Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.5.2:10.5.2 Betrokkenheid van burgerbegrotingen bij het allocatieniveau van het college
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.5.2
10.5.2 Betrokkenheid van burgerbegrotingen bij het allocatieniveau van het college
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248595:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde manier om betrokkenheid van burgerbegrotingen te organiseren in het begrotingsproces, is door hen te laten adviseren over de verdeling van middelen in de uitvoeringsinformatie. Zoals gezegd worden hierin de hoofdlijnen van het beleid die de raad in de begroting vastlegt, vertaald naar concrete taken en activiteiten. Door de raad wordt per programma een maximum aan middelen toegekend, waarna het college de middelen verder verdeelt over verschillende taakvelden. Bij het verdelen van middelen moet het college ervoor zorgen dat de beleidsdoelstellingen die de raad in de begroting formuleert, behaald kunnen worden, maar binnen programma’s is het college verder in beginsel vrij om te schuiven met middelen. Pas als het programmamaximum wordt overschreden of als de verschuiving van middelen het gevolg is van een belangrijke beleidswijziging dient er opnieuw goedkeuring van de raad te worden gevraagd.
Het college kan ervoor kiezen zich door een burgerbegroting te laten adviseren over de verdeling van middelen binnen programma’s. Voor het college is het dan wel zaak te zorgen dat burgerbegrotingen over voldoende kennis, informatie en organisatiekracht beschikken om de begroting zo uit te werken dat er op een doelmatige en doeltreffende wijze bestuurd kan worden. Dat blijft immers de taak van het college, waarvoor het door de raad verantwoordelijk kan worden gehouden. Aan deze werkwijze zitten daarnaast bepaalde nadelen vast. De belangrijkste daarvan is dat burgerbegrotingen niet over programmagrenzen heen mogen schuiven met middelen. In de meeste gemeenten zijn programma’s thematisch georganiseerd, bijvoorbeeld voor sport en recreatie, zorg en werkgelegenheid. Via deze werkwijze kunnen burgerbegrotingen niet besluiten om middelen te verschuiven van het programma ‘werkgelegenheid’ naar het programma ‘zorg’ zonder dat het college op zijn beurt moet aankloppen bij de raad. Burgerbegrotingen zouden daardoor wel de accenten binnen programma’s kunnen verleggen, maar niet tussen programma’s.
De vierde en laatste manier om betrokkenheid van burgerbegrotingen te organiseren in het begrotingsproces zonder het wettelijk kader te wijzigen, kan aan het grootste nadeel van de derde manier tegemoetkomen. Burgerbegrotingen zijn bij deze vierde werkwijze actief op het allocatieniveau van het college, maar om succesvol te zijn, vergt het tevens een aanpassing van de manier waarop de raad doorgaans programma’s inricht. Zoals gezegd zijn deze meestal thematisch vormgegeven. De raad is echter vrij bij de inrichting van programma’s, waardoor hij er ook voor kan kiezen de programma’s niet thematisch maar geografisch (of territoriaal) in te richten. De gemeente zou dan in de begroting worden opgedeeld in wijken of gebiedsdelen. In het voorbeeld van Breda Begroot zouden er dan aparte programma’s zijn voor de wijk Princenhage en voor het dorp Prinsenbeek, waarin elk programma alle middelen bevat die in die wijk of dat gebiedsdeel worden besteed. Op deze wijze zouden er per gebiedsdeel burgerbegrotingen kunnen worden georganiseerd waarvan de deelnemers wel met middelen tussen thema’s kunnen schuiven zonder tussenkomst van de raad. De beperking die dan geldt is dat er niet met middelen kan worden geschoven tussen gebiedsdelen. Dit zou in grote steden wellicht tot wat arbitraire situaties kunnen leiden, maar voor landelijke gemeenten met verschillende afzonderlijke kernen is het idee zo gek nog niet. Wel is het zo dat ook hier de positie van de raad nog één belangrijke beperking met zich meebrengt. De raad is als gepolitiseerd orgaan verplicht de politieke keuzes die in de raad ten aanzien van het gemeentelijk beleid zijn gemaakt tot uitdrukking te brengen in de begroting. Dat betekent dat de raad niet zomaar een zak met geld kan toekennen aan de verschillende in programma’s georganiseerde gebiedsdelen. Dan worden er immers geen middelen toegekend aan beleid, maar aan gebiedsdelen. Enige materiële sturing dient er daarom van de raad uit te gaan. Dat kan de raad doen door op grond van artikel 8 lid 4 BBV de middelen per programma onder te verdelen in baten en lasten voor prioriteiten en voor overig. Daarmee kan de raad middelen toewijzen aan materiële beleidsterreinen, waarbij te verdedigen valt dat burgers voor een verschuiving alleen toestemming van de raad nodig hebben wanneer zij willen schuiven met middelen van posten die door de raad als prioriteit zijn aangemerkt. De posten die als prioriteit zijn aangemerkt, zijn namelijk de posten waarin de raad de politieke keuzes tot uitdrukking laat komen. Verder zou het college de wensen van burgerbegrotingen kunnen verwerken.