Anders dan (bijvoorbeeld) in HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1590, NJ 2021/129 m.nt. Reijntjes en HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, NJ 2022/278 m.nt. Klip.
HR, 22-10-2024, nr. 22/03012
ECLI:NL:HR:2024:1497
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
22/03012
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1497, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1107
ECLI:NL:PHR:2024:1107, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1497
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Wederspannigheid met letsel tot gevolg (meermalen gepleegd), art. 181.1 jo. 180 Sr. Strafmotivering (gevangenisstraf van 1 dag en taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis). Was hof ex art. 359.2 Sv gehouden te beslissen op verweer m.b.t. het door verbalisanten toegepaste geweld (discrepantie tussen gesteld letsel van verdachte en letsel van verbalisanten) en trauma dat verdachte bij eerdere aanhouding zou hebben opgelopen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/03014 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03012
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2022, nummer 22-001744-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstaf van één dag en de taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Veroordeling voor wederspannigheid met letsel tot gevolg (art. 181 Sr). Klacht over de strafmotivering met daarin de overweging dat verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij na te zijn gevlucht door politieambtenaren hard is aangepakt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03012
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 9 augustus 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens het onder 2 en 3 bewezenverklaarde, telkens opleverend ‘wederspannigheid, terwijl en daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft’, veroordeeld tot 1 dag gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr, alsmede 60 uren taakstraf, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis. Het hof heeft verder de vorderingen van twee benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/03014. Het cassatieberoep in deze zaak is op 9 juli 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en P. van Dongen, advocaten in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed. Gesteld wordt dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte door verbalisanten 'verrot' is geslagen, dat de verdachte meerdere keren op zijn hoofd is geslagen en geschopt, dat de verdachte daaraan letsel heeft overgehouden, en dat de verdachte dermate was toegetakeld dat hij niet meer zelf de bus in kon. Een en ander zou door het hof niet zijn weerlegd. Wel zou het hof ten aanzien van één van de verbalisanten hebben overwogen dat deze letsel (een zwelling) heeft opgelopen aan zijn hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel. In dit licht schiet de verwerping van het verweer waarin is aangevoerd dat in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met het jegens de verdachte door de verbalisanten uitgeoefende geweld volgens de stellers van het middel tekort. Het hof heeft volgens de stellers van het middel slechts geoordeeld dat de verdachte de omstandigheid dat hij na zijn vlucht 'hard' is aangepakt aan zichzelf te wijten heeft, zodat hiermee geen rekening behoeft te worden gehouden.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘2.
hij op 6 december 2019, te Rotterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (brigadier van politie Eenheid Rotterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte op verdenking van de Opiumwet door
- zich abrupt om te draaien en te trachten zich los te trekken uit de greep van die [verbalisant 1] en
- die [verbalisant 1] tegen het hoofd te slaan ten gevolge waarvan die [verbalisant 1] op de grond terecht is gekomen en
- met zijn, verdachtes, armen te zwaaien,
terwijl dit misdrijf en daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een zwelling op het hoofd bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad;
3.
hij op 6 december 2019, te Rotterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte op verdenking van de Opiumwet door
- te trachten omhoog te komen en
- met zijn, verdachtes, armen te zwaaien en
- om zich heen te trappen en
- zijn, verdachtes, handen niet te geven,
terwijl dit misdrijf en daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een zwelling van de duim bij die [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.’
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 december 2019 van de Politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in: (…).
als relaas van de opsporingsambtenaren:
Op 6 december 2019 omstreeks 20:10 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 1], [verbalisant 5] en [verbalisant 2], belast met de bestrijding van de criminaliteit en overlast. Wij maken deel uit van het Flexteam Rotterdam-Zuid.
Op 6 december 2019 omstreeks 20:10 uur waren wij, in burger geklede verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, [verbalisant 4], en in uniform geklede en als politieambtenaar herkenbare verbalisanten [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Rotterdam, [verbalisant 5], aanwezig.
Ik, [verbalisant 4], zag een auto Seat Leon [kenteken] aan komen rijden. Bij navraag bleek dat de tenaamgestelde van dat kenteken, [verdachte], vijf antecedenten had ter zake overtreding van de opiumwet (harddrugs). De bijrijder, die later [betrokkene 1] bleek te zijn, stapte uit en liep naar een ander voertuig. Hij nam plaats achter de bestuurder. Na circa een minuut ging de portier open en [betrokkene 1] stapte uit. Ik zag dat hij dingen wegstopte in zijn jaszak. Ik zag dat hij als bijrijder in de Seat stapte. Ik herken door mijn opgedane ervaring in het Flexteam Rotterdam-Zuid, bovenstaande handelswijze als een wijze die drugsdealers hanteren om drugs te verstrekken. Typerend voor deze overdrachten is de kortstondigheid van het contact. Ik zag dat de Seat na twee minuten wegreed in de richting van de Dordtselaan te Rotterdam.
Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden had ik een redelijk vermoeden dat [betrokkene 1] samen met de bestuurder zich schuldig maakten aan een overtreding van de Opiumwet. Ik gaf mijn bevindingen portofonisch door aan verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 5] met het verzoek het voertuig staande te houden op grond van de Opiumwet.
Op de Dordtselaan te Rotterdam zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 5], een Seat voorzien van het [kenteken] rijden. Op de Maashaven Oostzijde gaven wij de bestuurder van het voertuig een stopteken. Nadat wij waren uitgestapt sprak ik, [verbalisant 1], de bestuurder en de bijrijder aan.
De bestuurder bleek later te zijn genaamd:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994.
De bijrijder bleek later te zijn genaamd:
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1995.
Wij zagen dat [verdachte] uit zijn voertuig stapte.
Ik, [verbalisant 1], heb [verdachte] gefouilleerd op grond van artikel 9 lid 2 van de Opiumwet. Toen ik bij zijn rechterlies kwam voelde ik meerdere goederen onder de kleding en hoorde het krakende geluid van plastic. Ik voelde iets van brokjes en ik voelde meerdere rechthoekige flexibele voorwerpen. De afmetingen en het materiaal leken overeen te komen met die van een "ponypack". In zijn rechter broekzak trof ik een stapel contant geld aan in diverse coupures. Later bleek dit een bedrag van 995,- euro.
Ik pakte vervolgens mijn transportboeien en deelde [verdachte] mede dat hij was aangehouden.
Toen ik de transportboei om de linkerpols van [verdachte] aansloeg, zag en voelde ik dat hij zich abrupt omdraaide en zijn linkerhand probeerde los te rukken uit de transportboei. Ik zag en voelde dat hij met een zwaaiende beweging, met zijn rechter arm en gebalde vuist, bewust naar mijn gezicht sloeg. Ik draaide op dat moment mijn hoofd iets af. Ik voelde vervolgens een harde klap, van de vuist van [verdachte], op de achterkant van mijn hoofd. Ik voelde direct pijn aan mijn hoofd. Door de harde klap verloor ik mijn balans en viel ik met één hand op de grond. Ik voelde dat de transportboei, die ik nog vast had, los schoot van de pols van [verdachte] en op de grond viel. Ik had [verdachte] nog vast bij zijn linkerarm. Ik voelde dat hij diverse malen aan deze arm rukte en van mij af bewoog. Door het harde rukken aan de arm kon ik [verdachte] niet meer vasthouden. Ik deelde via mijn portofoon aan de collega's mede dat [verdachte] mij een klap had gegeven.
Ik, [verbalisant 5], zag dat de [verdachte] die werd gefouilleerd door [verbalisant 1], zich losrukte. Ik zag dat hij met één van zijn armen een zwaaiende beweging maakte richting het hoofd van [verbalisant 1]. Ik zag dat hij [verbalisant 1] op zijn hoofd raakte.
Ik, [verbalisant 2], stapte uit mijn dienstvoertuig. Daar ik in burger gekleed was riep ik op niet mis te verstane wijze: "Politie, politie u bent aangehouden". Ik kon [verdachte] vervolgens na een korte achtervolging tegen de grond werken. Ik voelde dat [verdachte] omhoog probeerde te komen en om zich heen bleef slaan met zijn linkerarm.
Ik, [verbalisant 5], zag dat [verdachte] op de grond viel en om zich heen bleef trappen.
Ik, [verbalisant 4], heb assistentie verleend bij de daadwerkelijke aanhouding van [verdachte]. Ik controleerde met een klem zijn benen en riep meermaals dat hij zijn verzet moest staken. Ik riep op niet mis te verstane wijze dat hij zijn rechterhand moest geven. Ik zag dat hij deze onder zijn lichaam hield. Ik zag vervolgens dat [verbalisant 2] zijn rechterhand onder controle kreeg.
Ik, [verbalisant 5], heb de verdachte [verdachte] daadwerkelijk aangehouden en in de transportboeien geplaatst.
Ik, [verbalisant 2], voelde direct na de aanhouding van [verdachte] dat ik last had van mijn rechter duim. Mijn duim is bij de fysieke aanhouding van verdachte [verdachte] geblesseerd geraakt.
Op het politiebureau voelde ik, [verbalisant 1], een zwelling achter op mijn hoofd op de plaats waar ik door [verdachte] was geslagen. Ik voelde pijn als ik er aan kwam. Ik had hoofdpijn. Dit had ik niet voordat ik [verdachte] had aangehouden. Door het toedoen van [verdachte] was er letsel ontstaan. Dit letsel is onderzocht door een politiearts. Hiervan is een letselbeschrijving gemaakt.
Ik, [verbalisant 2], had stekende pijn in mijn rechter duim. Ik merkte dat ik deze duim nauwelijks nog kon bewegen.
2. Een geschrift, zijnde een Medische Informatie/Letselbeschrijving d.d. 9 december 2019 van FARR (Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door E.J. Verbaas, forensisch arts. Het houdt onder meer in (…):
Medische Informatie/Letselbeschrijving
[verbalisant 1], geboren op [geboortedatum] 1978.
Letselbeschrijving en conclusie
S= vermelde gegevens, O= objectieve bevindingen
6-12-2019 S Letsel
Gewond na aanhouding verdachten
O Achterhoofd links, deel behaarde hoofdhuid, onderhuidse zwelling over ongeveer 2 bij 3 centimeter tot circa 0.5 cm dik. Huid duim rechts dwars op lengte richting scheurwond ongeveer 2 centimeter, wondranden iets rafelig.
3. Een geschrift, zijnde een Medische Informatie/Letselbeschrijving d.d. 9 december 2019 van FARR (Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond), opgemaakt en ondertekend door E.J. Verbaas, forensisch arts. Het houdt onder meer in (…):
Medische Informatie/Letselbeschrijving
Dhr. [verbalisant 2], geboren op [geboortedatum] 1989.
Letselbeschrijving en conclusie
S= vermelde gegevens, O= objectieve bevindingen
6-12-2019 S Letsel
Naar verluidt bij aanhouding verdachten
O Zwelling duimmuis rechts binnenkant hand, over ongeveer 4 bij 3 cm tot 1 cm dik.’
7. Het arrest van het hof houdt verder onder meer het volgende in:
‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte feit 2
Inleiding en standpunten verdediging
Het staat als onweersproken vast dat de verdachte op het moment dat hij bij zijn auto werd aangehouden door [verbalisant 1], hem een klap op diens hoofd heeft gegeven.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte in deze echter geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Aan hem komt immers een geslaagd beroep op noodweer danwel noodweerexces toe. Zo niet, dan is sprake van putatief noodweer danwel psychische overmacht. De slotsom is hoe dan ook dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van dit feit.
De beoordeling
Bij de beoordeling van de verweren zal het hof als uitgangspunt nemen hetgeen [verbalisant 1] heeft gerelateerd. De juistheid van zijn relaas is niet weersproken en het hof ziet overigens ook geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid ervan.
Uit het proces-verbaal van bevindingen (…) blijkt dat de in uniform geklede [verbalisant 1] de verdachte heeft gefouilleerd en aan hem vervolgens heeft medegedeeld dat hij was aangehouden (op verdenking van overtreding van de Opiumwet).
Het hof stelt vast dat dit proces-verbaal is opgemaakt door een vijftal verbalisanten, waaronder ook [verbalisant 1]. Hieronder haalt het hof die passages aan waarin [verbalisant 1] expliciet uit eigen waarneming heeft verklaard.
Toen [verbalisant 1] de transportboei om de linkerpols van de verdachte deed, zag en voelde hij dat de verdachte zich omdraaide en zijn linkerhand probeerde los te rukken uit de transportboei. Vervolgens zag en voelde [verbalisant 1] dat de verdachte een zwaaiende beweging met zijn rechterarm en gebalde vuist maakte en naar zijn gezicht sloeg. [verbalisant 1] voelde vervolgens een harde klap van de vuist van de verdachte op de achterkant van zijn hoofd. Door de harde klap verloor hij zijn balans en viel hij met één hand op de grond. Voorts voelde [verbalisant 1] dat de transportboei die hij nog vast had, los schoot van de pols van de verdachte en dat hij op de grond viel. Terwijl [verbalisant 1] de verdachte nog vast had bij zijn linkerarm, voelde hij dat de verdachte diverse malen aan deze arm rukte en van hem af bewoog. Door het harde rukken aan de arm van [verbalisant 1] kon hij de verdachte niet meer vasthouden en zag hij dat de verdachte wegrende. Hij werd kort daarna door een andere verbalisant aangehouden.
(…)
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich bij zijn aanhouding te verzetten. Daarbij is de desbetreffende politieambtenaar op de grond gevallen en heeft hij letsel aan zijn hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel, opgelopen. De verdachte is vervolgens op de vlucht geslagen en is kort daarna alsnog aangehouden. Hij heeft zich toen opnieuw verzet tegen zijn aanhouding, waarbij een andere politieambtenaar eveneens letsel heeft opgelopen.
Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen blijk gegeven van een minachting voor het bevoegd gezag, maar ook van minachting voor de lichamelijke integriteit van de individuele gezagsdrager.
Dat de verdachte na te zijn gevlucht door de politieambtenaren vervolgens hard is aangepakt, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof aan zich zelf te wijten. Het leidt naar het oordeel van het hof dan ook niet tot strafmatiging, zoals door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep is verzocht.
Het hof heeft bij de strafoplegging wel rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de positieve wending die hij aan zijn leven heeft gegeven, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen. Voorts houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte na november 2016 niet meer is veroordeeld voor misdrijven, behoudens twee overtredingen nadien.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag, gelijk aan het voorarrest met een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.’
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik heb op 6 december 2019 in Rotterdam geen geweld gebruikt tegen de politieambtenaren.
U houdt mij voor dat de politieambtenaren anders hebben verklaard.
Ja, dat is vanzelfsprekend. Als ik zeg dat ik met mijn hand heb gezwaaid, maken zij ervan dat ik. een klap heb gegeven. Ik heb dan ook weinig vertrouwen in de verklaringen van de verbalisanten. Ze hebben mij verrot geslagen en ik ben door één politieambtenaar in het Turks uitgescholden.
(…)
Ik ben weggerend omdat ik ongeveer vijf jaar geleden bij een aanhouding door de politie een trauma heb opgelopen. Ik ben toen door de politie in elkaar geslagen.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en aan het digitale dossier toegevoegde pleitnota.’
9. De pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot):
‘Zoals in eerste aanleg ook betoogd is het flink mis gegaan bij de aanhouding van [verdachte]. Waarbij er geweld tegen hem gebruikt is en waardoor hij letsel in zijn gezicht heeft opgelopen. Dat is ook duidelijk te zien op de foto’s van zijn gezicht in het dossier. En dat was helemaal niet nodig geweest. [verdachte] wilde namelijk gewoon meewerken en dat heeft hij vanaf het 1e contact tegen de politie aangegeven. De betrokken verbalisanten bevestigen ook dat [verdachte] gelijk gezegd heeft mee te willen werken aan fouillering en dat hij niets te verbergen had.
Hieruit blijkt dat het onaannemelijk is dat de fouillering en aanhouding door toedoen van [verdachte] uitgelopen is op een geweldssituatie. De verbalisanten zijn volgens [verdachte] ver buiten hun boekje gegaan.
(…)
Ten aanzien van [verbalisant 2] (feit 3) merkt de verdediging op dat uit niets blijkt dat [verdachte] geweld tegen hém heeft gebruikt. Het was juist andersom: [verdachte] lag op de grond en krijgt van [verbalisant 2] klappen op zijn hoofd. Het enige wat [verdachte] heeft geprobeerd is omhoog te komen en dat is ook niet onbegrijpelijk nu hij met zijn hoofd en buik op de grond was gevallen en er op hem intensief geweld werd toegepast door [verbalisant 2], maar ook door [verbalisant 4] en [verbalisant 5]. Nogmaals de foto’s van [verdachte] liegen er niet om.
(…)
Strafmaatverweer
De verdediging vraagt u, gelet op al het bovenstaande, in het bijzonder aandacht te hebben voor de discrepantie tussen het letsel van [verdachte] en [betrokkene 1] en het letsel van de verbalisanten. [verdachte] en [betrokkene 1] zijn beide - kort gezegd - bont en blauw geslagen.
Wanneer de verbalisanten daarmee geconfronteerd worden bij de rechter-commissaris, zegt niemand te weten hoe dat is gekomen. De foto’s zien er niet fraai uit. [verdachte] en [betrokkene 1] zijn geconfronteerd met veel geweld door meerdere verbalisanten tegelijkertijd. [verdachte] is meerdere keren geslagen en geschopt op zijn hoofd. [verdachte] was zo toegetakeld dat hij niet meer zelf de bus in kon. Dat heeft bijzonder veel impact gemaakt, met name gelet op het eerdere trauma. Deze omstandigheden verhouden zich bijzonder slecht met waar het vandaag om gaat: de verbalisanten die last hebben van duimen en een plek op het achterhoofd. De verdediging vraagt u daar, in ieder geval in de strafmaat, rekening mee te houden.’
10. In hoger beroep is niet het verweer gevoerd dat het handelen van de verbalisanten moet worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv dat zou moeten leiden tot het rechtsgevolg strafvermindering.1.De verdachte heeft verklaard dat hij ‘verrot’ is geslagen door de verbalisanten. De raadsvrouw heeft gesteld dat verbalisanten volgens verdachte ‘ver buiten hun boekje’ zijn gegaan en dat ‘op hem intensief geweld’ werd toegepast. In het kader van het strafmaatverweer heeft zij gesteld dat de foto’s van verdachte er niet fraai uitzien, dat verdachte meerdere keren is ‘geslagen en geschopt op zijn hoofd’ en zo is ‘toegetakeld dat hij niet meer zelf de bus in kon’. Maar de raadsvrouw heeft het hof alleen verzocht ‘in het bijzonder aandacht te hebben voor de discrepantie tussen het letsel van [verdachte] en [betrokkene 1] en het letsel van de verbalisanten’, en daar ‘in ieder geval in de strafmaat, rekening mee te houden’. Uw Raad verlangt van de verdediging die een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden; alleen op een zodanig verweer moet door de rechter een met redenen omklede beslissing worden gegeven.2.Ik merk daarbij op dat het geweld jegens de verdachte werd toegepast in het kader van diens aanhouding, zodat het bij een beroep op art. 359a Sv in de rede had gelegen dat de raadsvrouw (beargumenteerd) aangaf welke geweldshandelingen volgens de verdediging (wel en) niet gerechtvaardigd waren.
11. Dat brengt mee dat het middel faalt voor zover het er blijkens de toelichting (waarin het een en ander gesteld wordt over strafvermindering als reactie op vormverzuimen) vanuit gaat dat het verweer een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv.
12. Een ander beoordelingskader van verweren in het kader van de strafmaat wordt gevormd door de motiveringsverplichting van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Inzake dat beoordelingskader heeft Uw Raad in een arrest van 5 juli 2022 het volgende overwogen:3.
‘3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
(…)
3.5.4 Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.’
13. Het verweer doet een beroep op een samenstel van specifieke omstandigheden, in het bijzonder het door de verbalisanten toegepaste geweld en het trauma dat de verdachte bij een eerdere aanhouding zou hebben opgelopen. Aangegeven wordt evenwel niet waarom dit samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De raadsvrouw heeft het hof slechts gevraagd om ‘in ieder geval in de strafmaat’ met de discrepantie tussen het letsel van verdachte en het letsel van de verbalisanten rekening te houden.
14. Tegen die achtergrond meen ik dat art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv het hof niet verplichtte te reageren op hetgeen de raadsvrouw in verband met de discrepantie tussen het gestelde letsel van verdachte en het letsel van de verbalisanten inzake de op te leggen straf heeft aangevoerd. De stellers van het middel spreken ook niet over een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zij menen dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed in het licht van het ‘verweer’ dat in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met het jegens verdachte uitgeoefende geweld en hetgeen in dat kader is gebleken en aangevoerd.
15. Het hof is in de strafmotivering ingegaan op het gestelde letsel van verdachte, door te overwegen dat de verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij na te zijn gevlucht door de politieambtenaren hard is aangepakt. Ik begrijp dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de tweede aanhouding geweldstoepassing noodzakelijk maakte en dat de verdachte het letsel dat hij door die noodzakelijke geweldstoepassing opliep aan zichzelf te wijten heeft. Aldus opgevat is deze overweging niet onbegrijpelijk. In die overweging ligt voorts besloten waarom de discrepantie tussen het gestelde letsel van de verdachte en het letsel van de verbalisanten naar het oordeel van het hof niet tot strafmatiging leidt. Een en ander brengt mee dat ook indien zou worden aangenomen dat de motiveringsplicht van art. 359, vijfde lid, Sv soms tot een reactie kan dwingen op een verweer dat de lat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet haalt, de opgelegde straf toereikend is gemotiveerd.
16. Het middel faalt.
17. Ik merk (ten overvloede) nog op dat de gedachte dat de gestelde discrepantie tussen het letsel van de verdachte en het letsel van de verbalisanten strafmatiging kan rechtvaardigen naar het mij voorkomt op een misvatting berust. Het misdrijf waarvoor de verdachte is veroordeeld betreft wederspannigheid (art. 180 Sr); er geldt een veel hoger strafmaximum indien dit misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft (art. 181 Sr). Ernstig letsel dat de verdachte als gevolg van de aanhouding oploopt kan in beginsel (zelfstandig) grond geven om de straf te matigen; als de verdachte zelf (in ernstige mate) door het feit of de gevolgen is getroffen kan dat zelfs aanleiding geven tot een sepot.4.Maar beide invloeden op de op te leggen straf staan los van elkaar.
18. In verband met de vraag of bij de aanhouding onrechtmatig geweld is toegepast merk ik nog het volgende op. Het door de verbalisanten opgemaakte en tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen houdt in dat, toen [verbalisant 1] de transportboei om de linkerpols van de verdachte deed, de verdachte zich daartegen heeft verzet en dat hij met gebalde vuist een klap tegen het achterhoofd van [verbalisant 1] heeft gegeven. De verdachte heeft zich losgerukt en is door [verbalisant 2] na een korte achtervolging tegen de grond gewerkt. De verdachte probeerde omhoog te komen en bleef om zich heen slaan met zijn linkerarm. [verbalisant 5] zag dat de verdachte om zich heen bleef trappen. De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] hebben de verdachte onder controle gebracht en [verbalisant 5] heeft de verdachte daadwerkelijk aangehouden en in de transportboeien geplaatst. In dit relaas ligt besloten dat bij de laatste aanhouding door de verbalisanten geweld is gebruikt. Het hof heeft niet vastgesteld waaruit dat door de verbalisanten op de verdachte uitgeoefende geweld heeft bestaan.5.Dat sprake was van schoppen (tegen het gezicht) heeft het hof niet vastgesteld. In het kader van de strafmotivering heeft het hof overwogen dat de verdachte ‘na te zijn gevlucht door de politieambtenaren vervolgens hard is aangepakt’. Ook in die overweging ligt niet besloten dat het geweld dat in het kader van de aanhouding is toegepast onrechtmatig was.
19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld arrest zal wijzen. Gelet op de straffen die zijn opgelegd, behoeft dat niet tot strafvermindering te leiden.6.Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3541, NJ 2015/355 m.nt. Keulen.
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129 m.nt. Ten Voorde. Vgl. eerder al HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:642, NJ 2015/225, m.nt. F. Vellinga-Schootstra.
Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden, 2022A004, Stcrt. 2022, 16129, sepotcode 52.
In het verhoor van [verbalisant 5] bij de rechter-commissaris van 27 oktober 2020 heeft deze verklaard dat hij de verdachte in de achtervolging een paar keer klappen heeft gegeven met de wapenstok, dat [verbalisant 2] de verdachte naar de grond heeft gewerkt met een greep, dat de verdachte – toen hij op de grond lag − zich bleef verzetten door te slaan en te schoppen, dat [verbalisant 2] de verdachte éénmaal een klap heeft gegeven op de bovenrug, dat hij niet meer weet dan dat en dat hij denkt dat het letsel dat de verdachte heeft opgelopen aan zijn gezicht komt doordat de verdachte (met zijn gezicht) op het fietspad heeft gelegen en zich waarschijnlijk heeft opengehaald. Op een foto van de verdachte op de ID Staat van 6 december 2019, de pleegdatum, zijn verkleuringen te zien rond de ogen alsmede schrammen en verwondingen op en rond neus en wenkbrauwen.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, rov. 3.6.2. onder C.