral de zaak individualiseren. Evenals bij het instellen van de revindicatie, wilde de eiser het object onder gelijksoortige zaken afzonderen.5 Door de zaak (in iure) te individualiseren, vervulde de actio ad exhibendum dezelfde rol als die, welke zij vervulde in de procedures van de legis actiones: namelijk een middel voor de praetor om de gedaagde onder druk te zetten. De gedaagde moest de zaak produceren voor de praetor en niet voor de rechter.6 Voldeed de gedaagde om welke reden dan ook niet aan de eis om te produceren, dan werd hij veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding in geld. Bracht daarentegen de gedaagde de zaak in iure, dan had hij twee mogelijkheden: of hij verdedigde de zaak of hij verdedigde de zaak niet. Sprak de gedaagde de bewering van de eiser tegen, met andere woorden verdedigde hij de zaak, dan begon het proces met betrekking tot de hoofdactie. Verdedigde de gedaagde de zaak echter niet, dan beval de praetor, nog voordat het proces inhoudelijk werd behandeld, dat de eiser de zaak mocht meenemen (duci vel ferri iubere).7