Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.4.1
2.4.1 Maatschappelijke achtergronden
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232337:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Al ziet niet iedereen dat zo. Zo schrijft Versteegh: ‘De kans is groot, (…), dat bij het disfunctioneren van de stichting, ontbinding uitblijft. Het gevaar dreigt dat daarmee het vermogen van de stichting in de dode hand komt’, waarmee zij lijkt te suggereren dat (slechts) onbeheerd vermogen, vermogen in de dode hand is, C.R.M. Versteegh, ‘Naar een verbeterde vorm van toezicht op de stichting voor het goede doel?’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2004-3.
In Nederland zouden wij sinds 1992 spreken van onroerende zaken.
Artikel 35 (oud) V&S-wet.
François Moïses, ‘Nieuw stelsel van de v.z.w.’s en de stichtingen: naar een gemeenschappelijk recht voor de vennootschappen en de verenigingen?’, Pacolini N° 136 BIBF - IPCF, 15 februari 2003.
Huussen-de Groot 1976, p. 26.
Parl. St. Kamer 1919-1920, nr. 375 (memorie van toelichting), te kennen uit: Arbitragehof 1 maart 2006, rolnummer 3717, arrest nr. 36/2006, Justel 20060301-8.
Zo verbood Karel V al in 1515 het afzonderen van vermogen in de dode hand als geen sprake is van ‘ghemeynen oorlove, ende consente van ons’, Die tweede additie vander Blijder Incompste des Princen van Spaengnien. 26 april 1515 tot Brugghe, A. Anselmo, Codex Belgicus seu Ius edictale a principibus Belgarum sancitum, Antwerpen 1649, p. 181. Ook te kennen uit: Van Lanschot 1856, p. 80. Waarover ook W.F. van Meurs, Het recht omtrent oprichting van stichtingen hier te lande historisch beschouwd (diss. Groningen), Groningen: Scholtens & Zoon 1888, p. 9 e.v.; Van Gerven 2007, nr. 13. Ook het Franse Edict ‘sur les établissements et les acquisitions des gens de main-morte’ van 1749 kan worden genoemd als voorbeeld in de strijd tegen vermogen in de dode hand. Dit Edict verbood bij uiterste wilsbeschikking een stichting op te richten.
J. Lambert, ‘Het aandeel van de landbouwers in de koop van de nationale goederen in België (1796-1821)’, Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nr. 23, 1969. Voor andere landen lag dit percentage veel hoger. In diezelfde tijd was in Oostenrijk de helft van het grondoppervlak in handen van de Kerk en in Beieren een derde deel, v.Campenhausen in v.Campenhausen/Richter 2014 § 5 Rn 31. In Frankrijk bezat de Kerk net voor de revolutie van 1789 circa 5-10% van de totale landoppervlakte en de adel circa 20%, R.R. Palmer, Joel Colton & Lloyd Kramer, A History of the Modern World, International Edition, nineth editon, New York: 2002, p. 344-346. Maar ook in wat nu Nederland is, waren grote gebieden in handen van de Kerk. Zo was ongeveer een derde deel van de grond in het Gelders rivierengebied in bezit van de Kerk, B.J.P. van Bavel, Transitie en continuïteit. De bezitsverhouding en de plattelands economie in het westelijk gedeelte van het Gelderse rivierengebied, ca. 1300-1570 (werken uitgegeven door Gelre, Vereniging tot beoefening van de Gelderse geschiedenis, oudheidkunde en recht nummer 52), Hilversum: Uitgeverij Verloren z.j. [1998], p. 323. De gevolgen van de reformatie voor het kerkelijk bezit waren zeer groot, zie hierover A.J. Maris, Reformatie der geestelijke goederen in Gelderland. In het bijzonder in het kwartier van Nijmegen (diss. Utrecht), Den Haag: N.V. Drukkerij De Residentie 1939.
Een vergelijkbare bepaling (artikel 947 (oud) BW), kende Nederland tot 1935. In dat jaar is deze bepaling geschrapt in het kader van de crisiswetgeving, Wet van 29 november 1935, Stb. 685. Bij deze wet werd ook artikel 1717 (oud) BW ingetrokken, dat handelende over de machtiging door de Koning voor het aannemen van schenkingen aan ‘openbare of godsdienstige gestichten gedaan’. Helaas ontbreekt het in de Memorie van Toelichting aan een motivering voor de intrekking.
Familiaal Vermogensrecht 2010, nr. 1733.
Wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie (B.S. 24 juli 2017, in werking getreden op 3 augustus 2017), ook aangeduid als Potpourri V, zie hierover Nieuwsbrief Notariaat 2017/19. Voor schenkingen van meer dan € 100.000 onder de levenden is nog steeds machtiging van de minister van Justitie vereist, artikel 11:15 WVV. Voorheen was een en ander opgenomen in artikel 33 in verbinding met artikel 16 V&S-wet. Zie ook Ann Maelfait, ‘Testamentaire beschikkingen burgerrechtelijk en fiscaal bekeken’, in: L. Weyts & C. Castelein (red.), Capita Selecta Notarieel Recht (Leuvense Notariële Geschriften), Leuven: Universitaire Pers Leuven 2006, nr. 84. Voor 2003 was ook voor de handgift machtiging vereist, behoudens in die gevallen waarin de gift gering was in verhouding tot het vermogen van de schenker. Deze regeling werd moeilijk uitvoerbaar geacht. In reactie hierop is elke beperking op de handgift opgeheven, Parl. St. Senaat 2000-2001, nr. 2-283/13, p. 61.
Bij de maatschappelijke achtergronden van de stichting in België kan men niet om de angst voor de dode hand heen. Vermogen in de stichting is voor velen het schoolvoorbeeld van vermogen in de dode hand.1 De beperkingen in de mogelijkheid tot de oprichting van een stichting kan daardoor voor België worden verklaard in het kader van de strijd tegen vermogen in de dode hand.Een instelling van openbaar nut (zoals de stichting in België tot 1 juli 2003 heette) was het verboden onroerende goederen2 in eigendom te hebben of daartoe op andere wijze gerechtigd te zijn, behoudens die onroerende goederen die tot de vervulling van haar opdracht nodig waren.3 Bij de inwerkingtreding van de gewijzigde V&S-wet op 1 juli 2003 is dit algemene verbod afgeschaft.4
Tegen het oprichten van stichtingen, als instituten van de dode hand, bestonden belangrijke bezwaren. Instituten van de dode hand zouden vermogen onttrekken aan het rechtsverkeer voor doelen die niet meer belangrijk worden gevonden. Andere bezwaren waren dat de wettige erfgenamen werden benadeeld5 en dat de staat belastinginkomsten misliep bij de overgang van vermogen.6 Al vroeg bestreed de overheid daarom actief de accumulatie van vermogen in de dode hand.7
Vanuit historisch gezichtspunt is de weerstand tegen vermogen in de dode hand, zeker in katholieke landen, goed te begrijpen. De reden was de omvang van het grondbezit van de Kerk. Zo was tegen het einde van de achttiende eeuw in wat nu België is, ruim tien procent van de totale landoppervlakte in kerkelijke handen.8
De angst voor de dode hand blijkt ook uit andere, ook tegenwoordig nog geldende bepalingen, in de Belgische wetgeving. Zo eist artikel 910 BBW machtiging van de autoriteiten voor het aanvaarden van testamentaire begunstigingen door bepaalde rechtspersonen.9 De goedkeuring kan niet worden ontlopen door een legaat aan een natuurlijk persoon te maken onder de last het gelegateerde geheel of gedeeltelijk aan een rechtspersoon uit te keren.10 Voor de stichting is in 2017 de machtiging voor erfrechtelijke verkrijgingen afgeschaft.11
Ook de taks tot vergoeding van successierechten kan als wapen tegen de dode hand worden beschouwd, net als de wettelijke specialiteit, waarover hierna meer in 8.7.2, respectievelijk 4.3.2.3.