Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/1.4:1.4 Plan van behandeling
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/1.4
1.4 Plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466768:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.4.2 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer); EHRM 19 maart 2002,JOR 2002, 127 (Text Lite Holding, m.nt. De Kluiver).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
6. In het voorgaande is al vermeld welk doel de wetgever voor ogen stond met de introductie van de enquêteprocedure in 1928 en de aanpassing ervan in 1971. In hoofdstuk 2 wordt nader bezien welke de achtergronden zijn van de enquêteregeling en op welke wijze aan de ideeën is vormgegeven. Vervolgens onderzoek ik in hoofdstuk 3 aan de hand van verschillende beschikkingen van de Hoge Raad welke de grenzen zijn van het toepassingsgebied van het enquêterecht en van de bevoegdheden van de Ondernemingskamer. Het onderzoek bestaat voor het overige uit twee delen. In de hoofdstukken 4 en 5 staan de impasseprocedures centraal. Beide hoofdstukken zijn op soortgelijke wijze opgebouwd. Ik breng in kaart welke de aard is van de problemen en welke inspanningen de Ondernemingskamer heeft gepleegd teneinde de impasses te doorbreken, zowel in de eerste fase (hoofdstuk 4) als de tweede fase van de procedure (hoofdstuk 5). Vervolgens bezie ik in beide hoofdstukken of de Ondernemingskamer in de onderscheiden procedures is gebleven binnen de grenzen van haar bevoegdheden en of de enquêteprocedure toereikend is de geschillen te beslechten. Hoofdstuk 6 vormt het tweede deel van het onderzoek. In dit hoofdstuk wordt geanalyseerd welke de betekenis is van het oordeel van de Ondernemingskamer dat (leden van) organen verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid en worden de beslissingen belicht van de Hoge Raad en het EHRM in de procedure inzake Text Lite Holding omtrent de bevoegdheden van de Ondernemingskamer en de al dan niet verenigbaarheid van de enquêteprocedure met art. 6 EVRM.1 Tevens zet ik aan de hand van een procesrechtelij intermezzo de beschikkingen van de Hoge Raad inzake OGEM Holding (gezag van gewijsde) en Laurus (het voorshandse bewijsoordeel) tegen elkaar af en onderzoek ik op welke wijze en in welke mate de overwegingen van de Ondernemingskamer aangaande de individuele verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen voor het wanbeleid c.q. onjuiste beleid kunnen doorwerken in latere procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW. Het onderzoek wordt afgesloten met een samenvatting van bevindingen (hoofdstuk 7).
Het onderzoek is afgesloten per 1 juli 2009.