Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.1:9.5.1 Inleiding
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.1
9.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649017:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Dooren 2015, par. 2.2. In dit kader verwijst Van Dooren naar Nass en Nass.
In dat kader wijst hij op HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255. Hij verwijst tevens naar Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-I* 2012, nr. 100. Evenzo: Van Schilfgaarde in zijn noot onder HR 11 april 2014 in NJ 2014/309.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast Nass heeft ook Van Dooren binnen de rechtsfiguur hoofdelijkheid naar mogelijkheden gezocht om 403-problemen het hoofd te bieden. De theorie waarbij slechts sprake is van een vorderingsrecht maar waarbij meerdere schuldeisers zijn, wijst hij van de hand.1 Van Dooren geeft aan dat deze opvatting niet houdbaar is, daar deze opvatting niet strookt met de jurisprudentie van de Hoge Raad,2 waaruit blijkt dat wanneer één van de hoofdelijke vorderingsrechten tenietgaat (de vordering op de dochtervennootschap), het andere (de vordering op de consoliderende rechtspersoon) blijft voortbestaan. Daaruit blijkt dat er twee verschillende vorderingsrechten zijn. Een kritische lezer zou kunnen stellen dat de alternatieve benadering, waarbij het vorderingsrecht niet teniet is gegaan, maar slechts één van de verbintenissen, tevens past. Van Dooren komt met een oplossing die hij heeft geduid als de ‘dynamische 403-vordering’.