Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.3.2.c
III.3.2.c Categorisering van gevallen
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377331:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handboek (1992), nr. 359.
Zie bijv. De Vries (2010), p. 220. Hij onderscheidt de volgende zeven situaties die tot uittreding aanleiding gaven of volgens hem zouden moeten geven: (1) het ontslag als bestuurder; (2) het bevoordelen van de controlerende aandeelhouder in ruime zin (`turmelling'); (3) de vennootschap concurrentie aandoen; (4) uithongering; (5) verwatering; (6) handelen in strijd met een aandeelhoudersovereenkomst of statuten; en (7) een deadlocksituatie. Zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 709 voor een catalogiserende bespreking van de rechtspraak.
Zo'n categorisering is bij de uitstoting minder goed te maken. De geringe hoeveelheid zaken zorgt ervoor dat de feiten die tot uitstoting aanleiding geven zich niet laten verdelen in te onderscheiden categorieën. Zie § 2.2.a voor een bespreking van de uitstotingsjurisprudentie.
Een uitzondering is de zaak Zondag Beheer, waarin de aandeelhouders eensgezind waren over de uittreding, maar vervolgens jaren procedeerden over de prijs van de aandelen. Zie HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 (Zondag Beheer). Zie voor een voorbeeld de gebroeders Hooymans-casus: OK 20 november 1997, NJ 1998, 392, waarin de OK (m. 5.2) de verstoorde verhouding onder meer zag in de wens van de twee brom en aandeelhouders Wim en Hennie dat de uitgetreden broer Geert met zijn gezin zijn woning op het bedrijfsterrein verlaat en dat Geert wordt verboden na de ontruiming zich nog op het bedrijfsterrein te begeven.
Zie voor een niet-gecategoriseerde bespreking van de (uitstotings- en uittredings)jurisprudentie ook Heijnen (1999).
Ik doel met gewijzigde omstandigheden niet op de imprévision van art. 6:258 BW. De gewijzigde omstandigheden van mijn uittredingscategorie vinden vaak plaats op instigatie van de meerderheidsaandeelhouder. Een betere term is echter niet voorhanden. Het 'ontslag als bestuurder' dekt de lading van de categorie niet afdoende, nu ik van mening ben dat het ontslag als bestuurder sec onvoldoende grond voor uittreding vormt.
Zie bijv. Sign Top, waarin met het ontslag als commercieel directeur (geen statutair bestuurder) na zestien jaar dienstverband feitelijk een einde was gekomen aan de betrokkenheid van de minderheidsaandeelhouder. De relatie tussen de aandeelhouders werd onder meer verstoord door de uitlatingen van de grootaandeelhouder (tevens enig statutair bestuurder) in verband met het ontslag. Uittreding van de minderheidsaandeelhouder was door de wijziging in betrokkenheid bij de vennootschap toegestaan, vond de Rb. Utrecht 25 juni 2008, JOR 2008/228 (Sign Top), ro. 4.11-4.12.
Zie bijv. Rb. Den Haag 29 juli 2009, n.g. (Austria Deuren), ro. 2.3-2.4, waarin de rechter de vergelijking trekt met de Hooymans-casus. Door de zeer abrupte en resolute wijze van het ontslag als bestuurder (tevens een derde minderheidsaandeelhouder) was de oorspronkelijke wijze van samenwerking tussen de drie directeuren gewijzigd. De uittredingsvordering lag voor toewijzing gereed. Ook in de zaak T@kecare waren twee natuurlijke personen een samenwerkingsverband in de vorm van een vennootschap aangegaan. De verhoudingen raakten verstoord en het ontslag van één van hen was het gevolg. Zijn uittreding volgde, waarbij de rechtbank expliciet vermeldde dat niet relevant was of het ontslag terecht was gegeven, Rb. Utrecht 7 oktober 2009, n.g. (T@kecare), ro. 10.8.3.
Zie bijv. Rb. Breda 6 september 1994, NJ 1996, 11 (A/Stak XYZ), waarin vier broers ieder een kwart aandelen hielden en tevens statutair directeur waren. De samenwerking verandert fundamenteel door de structurele verstoring van de relatie tussen A en zijn drie broers, met verwijten over en weer. A al sinds zijn 15
Rb. Den Bosch 10 mei 1996, JOR 1996/26 (Hooymans), ro. 4.2.
OK 20 november 1997, NJ 1998, 392 (Hooymans), ro. 5.2. De term 'degradatie van het aandeelhouderschap' ontleende ik aan annotator Van den Ingh, JOR 1998/26. Zie ook het commentaar van Huiskes, die met de uitspraak instemt, Huiskes (1998), p. 17.
Zie voor een ander sprekend voorbeeld Rb. Rotterdam 13 december 2006, JOR 2006/86 (Van Huizen), ro. 4.30-4.31. Na meer dan twintig jaar kwam aan de samenwerking tussen de broers Aart en Johan een einde. Zij hadden het hoveniersbedrijf van hun medio jaren 80 teruggetreden vader voortgezet, eerst in een vof en later in een BV. Hun uitgangspunt was volstrekte gelijkwaardigheid, maar na diverse gebeurtenissen vorderde Johan zijn uittreding. Johan bevond zich in de vereiste benarde situatie, luidde het oordeel van de rechtbank Rotterdam. Aart hield onvoldoende rekening met de belangen van zijn broer. Het ontslag van Johan als bestuurder, de gewijzigde dividendpolitiek (van ruim naar praktisch niets) en de verhoogde managementvergoeding voor Aart, dienden slechts de belangen van Aart. Naast het feit dat het hier om een familievennootschap ging, achtte de rechtbank ook van belang dat Aart wist dat Johan door het ontslag financiële middelen nodig had. Hij bleef niettemin de winst reserveren. Aart buitte zo de afhankelijke positie van Johan uit. De persoonlijke omstandigheden (`hij heeft de dividenduitkering nodig om van te leven') kleuren hier de belangen van de uittredende aandeelhouder eveneens.
Rb. Breda 25 juni 2003, n.g., zie in hoger beroep OK 12 januari 2006, JOR 2006/70 (Newton 21), waarin alleen de waardering van de aandelen onderweg) van geschil was. De OK stelde uiteindelijk de waarde van de aandelen vast in OK 9 augustus 2007, ARO 2007/150.
Zie ook mijn noot sub 4 onder OK 12 januari 2006, JOR 2006/70 (Newton 21).
OK 9 december 1993, NJ 1994, 296 (Architektenburo), ro. 2.4.2.
Zie bijv. het curieuze geval VHC/MMP, waarbij de twee aandeelhouders niet tot liquidatie van de slapende vennootschap Het Swake kwamen omdat zij een geschil hadden over de waardering van de aandelen die VHC hield. Omdat MMP vervolgens trachtte een voor VHC nadelige statutenwijziging te bewerkstelligen (welke poging strandde buiten de wil van MMP om), mocht VHC uittreden omdat haar positie op onredelijke wijze werd benard. Het (proberen te) verzwakken van de positie van de minderheidsaandeelhouder door het gebruik (of 'misbruik') van een meerderheidsbelang levert dus uittreding op. Ik neem aan dat in casu het feit dat de vennootschap al jaren 'sliep' en aandeelhouders zelf (slechts) ruzieden over de waarde van de aandelen ook belangrijke omstandigheden waren. OK 9 maart 2000, JOR 2000/167 (VHC/MMP), ro. 4.5.
Het door De Vries (2010), p. 230, benoemde tunneling valt mijns inziens onder deze categorie, zie bijv. Rb. Rotterdam 5 november 1998, JOR 1998/28 (Sobi/Metz), ro 4.3.4-4.5. De hoge bedragen aan tantième (die toekwamen aan de twee grootaandeelhouders die tevens werkzaamheden verrichten voor de BV) stonden in geen verhouding tot het dividendrendement van 0,89%, waar de overige kleine aandeelhouders het mee moesten stellen. Toen antwoorden op gerichte vragen over de waarde van de vennootschap bovendien uitbleven, kwam de rechtbank tot de slotsom dat de uittredingsvordering toewijsbaar was.
OK 9 december 1993, NJ 1994, 296 (Architektenburo), ro. 2.4.5 ad b.
OK 16 maart 1995, JOR 1996/54 (Ramp/Lensen), ro. 5.3.
Zie Van den Ingh, noot sub 2 onder OK 16 maart 1995, JOR 1996/54 (Ramp/Lensen).
OK 16 mei 1991, NJ 1992, 203 (Van Baarsen/Van Vliet).
Rb. Amsterdam 3 juni 2009, n.g. (Budget Chauffeur Drive), ro. 4.12.
De uittredende aandeelhouder moet bewijzen dat hij in zijn rechten of belangen benadeeld wordt en dat deze benadeling te wijten is aan het gedrag van zijn medeaandeelhouder.1 Vele scenario's zijn denkbaar. In de literatuur zijn diverse categorieën onderscheiden.2 In de praktijk blijkt echter dat de situaties niet zo strikt te scheiden zijn. Vaak is er een samenstel van gedragingen die tot uittreding aanleiding geven. De zaak kan dan in meer dan één categorie ondergebracht worden.3 Er is een zekere mate van overlap.
Niettemin is uit de jurisprudentie een aantal standaardsituaties te destilleren. Het startpunt (en eindpunt) van de problemen is de verstoorde verhouding tussen de partijen. Dit komt in iedere uitspraak expliciet terug.4 Baseert een aandeelhouder daarbij zijn uittreding op de hiernavolgende feiten en omstandigheden, dan volgt in beginsel zijn uittreding.5
(1) Degradatie van betrokkenheid als gevolg van gewijzigde omstandigheden
De eerste categorie duid ik aan met de degradatie van betrokkenheid als gevolg van gewijzigde omstandigheden.6 Het aandeelhouderschap wordt nader ingekleurd door de wijze waarop de aandeelhouders bij de vennootschap betrokken zijn. Door (bewust) handelen van de ene aandeelhouder wijzigt vervolgens de betrokkenheid van de andere aandeelhouder. Laatstgenoemde krijgt hierdoor een andere, meer inferieure positie in de vennootschap. De wijze waarop aandeelhouders hun samenwerking ooit vorm hebben gegeven, is derhalve aangepast. De ene aandeelhouder is nu meer ondergeschikt aan de ander dan voorheen het geval was. Omdat de samenwerking niet meer is zoals partijen beoogden, geven de gewijzigde omstandigheden aanleiding tot uittreding.7
Het gros van de uittredingszaken valt onder deze eerste categorie. De aandeelhouders hebben bewust voor elkaar gekozen in verband met elkaars persoonlijke kwaliteiten. De bij de vennootschap betrokkenen zijn in deze gevallen vaak niet alleen aandeelhouder, maar ook bestuurder (en werknemer). Zeggenschap en kapitaalverschaffing zijn met elkaar verweven. De verhoudingen raken in de loop der tijd verstoord en de samenwerking stokt. Vervolgens wordt één van de betrokkenen ontslagen als bestuurder. De specifieke verbondenheid met de vennootschap is nu deels verbroken. De ontslagen aandeelhouder heeft slechts een minderheidspakket en kan geen vuist maken tegen de meerderheidsaandeelhouder of het blok in de aandeelhoudersvergadering. Zijn stem gaat verloren. Op zijn vragen om informatie komt bijvoorbeeld geen antwoord. Omdat zijn aandelen feitelijk onverkoopbaar zijn, is zijn positie al snel te kwalificeren als een benarde positie. De uittredingsvordering ligt voor toewijzing gereed.8 Een variant is de familieverhouding waarbij alle broers van kind af aan werken in het bedrijf, gelijkelijk de aandelen van vader verdelen en allen zitting nemen in het bestuur.9 De basis van gelijkheid en broederschap is dan het uitgangspunt.
De Hooymans-casus is hiervoor illustratief.10 De rechtbank verwoordde treffend: 'De rechtbank acht de vordering tot gedwongen overname van de aandelen toewijsbaar. Toen de drie broers (Wim, Hennie en Geert, CB) samen aandeelhouder en directeuren van de vennootschappen werden, was de bedoeling kennelijk, dat zij ieder een gelijke machtsbasis kregen: hun aandeelhouderschap als kapitaalsmacht, en hun directielidmaatschap als bestuurlijke macht, onherroepelijk met elkaar verweven in de totale macht van telkens die broer, gelijk met die van de andere broers. Dit aandeelhouderschap kon daarom niet alleen begrepen worden als kapitaalverschaffing puur omwille van de revenuen. Toen nu Wim en Hennie in eendrachtige samenwerking Geert als directeur ontsloegen, ontnamen zij deze laatste aan zijn aandeelhouderschap het complement van het directeurschap, waardoor dit aandeelhouderschap voor hem zijn oorspronkelijke betekenis in samenhang met dat complement verloor, en ten zeerste werd gedegradeerd. Geert was zijn macht op het niveau van de directie kwijt, en moest vrezen, dat zijn broers hem op het niveau van het aandeelhouderschap zouden negeren of in ieder geval overstemmen. Hierdoor werd Geert zodanig in zijn belangen als aandeelhouder geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem gevergd kon worden. En nu kan het wellicht wel zijn, dat Wim en Hennie gegronde redenen hadden om Geert te ontslaan aangezien hij disfunctioneerde. Doch dat neemt niet weg dat zij hem op deze wijze tevens ten zeerste in zijn aandeelhouderschap troffen, en daar gaat het in casu om, en niet om de kwestie van schuld of onschuld.'
De OK honoreerde dit standpunt van de rechtbank. Het ontslag als bestuurder leidde tot een 'degradatie van het aandeelhouderschap' wat de aandeelhouder niet behoefde te dulden. Hij mocht uittreden.11 De casus van de gebroeders Hooymans is een schoolvoorbeeld van de gewijzigde omstandigheden waarna een minderheidsaandeelhouder door de stemverhoudingen in een benarde positie geraakt.12
Het vreemde is dat het ontslag als bestuurder niet als onredelijk bestempeld hoeft te worden.
Een goed voorbeeld op dit punt is de casus van Newton 21.13 De minderheidsaandeelhouder Van Meer was met onmiddellijke ingang als statutair directeur ontslagen en geschorst. De vraag of dit ontslag arbeidsrechtelijk kennelijk onredelijk was, lag nog open. Het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit werd door Van Meer niet (eens) aangevochten. Hij vorderde zijn uittreding en stelde dat, naast het ontslag, hem door de andere aandeelhouders noodzakelijke informatie over het reilen en zeilen van de vennootschap werd onthouden. De rechtbank Breda wees zijn vordering toe.
De meerderheidsaandeelhouder kan voor het ontslag van een bestuurder stemmen, terwijl de (arbeidsrechtelijke) grond voor een dergelijk stemgedrag volledig ontbreekt. De aandeelhouder doet in zo'n geval niets anders dan gebruik maken van zijn stemrecht. Bij deze eerste categorie is dus zichtbaar dat van verwijtbaar gedrag van een aandeelhouder tegen wie de uittredingsvordering is ingesteld, geen sprake hoeft te zijn.
Ik vind het een moeilijk te verteren gedachte dat voor toewijzing van de uittredingsvordering de gedragingen niet per se verwijtbaar behoeven te zijn. Een aandeelhouder kan zich dus gedwongen zien de aandelen van een ander over te nemen, waarbij hij mogelijk diep in de buidel moet tasten en gedwongen wordt te betalen, terwijl hem niet direct 'blaam' treft. Dit acht ik niet juist. Een 'brandschone' aandeelhouder moet niet tot betaling gedwongen worden. Een zekere mate van verwijtbaarheid moet volgens mij aanwezig zijn. De benarde positie van de ene aandeelhouder moet een gevolg zijn van het verwijtbaar handelen van de ander.
Mijns inziens is ontslag als bestuurder sec dus niet voldoende. De aandeelhouder raakt dan niet direct in een benarde positie. Voor uittreding zijn bijkomende omstandigheden nodig, zoals het onthouden van de aandeelhouder toekomende informatie.14 Deze omstandigheid moet vervolgens de andere aandeelhouders zijn aan te rekenen.
Uit de rechtspraak vloeit voort dat het niet enkel gaat om de degradatie van betrokkenheid als gevolg van gewijzigde omstandigheden, maar ook om de verstoorde verhoudingen. Welke van de twee er zich het eerst manifesteert, doet eigenlijk niet ter zake. De samenwerking tussen de betrokkenen stokt en overleg leidt tot niets. De aandeelhouders zetten dan de hakken in het zand en blokkeren de besluitvorming of 'misbruiken' hun meerderheidspositie in de aandeelhoudersvergadering door de minderheidsaandeelhouder als bestuurder te ontslaan. De omstandigheden zijn gewijzigd en de verstoorde verhouding is een feit.
(2) Verwijtbaar onrechtmatig handelen
De tweede categorie ziet op gedrag van de medeaandeelhouder dat is te kwalificeren als verwijtbaar onrechtmatig handelen. Het antwoord op de schuldvraag wijst de aandeelhouder aan die de aandelen moet overnemen. Uit de jurisprudentie komt een kleurrijk beeld naar voren.15 Zo is de vennootschap oneigenlijke concurrentie aandoen verwijtbaar.
De architecten van Architektenburo maakten het wel erg bont: 'Het oprichten en instandhouden van een zogenoemde nevenvennootschap, waaraan een op de naam van de vennootschap gelijkende naam is gegeven en die kantoorhoudt op hetzelfde adres als de vennootschap en het laten verrichten door de nevenvennootschap van werkzaamheden ter uitvoering van de door de vennootschap verkregen opdrachten (...).' De OK kwalificeerde een en ander als 'geïncrimineerde gedragingen.16
(3) Gedrag in strijd met vennootschapsrechtelijke regels
De derde soort gedragingen die ik onderscheid, zouden eveneens te scharen zijn onder de vorige categorie. Omdat deze gedragingen echter specifiek verband houden met de vennootschapsrechtelijke inkleding van de samenwerking, acht ik de kwalificatie als een aparte groep gerechtvaardigd. Bovendien is de onrechtmatigheid niet in elk geval evident.17 Het gaat in deze categorie om gedrag in strijd met vennootschapsrechtelijke regels, neergelegd in de wet of de statuten.18
Is de blokkeringsregeling vormgegeven als een aanbiedingsregeling, waarbij het de aandeelhouders vrijstaat de aangeboden aandelen te weigeren, dan is het niet aanvaarden van de aangeboden aandelen natuurlijk niet een gedraging die laakbaar is en uittreding rechtvaardigt.19 Handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid (van art. 2:8 BW) leidt wél tot de uitkomst dat uittreding is toegestaan.
Het voor eigen rekening handelen in koeienembryo's werd aandeelhouder Ramp (sic) fataal. Net als Lensen hield hij de helft van de aandelen in de vennootschap Holstar, beiden waren tevens bestuurder. Al na twee jaar ging Ramp concurrerende activiteiten ontwikkelen door buiten het verband van de vennootschap ook de embryomarkt op te gaan. De OK stelde dat de omzet en de winst van Holstar juist behaald moesten worden door de loyale inzet van beide directeuren/aandeelhouders Ramp en Lensen. Het ging niet aan dat Ramp vervolgens de samenwerking abrupt feitelijk beëindigde en de activiteiten, die hij tot dan in het kader van de vennootschap bedreef, voor zichzelf was gaan bedrijven. Deze volle concurrentie met de vennootschap was jegens de vennootschap en jegens de andere aandeelhouder Lensen in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. Het ontbreken van een non-concurrentiebeding deed hieraan niet af. De uittredingvordering van Lensen werd toegewezen.20
Uit de uitspraak inzake Ramp/Lensen volgt dat de OK in dit geval concurrentie met de vennootschap ziet als een gedraging in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Annotator Van den Ingh plaatst een kanttekening bij deze opvatting, omdat concurrentie niet onder de werkingssfeer van de interne regel van art. 2:8 BW zou vallen.21 Echter, de omstandigheden dat de persoonlijke betrokkenheid van de aandeelhouders was vereist voor de omzet en winst van de vennootschap en de BV dus duidelijk het karakter van een samenwerkingsverband had, brengen mee dat de loyaliteitsverplichtingen zwaarder wegen. De OK had overigens — onder verwijzing naar het twee jaar eerder gewezen arrest Architektenburo — buiten de discussie over de reikwijdte van art. 2:8 BW kunnen blijven door simpelweg te toetsen aan het criterium van art. 2:343 BW. Concurrentie is dan voldoende voor uittreding.
Ook het met voeten treden van de rechten van een aandeelhouder kan uittreding tot gevolg hebben. De grootaandeelhouder die tevens bestuurder is, dient zorgvuldig met de minderheidsaandeelhouder om te gaan. De vergader- en informatierechten die een aandeelhouder heeft, behoren te worden nageleefd. Ook het jarenlang niet uitkeren van dividend kan als omstandigheid bijdragen aan de toewijzing van de uittredingsvordering.22
Het gedrag van de 75%-grootaandeelhouder (tevens enig bestuurder) van Van Butsen Vastgoed en Schepen BV kwalificeerde Slagter als 'beneden ieder peil'. Naast het jarenlang bewust negeren van de aanwezigheid van de 25%-aandeelhouder, was het `leegpompen' van de BV door het overhevelen van de activa en activiteiten naar een enkel aan hem toebehorende vennootschap de druppel. Zijn manipulaties vielen onder art. 2:207c BW, maar de verboden handelingen waren verricht voor de inwerkingtreding van dit wetsartikel. De uitgemolken 25%-aandeelhouder mocht uittreden, omdat de handelswijze van de grootaandeelhouder een onrechtmatige daad jegens haar en de vennootschap opleverde.
In een aandeelhoudersovereenkomst worden niet zelden aanvullende bepalingen omtrent de positie van de aandeelhouder vastgelegd. Wordt de naleving van deze extra rechten en verplichtingen met voeten getreden, dan weegt dit mee in de toets of uittreding gerechtvaardigd is. Een voorbeeld uit de rechtspraak laat zien dat handelen in strijd met de uit een aandeelhoudersovereenkomst voorvloeiende verzwaarde goedkeuringseisen voor belangrijke aandeelhoudersbesluiten, de voorafgaande goedkeuring van het `jaarplan' en diverse overleg- en informatieverplichtingen een benarde positie van de minderheidsaandeelhouder meebrengen.23 Ook al heeft zo'n aandeelhouder gezien zijn geringe belang dus op grond van de statuten feitelijk niets in te brengen, zijn benarde positie vloeit voort uit de wijze waarop destijds in de samenwerking was voorzien, maar waar geen uitvoering meer aan wordt gegeven. De aandeelhoudersovereenkomst speelt bij de afweging van alle feiten en omstandigheden zo een belangrijke rol voor de toetsing aan de norm van art. 2:343 BW.