Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/12.4.4
12.4.4 Mogelijke uitbreiding van de reikwijdte van de transparantieverplichting
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Szydlo gaat daarnaast nog in op de vraag wie gebonden is aan de transparantieverplichting, in het bijzonder in hoeverre private partijen gebonden zijn aan deze verplichting. Volgens hem zou het non-discriminatiebeginsel wel horizontaal indirect effect hebben, maar de transparantieverplichting niet (Szydlo, ELR 2009, p. 720-737).
Buijze 2013, p. 287.
Widdershoven 2004, p. 293-327, i.h.b. p. 307-308. Indien de Unierechtelijke transparantieverplichting op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk wordt gemaakt door het nationale recht dan zal het Hof van Justitie zich ook bevoegd achten om deze verplichting uit te leggen in zuiver interne situaties (aldus o.a. HvJ EU 21 december 2011, nr. C-482/10, AB 2012/254, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven).
In dit verband is ook de ontwikkeling van een ‘Europese Awb’ relevant, omdat ‘een Europese wet bestuursprocesrecht een spontane convergentie in het nationale bestuursrecht in de hand kan werken’ (Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie (2012/2024(INI)). Zie ook: Meuwese, RegelMaat 2013, afl. 2, p. 135-139).
ABRvS 26 september 2012, AB 2013/63, m.nt. M.R. Botman.
HvJEU 24 maart 2011, C-400/08, BR 2011/92, m.nt. G. Aarts.
HvJ EU 3 juni 2010, C-203/08, AB 2011/17, m.nt. A. Buijze, JB 2010/171, m.nt. C.J. Wolswinkel en NJ 2010/491, m.nt. M.R. Mok.
Zie de Kabinetsnotitie Stelselwijziging Omgevingsrecht d.d. 9 maart 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3). Voorbeelden van programma’s met een programmatische aanpak zijn het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in de Natuurbeschermingswet 1998.
ABRvS 24 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4872 en ABRvS 9 januari 2013, BR 2013/63, m.nt. A. Drahmann.
ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:200, AB 2014/124, m.nt. A. Drahmann.
Vgl. ABRvS 9 januari 2013, BR 2013/63, m.nt. A. Drahmann en ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:200, AB 2014/124, m.nt. A. Drahmann.
De Unierechtelijke transparantieverplichting heeft een ruime reikwijdte, omdat het rechtstreeks voortvloeit uit het primaire Unierecht. Het speelt daarom een rol bij al het overheidshandelen dat het vrij verkeer van (met name) diensten beperkt door marktdeelnemers uit verschillende lidstaten geen reële mogelijkheid te bieden om mee te dingen. Het kan daarbij gaan om zowel opdrachten, concessies, vergunningen als Europese subsidies.1 Met Buijze ben ik van mening dat de transparantieverplichting van toepassing zal worden – voor zover het niet al het geval is – bij iedere verdeling van schaarse rechten.2 Dat betekent ten eerste een uitbreiding van het beginsel naar zuiver interne situaties en, binnen zuiver interne situaties, naar alle deelgebieden binnen het bestuursrecht, inclusief het omgevingsrecht.
A) Zuiver interne situaties
De Unierechtelijke transparantieverplichting is niet van toepassing in zuiver interne situaties. Het is de vraag of dit wenselijk is. ’Vrijwillige’ adoptie van een Unierechtelijk beginsel kan plaatsvinden als een lidstaat het communautaire beginsel een mooie aanvulling acht, of om te voorkomen dat in de nationale rechtsorde twee varianten van hetzelfde beginsel moeten worden toegepast.3 Gelet op de doelstellingen van de transparantieverplichting, ben ik van mening dat de transparantieverplichting een dergelijke aanvulling van het Nederlandse bestuursrecht zou kunnen zijn. Bovendien bestaat anders het risico dat er een verschil in rechtsbescherming zal ontstaan tussen Unierechtelijke geschillen en nationale geschillen. Dit risico speelt met name bij subsidieverstrekking nu het Hof van Justitie voor Europese subsidieverstrekking al heeft geoordeeld dat de toekenning van subsidies met inachtneming van met name de transparantieverplichting en het beginsel van gelijke behandeling moet geschieden.4 Een laatste voordeel is ten slotte dat de toepassing van de transparantieverplichting in het Nederlandse bestuursrecht niet langer zou worden beheerst door de formele voorvragen of sprake is van een privaatrechtelijke overeenkomst en of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
Op de vraag of toepassing van de transparantieverplichting in het Nederlandse bestuursrecht ook tot materiële wijzigingen in het recht zou leiden, wordt bij de beantwoording van de volgende deelvraag ingegaan.
B) Van vergunningen en subsidies naar andere besluiten: transparant omgevingsrecht
Hiervoor is in het kader van schaarse besluiten met name ingegaan op vergunningen, ontheffingen en subsidies. Als gekeken wordt naar het omgevingsrecht, dan valt op dat er daar andere schaarse besluiten zijn waar ernaar gestreefd wordt de (milieu)gebruiksruimte zo efficiënt mogelijk te verdelen. De transparantieverplichting speelt tot op heden met name een rol in het privaatrechtelijke deel van het omgevingsrecht (gebiedsontwikkeling). Door middel van publiekrechtelijke besluiten kan het bevoegd gezag echter ook het gebruik vergaand reguleren. Zo kan een gemeenteraad door het vaststellen van een bestemmingsplan bepalen welk gebruik waar in het kader van een goede ruimtelijke ordening gewenst dan wel verboden is. Op de vaststelling van een bestemmingsplan is het klassieke aanbestedingsrecht niet van toepassing. Desalniettemin kan een dergelijk besluit wel tot gevolg hebben dat slechts één partij ontwikkelings- of exploitatiemogelijkheden krijgt ten koste van anderen. Hiervoor is al ingegaan op de vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op bestemmingsplanvoorschriften. Met Botman vraag ik mij echter af of de Afdeling niet teveel waarde hecht aan overweging 9 in de considerans van de Dienstenrichtlijn.5 De Dienstenrichtlijn bouwt voort op het vrij verkeer van diensten en vestiging en moet daarom worden uitgelegd in overeenstemming met de artikelen 49 en 56vweu en de rechtspraak van het Hof van Justitie hierover. Zo heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat voorschriften op het terrein van ruimtelijke ordening een beperking van de vrijheid van vestiging kunnen vormen.6 Bovendien volgt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de transparantieverplichting rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht. De transparantieverplichting is een dwingende prealabele voorwaarde van het recht van een lidstaat om aan één ondernemer het exclusieve recht te verlenen om een economische activiteit te verrichten, ongeacht de wijze van selectie van deze ondernemer.7 Als in het omgevingsrecht een besluit wordt genomen dat aan een ondernemer een exclusief recht verleent ten koste van een andere ondernemer, zal de transparantieverplichting in acht moeten worden genomen. De meeste omgevingsrechtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zullen niet een dergelijk recht toekennen. In het omgevingsrecht is echter een stijgende tendens waarneembaar dat plafonds worden ingesteld of exclusieve rechten worden verleend. Hieronder volgen drie omgevingsrechtelijke figuren waar de transparantieverplichting zou kunnen (en indien sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, waarschijnlijk zelfs moeten) worden toegepast:
Programmatische aanpak8
De kern van de programmatische aanpak is dat een pakket wordt vastgesteld met enerzijds maatregelen die ruimte voor ontwikkelingen creëren en anderzijds projecten die ruimte nodig hebben. Zo ontstaat (milieu)gebruiksruimte. Deze (milieu)gebruiksruimte moet worden verdeeld. Deze verdeelregeling zou mijns inziens moeten voldoen aan de transparantieverplichting.
Bestemmingsplannen met een one-in-one-out-regeling9 of zonering10
Op grond van het specialiteitsbeginsel toetst de Afdeling een bestemmingsplan uitsluitend aan ruimtelijk relevante aspecten. Door middel van het maximeren van het aantal vestigingen in het bestemmingsplan wordt de vestiging van nieuwe vestigingen in beginsel onmogelijk gemaakt en dus één partij bevoordeeld ten opzichte van andere partijen. Verdedigbaar is dat deze schaarse (vestigings- of gebruiks)rechten transparant verdeeld moeten worden.
Opvallend is dat bestemmingsplannen soms een koppeling bevatten met decentrale éénvergunningstelsels (exploitatievergunningen).11 In dergelijke gevallen wordt bij (gemeentelijke) verordening bepaald dat het verboden is een bepaalde activiteit te verrichten zonder vergunning en dat slechts een beperkt aantal (exploitatie)vergunningen verleend kan worden. Eén van de weigeringsgronden voor de vergunning is dat de activiteit ook planologisch mogelijk is op grond van het bestemmingsplan.
Geluidszonering
Het zonebeheerplan van de Wet geluidhinder (en in de toekomst de Omgevingswet) zou, mits het een duidelijke juridische status krijgt, kunnen worden benut voor een transparante verdeling van geluidsruimte.
Op basis van het voorgaande kunnen de volgende twee aanbevelingen worden geformuleerd:
Aanbeveling
Het verdient aanbeveling om bij de totstandkoming van de Omgevingswet aandacht te besteden aan de hiervoor geschetste tendens dat in het omgevingsrecht plafonds worden ingesteld of exclusieve rechten worden gevestigd. Als er in de Omgevingswet een regeling komt voor een breder gebruik van de programmatische aanpak, dan zou in de Omgevingswet (of de onderliggende regeling) bepaald kunnen worden dat de ontwikkelingsruimte transparant verdeeld moet worden.
Aanbeveling
Exploitatievergunningen die een sterke koppeling met het bestemmingsplan hebben, zouden onderdeel van de omgevingsvergunning kunnen worden. Bij wettelijk voorschrift (de Omgevingswet in samenhang met een omgevingsverordening) zou een verdeelsysteem kunnen worden geïntroduceerd. Dit verdeelsysteem moet transparant zijn, hetgeen met name betekent dat als er exploitatieruimte beschikbaar komt, dit algemeen bekend moet worden gemaakt en duidelijk moet zijn wie er onder welke voorwaarden voor de vergunning in aanmerking komen. Mocht een dergelijke integratie nog een brug te ver worden gevonden, dan verdient het aanbeveling om de diverse schaarse besluiten in ieder geval gecoördineerd tot stand te laten komen, bijvoorbeeld door gelijktijdige vaststelling van het bestemmingsplan (of verlening van de omgevingsvergunning) en exploitatievergunning.
C) Tussenconclusie
Op basis van het voorgaande kan de volgende algemene aanbeveling worden geformuleerd:
Aanbeveling
Het verdient aanbeveling om de transparantieverplichting ook toe te passen bij zuiver interne situaties. Daarbij kan gedacht worden aan schaarse vergunning- en ontheffingverlening, subsidieverstrekking en bepaalde omgevingsrechtelijke rechtsfiguren.