Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.2.3
2.3 Overleg
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384013:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
In deze paragraaf bespreek ik de vraag of het overleg tussen het bestuur, de raad van commissarissen en de ondernemingsraad naar tevredenheid werkt. Over de voorwaarden die nodig zijn om werknemersinvloed een positief effect op de bedrijfsvoering te laten hebben, is nauwelijks onderzoek voorhanden (Wigboldus e.a. 2008, p. 8).
Van het Kaar en Looise 1999.
Wigboldus 2011, p. 157 e.v. en Wigboldus e.a. 2008, p. 8, waarin de bestuurder van de Duitse onderneming Bayer stelt: “The works council requires of us that we manage well.” Zie ook Duk 2000b, p. 13, die zich de volgende uitspraak van F. Koning herinnert: “De verhoudingen waren hier nu eenmaal zo dat je geacht werd instemmend te knikken als een of andere directeur je een idioot voorstel voorlegde. Met de wet van ‘79 is dat allemaal veranderd. Nu zeg je gewoon dat het natuurlijk een fantastisch plan is, maar dat je graag wilt weten hoe je het aan de ondernemingsraad moet verkopen. Dan hoor je er vervolgens meestal niets meer van.”
Zie Teulings 1981.
SER-commissie Arbeid, onderneming en medezeggenschap, Notitie consultatief overleg medezeggenschap, 21 september 2009, www.ser.nl.
Karel 2009, p. 12: 16% van de ondernemingsraden vindt zichzelf proactief, tegenover 6% van de ondervraagde bestuurders. In beide visies gaat het dus om zeer lage aantallen.
Huijgen e.a. 2007, p. 38.
Van het Kaar e.a. 2006, p. 83.
Huijgen e.a. 2007, p. 18.
Huijgen e.a. 2007, p. 66.
Honée 1986, p. 111 e.v.
Honée 1986, p. 99.
Honée 1986, p. 15.
Van het Kaar en Looise 1999, p. 61-62.
Huijgen e.a. 2007, p. 22. Zie ook De Bos en Lückerath 2008, p. 24, en De Bos en Lückerath 2009, p. 19.
Huijgen e.a. 2007, p. 71; Honée 1986, p. 18.
Huijgen e.a. 2007, p. 68.
Van Beurden e.a. 2009, p. 33.
Deze bevindingen hebben vooral betrekking op vennootschappen met een two-tierstructuur. Uit regelmatig onderzoek onder commissarissen blijkt overigens dat de meerderheid de voorkeur geeft aan het two-tier- boven het one-tierbestuursmodel (De Bos en Lückerath 2009, p. 24).
Kemna en Van de Loo 2009.
Grapperhaus 2010a.
Het overleg tussen het bestuur en de ondernemingsraad lijkt in de Nederlandse onderneming over het algemeen naar beider tevredenheid te verlopen.1 In 1999 onderzochten Van het Kaar en Looise de positie van de ondernemingsraad in het besluitvormingsproces.2 Daaruit bleek dat een meerderheid van de ondervraagde bestuurders meende dat betrokkenheid van de raad leidde tot een grotere acceptatie van de besluitvorming bij werknemers, een betere vertegenwoordiging van het werknemersbelang en een zorgvuldigere besluitvorming. Dat de ondernemingsraad de bestuurder kan dwingen tot een zorgvuldiger besluitvormingsproces, is ook in andere bronnen terug te vinden.3 Hieruit leid ik af dat de relatie tussen het bestuur en de ondernemingsraad enigszins is verbeterd vergeleken met het einde van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen de verhoudingen tussen werknemers en ondernemers vooral door macht en conflict leken te worden gedomineerd.4
De SER-commissie Arbeid, onderneming en medezeggenschap stelt dat in grote, complexe ondernemingen en in concerns het belang van de medezeggenschap op strategisch niveau toeneemt. De ondernemingsraad dient zich in die situaties proactief op te stellen en mee te bewegen met de veranderende omstandigheden en verhoudingen. Voorts wijst de SER-commissie op de noodzaak van het ontwikkelen van mogelijkheden als netwerken, informeel overleg en het zoeken van samenwerking.5 Die proactieve opstelling lijkt volgens onderzoek van Karel te ontbreken.6 Desondanks komt uit dat onderzoek naar voren dat de invloed van de ondernemingsraad tussen 1998 en 2008 is toegenomen. Ruwweg de helft van de ondervraagde bestuurders en ondernemingsraden was in 2008 van mening dat de raad veel tot zeer veel invloed op de besluitvorming had, tegenover een kwart in 1998. Onderzoek van Huijgen e. a.7 geeft blijk van een relatief grote mate van tevredenheid van bestuurders over het functioneren van de ondernemingsraad: tweederde van de ondervraagde bestuurders beoordeelde dit als goed. Ruwweg 60% van de ondervraagde ondernemingsraadleden vond dat de bestuurders zich open en constructief opstelden. Deze tevredenheid wordt ook beschreven in het kabinetsstandpunt over medezeggenschap uit 2009, waarin wordt geconstateerd dat medezeggenschap en de ondernemingsraad als instituut breed zijn aanvaard, zowel door werknemers als door bestuurders. Het kabinet concludeerde dat de medezeggenschap in Nederland over het algemeen goed werkt en dat er geen redenen zijn om de WOR fundamenteel aan te passen.8
Wanneer wordt gekeken naar de aard van het beleid waarover de ondernemingsraad wordt geconsulteerd, ontstaat een ander beeld. Uit de zojuist genoemde onderzoeken van Van het Kaar9 en Huijgen10 blijkt dat ruwweg tweederde van de ondervraagde bestuurders en ondernemingsraden meent dat de raad nauwelijks invloed heeft op het strategisch beleid: het overleg gaat vooral over arbeidsvoorwaarden en -plaatsen. De verklaring die daarvoor meestal wordt gegeven is een gebrek aan belangstelling of deskundigheid bij de ondernemingsraad op het terrein van strategische zaken. Ondeskundigheid is vooral te vinden in het midden- en kleinbedrijf, waar doorgaans de middelen ontbreken om de werknemers op te leiden of vrij te stellen. De overbelasting van ondernemingsraadleden staat volgens Van het Kaar e.a. op nummer één in de lijst met knelpunten in het functioneren van de ondernemingsraad. Mede als gevolg van het gebrek aan tijd en deskundigheid bij werknemers menen zowel bestuurders als ondernemingsraden dat slechts een kleine minderheid van de raden veel invloed heeft op het algemene of financieel-economische beleid; de helft of meer heeft op deze gebieden een geringe invloed. Minder dan de helft van de ondernemingsraden is betrokken bij alle stadia van het besluitvormingsproces in de onderneming. Een meerderheid van de raden meent dat hun rol bij “werkelijk belangrijke zaken” te gering is. Huijgen e.a. concluderen dat het bestuurder de belangrijkste troeven in handen heeft om het overleg goed te laten werken. De houding van het bestuur is volgens hen bepalend voor de kwaliteit en effectiviteit van het overleg met de ondernemingsraad.11
Uit onderzoek blijkt dat het overleg tussen de raad van commissarissen en de ondernemingsraad relatief moeizaam verloopt. Honée stelde in 198612 vast dat het contactpatroon tussen de twee raden in de door hem onderzochte ondernemingen een vrij uniform beeld vertoonde. Vrijwel steeds bleek dat commissarissen zich in hun verhouding tot de ondernemingsraad terughoudend opstelden bij bestuurlijke aangelegenheden, ongeacht de frequentie van hun contacten. Dit werd onder meer gemotiveerd vanuit de taakstelling van de raad van commissarissen: het toezicht diende buiten het overleg met de ondernemingsraad plaats te vinden, overleg werd gevoerd door het bestuur, en de raad van commissarissen hoefde zich niet actief tegenover de ondernemingsraad te verantwoorden. Deze houding kwam tot uitdrukking in een geringe aanwezigheid van commissarissen bij overlegvergaderingen over adviesplichtige onderwerpen. Wanneer zij deze vergaderingen wel bijwoonden, stelden zij zich terughoudend op en voerden ze weinig het woord. In informele contacten voelden commissarissen zich vrijer. Honée constateerde dat de contacten tussen commissarissen en ondernemingsraad geen of nauwelijks invloed hadden op de inhoud van de door de raad van commissarissen genomen besluiten.13 Hij wees voorts op het ontbreken van een wettelijke regeling over de procedure en de inhoud van contacten tussen commissarissen en de ondernemingsraad, waardoor dit aan de praktijk werd overgelaten.14
Het beeld van terughoudendheid in het contact tussen raad van commissarissen en ondernemingsraad werd later bevestigd. In 1999 stelden Van het Kaar en Looise vast dat de verschijningsplicht van artikel 24 lid 2 WOR weinig werd nageleefd.1516 In 2007 leek de belangstelling van de raad van commissarissen voor de medezeggenschap enigszins te zijn toegenomen: tweederde van de ondervraagde raden van commissarissen gaf te kennen medezeggenschap van betekenis te vinden en bij belangrijke besluiten te informeren naar het standpunt van de ondernemingsraad.1718 De procedurele en inhoudelijke aspecten van de contacten tussen de twee partijen en de (mate van) invloed op de besluitvorming in de raad van commissarissen zijn in dat onderzoek niet aan de orde gekomen. Wel werd opgemerkt dat de bestuurder een bijdrage zou kunnen leveren door zelf het belang van medezeggenschap bij de raad van commissarissen onder de aandacht te brengen en te bevorderen dat er directe contacten tussen commissarissen en de raad plaatsvinden. Bij die laatste aanbeveling wezen de onderzoekers op de gevaren van contacten tussen individuele commissarissen en de ondernemingsraad. Deze contacten zouden niet mogen leiden tot een fractievorming binnen de raad van commissarissen en geen afbreuk mogen doen aan de norm dat commissarissen zich bij de vervulling van hun taak richten naar het belang van de vennootschap.1920 De ondernemingsraad zou volgens de onderzoekers, mogelijk in samenwerking met de bestuurder, het proces positief kunnen beïnvloeden door te werken aan zijn deskundigheid en strategisch inzicht.2122
Onderzoek van Van Beurden e.a. over gebruik van de rechten van de ondernemingsraad wijst uit dat tweederde van de onderzochte ondernemingsraden zelden of nooit gebruikmaakt van het (versterkte) recht van aanbeveling van commissarissen.2324 Ongeveer de helft van deze raden heeft geen betrokkenheid bij het opstellen van de profielschets van de raad van commissarissen. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat een relatief grote groep (40%) altijd gebruikmaakt van het recht om in aanwezigheid van commissarissen de algemene gang van zaken te bespreken, en dat een gelijk percentage dit nooit of vrijwel nooit doet. Een hoog percentage (60%) van de ondervraagde ondernemingsraden voert dus weinig of onregelmatig overleg met de raad van commissarissen.2526
De relatief geringe aandacht voor de relatie tussen commissarissen en werknemers komt ook tot uitdrukking in een onderzoek naar de rol van institutionele beleggers jegens bestuur en commissarissen.2728 De onderzoekers typeren de beursvennootschap als een samenspel van vele partijen, elk met een onderscheiden rol en belang. Zij roepen alle participanten op zich bewust te worden van de complexiteit van de situatie en van hun eigen rol in de context van het grotere geheel. De werknemers worden in deze benadering in het geheel niet genoemd, hetgeen in de literatuur op kritiek is gestuit.2930