Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.3.2
6.4.3.2 Willens én wetens
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940489:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 16 oktober 2009, NTFR 2009/2515.
Vgl. HR 15 oktober 1996 (strafkamer), NJ 1997, 199.
In een zaak die ging over de vraag of er in het licht van de navorderingsbevoegdheid met kwade trouw was gehandeld, casseerde de Hoge Raad een Hofuitspraak omdat een dergelijke bekentenis ‘geen andere gevolgtrekking toelaat dan dat belanghebbende de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt’, HR 29 maart 2000, BNB 2000/355, r.o. 3.2.
HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9, V-N 2010/54.7.
Dat laat onverlet dat het wel degelijk mogelijk is om opzettelijk een onjuiste aangifte te doen op basis van een ondeugdelijke administratie, zie HR 23 december 2022, V-N 2023/2.22, BNB 2023/37, r.o. 3.2-3.3 (waarin de Hoge Raad het Hof de helpende hand toestak). Cruciaal is dat de boeteling (1) zich ervan bewust was dat de administratie niet deugde (wetens) en (2) de aangifte tóch op basis van die administratie heeft gedaan (willens).
HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.3.2, HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.7.4, HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, r.o. 4.3.2. Deze omstandigheden leveren ook geen voorwaardelijk opzet op (zie daarover paragraaf 6.4.3.3 hierna).
HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.22, r.o. 4.3.2, HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.7.4.
Voor het bewijs van opzet is het dus noodzakelijk dat de inspecteur aan de weet komt wat er precies in het hoofd van de belastingplichtige is omgegaan.1 Immers, de inspecteur moet bewijzen dat de belastingplichtige wist c.q. besefte dat hij fout zat. Bovendien moet hij de aanwezige wil bewijzen. Gaat de belastingplichtige, hoe onterecht ook, ervan uit dat de fout zich niet zal manifesteren (en vertrouwt hij dus op een correcte afloop van de zaak), dan is er geen sprake van opzet. Het wilselement ontbreekt dan immers, zodat er hooguit sprake kan zijn van (grove) schuld.2
Een duidelijke bekentenis in de vorm van een eigen verklaring, waarin de belastingplichtige toegeeft bijvoorbeeld contante ontvangsten te hebben verzwegen en zwart loon te hebben uitbetaald, is gelet op het voorgaande voldoende bewijs voor opzet.3 Daarin liggen beide vereiste componenten immers besloten (weten dat het fout is, maar het toch doen). Dat geldt niet voor het enkel voeren van een ondeugdelijke administratie (die vervolgens als grondslag dient voor de aangifte).4 Daarmee is immers nog niet de vereiste bewustheid gegeven (laat staan het wilselement).5 Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de niet-betaalde of te weinig aangegeven belasting zowel absoluut als relatief omvangrijk is, de omstandigheid dat aanzienlijke en omvangrijke fouten zijn gemaakt bij het toekennen van (onbelast gebleven) vergoedingen, de omstandigheid dat het gaat om hoge bedragen aan ten onrechte onbelast gebleven vergoedingen, de omstandigheid dat stelselmatig en langdurig te weinig belasting is betaald of aangegeven en de omstandigheid dat de gemaakte fouten achteraf door de boeteling zelf zijn erkend.6 Ook zulke omstandigheden leveren geen (voorwaardelijk) opzet op, zelfs niet als zij in combinatie voorkomen (als er bijvoorbeeld stelselmatig en langdurig omvangrijke bedragen niet zijn betaald of aangegeven, of als er aanzienlijke en omvangrijke fouten zijn gemaakt met hoge bedragen aan onbelast gebleven vergoedingen die later worden erkend).7