Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3.2
8.2.3.2 Non-voorraadeis
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395936:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een kritische beschouwing over de non-voorraad eis in de deelnemingsvrijstelling verwijs ik naar J.A.G. van der Geld, De deelnemingsvrijstelling, FM nr. 20, Kluwer, 3e druk, 2011, blz. 74.
Kamerstukken II, 2005-2006, nr. 30572, nr. 3, blz. 55. Zie ook HR, 13 oktober 2006, nr. 42725, BNB 2007/61, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat het aan– en verkopen van een deelneming binnen een hele korte periode niet bepalend is voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. De zaak werd terugverwezen naar het hof dat uiteindelijke bepaalde dat er in deze zaak geen sprake was van een dienstverlening (en dat het resultaat van de doorverkoop van de deelneming onder de deelnemingsvrijstelling viel).
De non-voorraadeis houdt in dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op aandelen in een deelneming die als voorraad wordt gehouden. Van 28 april 1990 tot 1 januari 2007 was de non-voorraadeis - bedoeld ter bestrijding van de handel in kasgeldvennootschappen – expliciet in de wet opgenomen.1 Volgens de staatssecretaris was een wettelijke bepaling niet meer nodig omdat het resultaat op de handel in kasgeldvennootschappen zijns inziens ook zonder non-voorraadbepaling buiten de werkingssfeer van de deelnemingsvrijstelling kan worden gehouden. Het met de transactie behaalde voordeel betreft volgens hem namelijk niet zozeer een vermogensresultaat op aandelen (deelnemingsvoordeel), maar een dienstverleningsvergoeding.2