Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.4.2.1
6.4.2.1 Het beroep op artikel 236 Rv (gezag van gewijsde)
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460801:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Uit HR 1 februari 2002, JOR 2002, 29, r.o. 3.3 (De Vries Robbé Groep, m.nt. Josephus Jitta in JOR 2002, 30) moet naar mijn mening worden afgeleid dat de vennootschap dan wel de curator in haar faillissement niet bevoegd is een verzoek tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW in te dienen. Zie hierover paragraaf 3.3.1.1.
Zie bijvoorbeeld OK 2 november 1995, rekestnr. 104/95 OK, r.o. 4.9-4.12 (Text Lite Holding), waarover paragraaf 6.2.1.1.
Vergelijk HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466, r.o. 7.3 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer), weergegeven in paragraaf 6.2.3.
Aldus OK 16 oktober 2003, ARO 2003, 169, r.o. 3.8 en 3.10 (Laurus) wat betreft de RvC.
Vergelijk paragraaf 6.3.3.2.
Aldus ook Asser 1997, p. 65, naar aanleiding van OK 3 december 1987, rekestnrs. 18/87 OK en 19/87 OK (OGEM Holding).
Zie bijvoorbeeld noot 182.
Ik heb in paragraaf 6.3.2.4 reeds opgemerkt dat de curator exclusief bevoegd is de vordering op grond van art. 2:138(248) BW in te stellen: hij is zowel formele als materiële procespartij en daarmee partij als bedoeld in art. 236 Rv. Ik meen in navolging van Asser dat de curator in de procedure op de voet van art. 2:9 BW eveneens zowel formele als materiële procespartij (en daarmee partij als bedoeld in art. 236 Rv) is: hij oefent een bevoegdheid uit die hem op grond van art 25 Fw zelf toekomt.
Zie voor een fraaie uitwerking van deze voorwaarde Hof Arnhem 2 december 1997, JOR 1998, 42, r.o. 2.11 (Bodam Jachtservice, m.nt. Van den Ingh).
De curator behoeft niet aan te tonen dat er een causale verband is tussen de onbehoorlijke taakvervulling en (de omvang van) het tekort: Wezeman 1998, p. 342 e.v.; Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 329.
Mijns inziens doet deze laatste rechtsvraag niets af aan die onder (a): het is denkbaar dat een bestuurder bewust roekeloos of opzettelijk tekort is geschoten, maar dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij niet anders kon handelen.
Vergelijk de paragrafen 6.3.1, 6.3.2.2 en 6.3.2.3.
Zie bijvoorbeeld OK 19 juni 1997, JOR 1997, 83 (Bobel, m.nt. Van den Ingh), weergegeven in paragraaf 6.2.1.4.
Zie in deze zin Van Solinge in zijn noot (onder 5) in JOR 1999, 142 (onder Hof ’s-Gravenhage 6 april 1999 (Verto)). Vergelijk ook Assink 2005, p. 407.
HR 16 mei 1975, NJ 1976, 465 (m.nt. Heemskerk).
Asser (Rechtsvordering), art. 67 (oud), aant. 8; Beukers 1994, p. 77-78. Vergelijk ook Numann (Rechtsvordering), art. 236, aant. 9
De beschikkingen waarop wordt gedoeld zijn: OK 7 november 1996, rekestnr. 660/96 OK (wanbeleid + voorzieningen), resp. OK 27 maart 1997, rekestnr. 76/97 OK (toewijzing verzoek tot kostenverhaal).
Hof Leeuwarden 2 mei 2001, r.o. 8 (Skipper Club Charter), te kennen uit NJ 2003, 538. Zie over de onderhavige procedure ook Willems 2004, p. 261 e.v..
HR 4 april 2003, NJ 2003, 538, r.o. 3.4 (Skipper Club Charter, m.nt. Maeijer).
209. Art. 2: 355 lid 1 BW versus art. 2: 9 en art. 2: 138(248) lid 1 BW. De vergelijking tussen de procedure ex art. 2: 355 lid 1 BW enerzijds en de procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) lid 1 BW anderzijds voert naar mijn mening tot de slotsom dat doorgaans niet wordt voldaan aan het in art. 236 Rv vervatte vereiste dat in beide gedingen dezelfde partijen tegenover elkaar staan. Immers, de verzoeken tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW kunnen ingevolge art. 2: 355 lid 1 BW onder de daar genoemde voorwaarden worden ingediend door de aandeelhouders, de certificaathouders, de bonden en de advocaat-generaal om redenen van openbaar belang1, terwijl de vennootschap (tegen wie de verzoeken zijn gericht; zij is verweerster) en de bestuurders (ik beperk mij in paragraaf 6.4.2 tot deze personen; zij zijn belanghebbenden) bevoegd zijn verweerschriften in te dienen (art. 282 lid 1 Rv). In termen van art. 236 Rv: partijen zijn in ieder geval de verzoeker(s) en de vennootschap. Mogelijk kunnen ook de bestuurders als partij worden aangemerkt, bijvoorbeeld indien door aandeelhouders is verzocht om vernietiging van dechargebesluiten en hierover ter terechtzitting is gedebatteerd.2 De bestuurders zijn alsdan echter eveneens de tegenpartij van de aandeelhouders. De partijen als bedoeld in art. 236 Rv in de procedures op de voet van art. 2: 9 en art. 2: 138(248) BW zijn daarentegen de vennootschap respectievelijk de curator enerzijds en de bestuurders anderzijds. Verzet het partijbegrip uit art. 236 Rv zich er reeds tegen dat een beroep op het gezag van gewijsde wordt gehonoreerd, hier komt bij dat in de procedure op de voet van art. 2: 355 lid 1 BW vaak ook andere rechtsvragen voorliggen dan in genoemde aansprakelijkheidsprocedures. Ik doel op de gevallen waarin de Ondernemingskamer alleen een oordeel velt over het handelen van de organen. De omstandigheid dat het bestuur (a) verwijtbaar tekort is geschoten in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak en (b) wel in zodanige mate, dat dit als wanbeleid kan worden bestempeld3 respectievelijk dat het wanbeleid hem kan worden toegerekend4, laat mijns inziens onverlet dat een bestuurder zich in een latere aansprakelijkheidsprocedure op de gangbare wijze5 kan disculperen indien de Ondernemingskamer geen aandacht heeft besteed aan zijn afzonderlijke rol en betrokkenheid bij het wanbeleid.6 Het is uiteraard denkbaar dat de Ondernemingskamer zich in het kader van de behandeling van een verzoek tot het treffen van voorzieningen (eveneens) uitlaat over het handelen van individuen.7 Ik kom hier in het volgende tekstnummer op terug.
210. Art. 2: 354 BW versus art. 2: 9 en art. 2: 138(248) lid 1 BW. Uit de vergelijking van de procedure tot kostenverhaal met die op de voet van art. 2: 9 BW blijkt dat dezelfde partijen als bedoeld in art. 236 Rv tegenover elkaar staan, te weten de vennootschap enerzijds en de (afzonderlijke) bestuurders anderzijds. De conclusie is soortgelijk indien de vennootschap reeds is gefailleerd: de curator neemt zowel in de procedure tot kostenverhaal als in die op de voet van art. 2: 9 BW de plaats in van de vennootschap en is in beide procedures – net als uiteraard in de procedure op de voet van art. 2: 138(248) BW – zowel formele als materiële procespartij.8
Ook wat betreft een van de rechtsvragen bestaat mijns inziens gelijkenis tussen de drie genoemde procedures. Ik heb in paragraaf 6.2.2 geconcludeerd dat de Ondernemingskamer in de behandeling van verzoeken tot kostenverhaal – hetzelfde geldt indien zij in het kader van de behandeling van verzoeken tot het treffen van voorzieningen individuele verantwoordelijkheden vaststelt – steeds beziet (a) of de betrokken bestuurder verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van de hem opgedragen taak en zo ja, (b) of dit tekortschieten dermate ernstig is en/of de bestuurder een zodanig aandeel heeft gehad in het wanbeleid c.q. onjuiste beleid, dat dit hem kan worden toegerekend. Beide vragen betreffen naar mijn mening de rechtsbetrekkingen in geschil als bedoeld in art. 236 Rv. Ik meen dat de onder (a) genoemde rechtsvraag eveneens voorligt in de procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) lid 1 BW. Voor het overige verschillen de rechtsvragen in beide aansprakelijkheidsprocedures van die uit de procedure ex art. 2: 354 BW.
De rechtsvragen in de procedure op grond van art. 2: 138(248) lid 1 BW zijn naar mijn mening (a) of de betrokken bestuurder verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak en zo ja, (b) of dit tekortschieten dermate ernstig is, dat het als kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden bestempeld. Bijkomende rechtsvragen in deze procedure zijn (c) of het kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement9 en (d) of de bestuurder wist of behoorde te weten dat de schuldeisers zouden worden benadeeld. De curator dient voorts aan te tonen dat er een tekort in faillissement is.10
De opvatting van Assink en Olden voert naar mijn mening tot de conclusie dat de rechtsvragen in de procedure op de voet van art. 2: 9 BW zijn (a) of de betrokken bestuurder verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak en zo ja, (b) of dit tekortschieten dermate ernstig is, dat het als onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2: 9 BW kan worden gekwalificeerd. Bijkomende (rechts)vragen zijn (c) of de vennootschap schade heeft geleden, (d) hoe groot deze schade is en (e) of deze schade het gevolg is van de handelwijze van de bestuurder die is aangesproken. De opvatting van onder anderen Maeijer en Borrius resulteert er in dat er nog een rechtsvraag bijkomt, te weten of de bestuurder bewust roekeloos (of opzettelijk) heeft gehandeld.11
211. De gevolgen voor bestuurders. Is de rechter in een procedure op de voet van art. 2: 9 BW of art. 2: 138(248) lid 1 BW van oordeel dat de onder (a) weergegeven rechtsvraag in de onderscheiden procedures dezelfde is als in de procedure tot kostenverhaal en honoreert hij een beroep op art. 236 Rv, dan is het rechtsgevolg dat hij het oordeel van de Ondernemingskamer dat de bestuurder verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak, als vaststaand dient over te nemen (hij is hier aan gebonden).12 Dit betekent ook dat indien de bestuurder in de enquêteprocedure verweer heeft gevoerd tegen de stelling dat hij verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak en de Ondernemingskamer dit heeft beoordeeld13, de bestuurder dit verweer niet opnieuw kan voeren in de aansprakelijkheidsprocedure. Discussie is in de laatste procedure nog wel ten volle mogelijk – en de bewijslast rust in beginsel op de eiser – wat betreft de andere rechtsvragen, nu de Ondernemingskamer hieromtrent niets heeft beslist.
De consequentie dat ook beslissingen op gevoerde verweren onder het bereik van art. 236 Rv vallen, zou een bestuurder er toe kunnen brengen ‘het kruit enigszins droog te houden’, door in de aansprakelijkheidsprocedure met enkele nieuwe feiten en omstandigheden te komen zodat de rechter de zaak niet kan afdoen met de stelling dat aan de schadevordering dezelfde verwijten ten grondslag liggen als aan het enquêteverzoek.14 Uit de reacties van Asser en Beukers op een arrest van de Hoge Raad uit 197515 kan echter worden afgeleid dat het leerstuk van het gezag van gewijsde meebrengt dat partijen in de enquêteprocedure al het verweer dat tot afwijzing van het verzoek kan leiden, op straffe van verval naar voren moeten brengen. Anders gezegd, de in de aansprakelijkheidsprocedure voor het eerst gevoerde verweren dienen door de rechter te worden gepasseerd.16
De procedure inzake Skipper Club Charter is bij mijn weten de enige procedure op de voet van art. 2: 9 BW waarin door de vennootschap een beroep is gedaan op het gezag van gewijsde van de overwegingen van de Ondernemingskamer. Het Hof Leeuwarden heeft in zijn arrest geoordeeld dat beide beschikkingen17 ‘geen directe betekenis’ hebben voor de in dit geding door de vennootschap gestelde rechtsbetrekking tussen partijen.18 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit oordeel juist is.19 Het is echter spijtig dat het hof niet heeft gemotiveerd waardoor zijn beslissing is ingegeven. Een verklaring hiervoor is mogelijk dat het van oordeel was dat in beide procedures niet dezelfde rechtsvragen voorlagen. Ik leid af uit zijn overweging dat een op art. 2: 9 BW gegronde aansprakelijkheid slechts kan worden aangenomen indien de betrokken bestuurder als zodanig (en derhalve niet als aandeelhouder) zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekort gekomen dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen. Het hof lijkt met de gecursiveerde toevoeging te refereren aan de beschikking van de Ondernemingskamer van 27 maart 1997. Zij heeft in deze beschikking ‘de betrokken bestuurder’ veroordeeld in de onderzoekskosten, overwegend dat uit het verslag is gebleken dat hij ‘als meerderheidsaandeelhouder en als bestuurder verantwoordelijk is te achten voor het onjuiste beleid en de onbevredigende gang van zaken van de vennootschap.’ (r.o. 3.7)