Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.4.4
7.4.4 Gevolgen
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577576:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 20 september 2001, zaak C-453/99 (Courage/Crehan), Jur. 2001, p. 1-6297. Het HvJ EG maakt in CouragelCrehan duidelijk dat de aansprakelijkheid die gebaseerd is op het Gemeenschapsrecht zowel contractueel als delictueel kan zijn. Zie Van Gerven 2002, p. 72; Komninos 2002, p. 466 e.v.
Zippro 2005a, p. 198-199.
Van Gerven 2002, p. 72; Zippro 2005a, p. 199; HvJ EG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90 (Francovich), Jur. 1991, p. 1-5357. De lidstaataansprakelijkheid is verder uitgewerkt in HvJ EG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029.
Crehan bracht als verweer naar voren dat een regel van nationaal recht volgens welke de rechter een partij niet mag toestaan zich ter verkrijging van schadevergoeding op haar eigen onrechtmatige handelingen te beroepen, onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Van Gerven 2002, p. 72; Zippro 2005a, p. 199. Van Gerven wijst op het feit dat wat de onrechtmatigheidsvoorwaarde betreft, 'natuurlijk niet de factor in acht (dient) te worden genomen, zoals in voormelde rechtspraak, dat in de overtreden norm een beleidsmarge kan besloten liggen voor de betrokken overheid'. Voor een particulier die de mededingingsregels schendt 'geldt veeleer een objectief (fout) beginsel van toerekenbare onrechtmatigheid' aldus Van Gerven.
Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 53.
Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 52-53.
HvJ EG 17 september 2002, zaak C-253/00 (Muñoz/Frumar), Jur. 2002, p. 1-7289, NJ 2003, 702, m.nt. MRM. In Muñoz/Frumar kon een verordening die geen specifieke subjectieve rechten toekende aan particulieren, op grond van het doel en het nastreven van de volle werking van het gemeenschapsrecht met zich meebrengen dat particulieren zich er onderling op kunnen beroepen. Particulieren moeten dan ook een civielrechtelijke vordering kunnen instellen tot toewijzing van een rechterlijk verbod.
Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 53.
Het arrest Courage/Crehan heeft duidelijk gemaakt dat vorderingen tot schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht op grond van het Europees Gemeenschapsrecht zelf voor de nationale rechters moeten kunnen worden ingesteld.1 Of het nationale recht het instellen van een vordering tot schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht al dan niet mogelijk maakt, is niet meer van doorslaggevend belang.2 Een contractpartij kan zich altijd beroepen op artikel 81 EG. Een vordering tot verkrijging van schadevergoeding mag niet onmogelijk zijn op de enkele grond dat de eiser partij is bij de kartelovereenkomst. Het HvJ EG formuleert tevens een aantal gezichtspunten die door de nationale rechter in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van een vordering tot verkrijging van schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht.
De consequenties van deze uitspraak van het HvJ EG voor de Nederlandse situatie zijn op het eerste gezicht niet groot, nu een vordering tot schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht ook op grond van ons Burgerlijk Wetboek toewijsbaar kan zijn. Het HvJ EG zal er echter niet onderuit komen om, net zoals dat in en na Francovich is gedaan op het terrein van de staatsaansprakelijkheid, in zijn vervolgrechtspraak criteria te ontwikkelen waaraan voldaan moet zijn om recht te hebben op schadevergoeding.3 De voorwaarden om recht te hebben op schadevergoeding zijn helaas niet helder gedefinieerd in Courage/Crehan, nu het HvJ EG zich moest beperken tot het specifieke verweer van Crehan.4 In Francovich kunnen echter veel concrete aanwijzingen worden gevonden voor wat betreft de voorwaarden voor onrechtmatigheid.5
In de eerste plaats dient het bij lidstaataansprakelijkheid (Francovich), evenals bij aansprakelijkheid van de Gemeenschap (§ 7.5), te gaan om een voldoende gekwalificeerde schending van een regel van gemeenschapsrecht. In de tweede plaats moet er schade zijn geleden. In de derde plaats dient er een causaal verband te bestaan tussen de schending en de schade.6 In de vierde plaats moet de geschonden regel bedoeld zijn om particulieren te beschermen en dus de strekking hebben om aan particulieren rechten toe te kennen.7 Het hoeft daarbij niet om subjectieve rechten te gaan (het is niet vereist dat de geschonden regel uitdrukkelijk rechten aan particulieren toekent).8 Anders dan bij aansprakelijkheid van particulieren is het bij lidstaat-aansprakelijkheid niet van belang of de regel directe werking heeft. Directe werking staat dan ook niet in de weg aan lidstaataansprakelijkheid (samenloop is het uitgangspunt).9