Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.9
4.3.6.9 Verandering of vermeerdering van eis of verzoek in hoger beroep
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS377406:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Datzelfde gold ook al vóór de herziening van het procesrecht per 1 januari 2002, zie art. 347 lid 1 (oud) Rv en, voor de overeenkomstige toepassing van art. 429i (oud) Rv op het hoger beroep verzoekschriftprocedures, HR 8 juni 1973, NJ 1973, 406 (DJV). Nader over de wijziging van eis in hoger beroep: Snijders & Wendels 2003, nrs. 187-193.
Zie HR 27 november 1987, NJ 1988, 369 (essentie).
Zie Snijders & Wendels 2003, nr. 189.
Nader hierover - evenwel uitgaande van de mogelijkheid dat in het kader van een wijziging van verzoek nieuwe grieven worden aangevoerd en dat de regeling van wijziging van eis of verzoek in zoverre derhalve de in beginsel strakke regel kan doorbreken dat de appèlrechter uitsluitend mag letten op grieven die in de memorie van grieven of het beroepschrift staan - de annotatie van Ras bij HR 8 januari 1993, NJ 1993, 299 en Ras/Hammerstein 2004, nrs. 38139.
HR 8 december 2000, NJ 2001, 197.
Vóór de herziening van de wettelijke regeling van het procesrecht in 2002 waren dit ingevolge art. 134 (oud) Rv de enige gronden waarop de rechter, na verzet van de gedaagde, een eisverandering of -vermeerdering kon passeren. Uit de parlementaire geschiedenis van het huidige art. 130 Rv blijkt dat de wetgever met de verwijzing naar de eisen van een goede procesorde in dit artikel geen verandering in de aan de toelaatbaarheid van de wijziging aan te leggen criteria heeft beoogd. Desalniettemin laat art. 130 Rv wel ruimte voor de toepassing van andere criteria, nu het oordeel van de rechter dat een wijziging in strijd is met de goede procesorde, zoals gezegd, wegens haar verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts zeer beperkt kan worden getoetst. Zie uitgebreid hierover infra, par. 73.11.
Hierover Snijders & Wendels 2003, nr. 190.
NJ 1978, 297 (WHH).
Eerder al, in zijn arrest van 13 december 1963, NJ 1964, 145 had de Hoge Raad beslist dat de strekking van het hoger beroep meebrengt dat eiser feiten die hij in eerste aanleg heeft verworpen, in hoger beroep alsnog aan een gewijzigde vordering ten grondslag kan leggen.
Zie Snijders & Wendels 2003, nr. 200 en Vriesendorp 1970, nr. 136 en 1981, p. 68.
HR 22 januari 1999, NJ 1999, 715 (HJS).
Zie ook HR 10 maart 1995 (Holtrop/Stevens), NJ 1996, 299 (HJS), waarover uitgebreider nr. 530 en nr. 537.
Vgl. de conclusie sub nr. 3.13 van A-G Wesseling-van Gent voor HR 8 december 2000 (Zeegers/Franssen), NJ 2001, 197. Zie ook Snijders & Wendels 2003, nr. 190.
190. De regeling van de wijziging van eis of verzoek of de gronden daarvan in eerste aanleg is uit hoofde van de art. 353 (dagvaardingsprocedures) en 362 (verzoek-schriftprocedures) Rv van overeenkomstige toepassing in de procesgang in hoger beroep.1 Ook in hoger beroep dient de toelaatbaarheid van een verandering of vermeerdering van eis of verzoek te worden beoordeeld aan de hand van de eisen van een goede procesorde (art. 130 Rv (jo. art. 283 Rv voor verzoekschriftprocedures)). Daarbij geldt dat het enkele feit dat de wijziging van eis of verzoek wordt opgeworpen nadat de conclusiewisseling in hoger beroep heeft plaatsgevonden (dan wel nadat het beroepschrift en verweerschrift zijn ingediend), onvoldoende is om de wijziging ontoelaatbaar te achten. Art. 130 lid 1 Rv stelt immers voorop dat (oorspronkelijk) eiser daartoe bevoegd is, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen.2 Wel zal een late eiswijziging in hoger beroep de rechter (op verzet van de wederpartij, dan wel ambtshalve) tot het oordeel kunnen brengen dat de eiswijziging het geding onredelijk vertraagt en derhalve, als in strijd met de goede procesorde, buiten beschouwing moet worden gelaten. Bovendien is denkbaar dat de rechter in appèl eerder tot het oordeel zal komen dat aan een eisverandering of -vermeerdering moet worden voorbijgegaan omdat deze (oorspronkelijk) gedaagde onredelijk in zijn verdediging zou bemoeilijken, omdat toelating van de verandering of vermeerdering de gedaagde berooft van een instantie, in zoverre die eis is veranderd of vermeerderd.3
Hoewel een vermeerdering of verandering van eis of verzoek, dan wel van de grondslag daarvan, in hoger beroep tot gevolg kan hebben dat het vonnis in eerste aanleg alleen daarom al niet meer houdbaar is, dient een dergelijke wijziging niet te worden aangemerkt als een nieuwe grief. De wijziging strekt immers niet ten betoge dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.4
191. Dat het hoger beroep partijen de gelegenheid biedt om eigen verzuimen in de procesvoering te herstellen, werkt ook door in de beoordeling van de toelaatbaarheid van een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep. Uit het arrest van Zeegers/Franssen5 kan worden opgemaakt dat de enkele omstandigheid dat de door appellant in hoger beroep aangevoerde verandering of vermeerdering van eis of verzoek of de gronden daarvan zich niet goed verdraagt met de in eerste aanleg door hem aangevoerde stellingen, niet aan de toelaatbaarheid van die verandering of vermeerdering in de weg mag staan. De Hoge Raad overwoog:
'Het hoger beroep strekt mede ertoe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen hij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Op grond van art. 347 Rv. in verbinding met art. 134 [(oud), vcal] Rv. komt aan de oorspronkelijke eiser de bevoegdheid toe om in hoger beroep zijn eis te veranderen of te vermeerderen, hetgeen onder meer kan geschieden door de grondslag van de vordering te vervangen door een andere of aan te vullen met een andere, subsidiair aangevoerde grondslag, ook ingeval de eiser in de procedure in eerste aanleg met betrekking tot die andere grondslag een daarmee strijdig standpunt heeft ingenomen.'
Van belang in deze zaak was evenwel dat de rechtbank in hoger beroep de verandering van de grondslag van de eis ontoelaatbaar ('ondeugdelijk') had geoordeeld, ook al had Franssen zich niet tegen die verandering verzet. Onder de vigeur van art. 134 (oud) Rv had de rechter echter niet de bevoegdheid om, zoals thans, een wijziging van eis of de gronden daarvan ambtshalve buiten beschouwing te laten. Men kan zich dan ook afvragen of de beslissing van de Hoge Raad anders zou zijn uitgevallen als Franssen zich wel tegen de verandering had verzet. De rechtbank had dan moeten beoordelen of Franssen door de verandering of vermeerdering onredelijk in zijn verdediging zou worden bemoeilijkt of dat het geding door die verandering of vermeerdering onredelijk zou worden vertraagd. Een oordeel daarover kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid, doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.
De Hoge Raad fundeert zijn oordeel echter niet op het ontbreken van het vereiste verzet van Franssen - in het cassatiemiddel werd er ook niet over geklaagd dat de rechtbank de eiswijziging bij ontbreken van verzet van Franssen had moeten toelaten - maar op de herstelfunctie van het hoger beroep. Daarom lijkt uit het arrest te mogen worden afgeleid dat de enkele omstandigheid dat de wijziging zich niet goed verdraagt met een in eerste aanleg ingenomen standpunt, onvoldoende is voor het oordeel dat de wijziging wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Voor dat oordeel is de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden vereist, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de oorspronkelijk gedaagde onredelijk wordt bemoeilijkt in zijn verdediging of de omstandigheid dat de wijziging de procedure onredelijk vertraagt.6
192. Interessant is of de regeling van wijziging van eis of verzoek ruimte laat voor het - ambtshalve - oordeel dat oorspronkelijk eiser of verzoeker zijn bevoegdheid daartoe heeft verwerkt of prijsgegeven. Vooropgesteld zij dat het prijsgeven van bepaalde stellingen een afstand van (een deel van) de materieelrechtelijke aanspraak van eiser of verzoeker kan inhouden, bijvoorbeeld ingeval hij een deel van zijn vorderingen of verzoek intrekt. In een dergelijk geval zal oorspronkelijk eiser of verzoeker in hoger beroep nog wel zijn eis of verzoek kunnen vermeerderen met de ingetrokken vordering of het verminderde gedeelte van de vordering of het verzoek, maar indien de rechter oordeelt dat hij daarvan reeds afstand had gedaan, kan hij dat gedeelte van de eis of het verzoek niet meer toewijzen. Iets anders is de vraag of eiser of verzoeker de procesrechtelijke bevoegdheid om de eis of het verzoek te vermeerderen of te veranderen kan verwerken of prijsgeven.7
De regeling van art. 348 Rv, inhoudende de onmogelijkheid voor oorspronkelijk gedaagde om in hoger beroep nieuwe verweren aan te voeren die in eerste aanleg zijn gedekt, door hem prijsgegeven, kan worden beschouwd als een specialis van het leerstuk afstand van recht. De wet behelst echter geen vergelijkbare uitwerking van het leerstuk toegespitst op de mogelijkheid van oorspronkelijk eiser om in hoger beroep nieuwe stellingen aan te voeren. Dat is evenwel ook niet nodig, indien het leerstuk van afstand van recht wordt beschouwd als een algemeen leerstuk met een betekenis die de grenzen van afzonderlijke rechtsgebieden overstijgt en derhalve ook kan worden toegepast op de uitoefening van materiële procesrechtelijke bevoegdheden, zoals de bevoegdheid van eiser tot het veranderen of vermeerderen van zijn eis.
In een arrest van 17 februari 19788 heeft de Hoge Raad uitgesproken dat een vermeerdering van eis (in hoger beroep) niet reeds daarom ontoelaatbaar is, omdat eiser in eerste instantie de vordering had ingetrokken waarmee hij zijn eis in hoger beroep wenste te vermeerderen.9 Nu gedaagde zich voorts niet tegen de vermeerdering had verzet op de wijze als door art. 134 (oud) Rv voorgeschreven, stond ook dat voorschrift niet aan de vermeerdering in de weg. Daarnaast was er, zo overwoog de Hoge Raad, geen plaats voor een ambtshalve toepassing van de eisen van een goede procesorde. De klacht van oorspronkelijk gedaagde in cassatie dat oorspronkelijk eiser niet in hoger beroep op een in eerste aanleg prijsgeven van zijn aanspraken kon terugkomen, faalde bovendien volgens de Hoge Raad, nu het hof in de stellingen van de vrouw kennelijk geen beroep op een prijsgeven van (materieelrechtelijke) aanspraken door de man had gelezen en een dergelijk verweer als van feitelijke aard niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan komen.
Kennelijk beschouwde de Hoge Raad het enkele feit dat eiser een deel van zijn vorderingen had ingetrokken, niet als het prijsgeven van een deel van eisers materiële aanspraken, noch als het prijsgeven van eisers bevoegdheid om in het lopende geding het ingetrokken gedeelte van zijn eis andermaal aan de orde te stellen. Dat een intrekking of vermindering van eis geen materieelrechtelijke gevolgen heeft, is vanzelfsprekend indien men bedenkt dat de intrekking of vermindering veelal niet is ingegeven door de wens om aanspraken te laten varen, maar door de tijdens het proces opgekomen wens om die aanspraken op dat moment toch (nog) niet ter beoordeling aan de rechter voor te leggen, bijvoorbeeld omdat partijen daarover in onderhandeling zijn getreden. Minder vanzelfsprekend is het oordeel dat een vermindering of intrekking van eis ook niet een prijsgeven inhoudt van de processuele bevoegdheid om het verminderde gedeelte in de lopende procedure aan de orde te stellen. Geeft eiser immers niet juist met de eisvermindering aan dat hij het verminderde gedeelte niet langer in die procedure wil betrekken?
Ten tijde van het wijzen van voornoemde arresten sloot het toen geldende art. 134 (oud) Rv een ambtshalve weigering van een verandering of vermeerdering van eis uit. Sinds 2002 voorziet art. 130 Rv echter wel in de mogelijkheid daartoe. Naar de heersende opvatting laat afstand van recht zich ambtshalve toepassen door de rechter, als de daartoe noodzakelijke feiten in de procedure zijn gesteld of zijn gebleken. Nu een intrekking van (een gedeelte van) de eis in de procedure geschiedt, ten overstaan van de rechter, zou de rechter thans ambtshalve kunnen oordelen dat eiser daarmee zijn bevoegdheid om die eis (of dat gedeelte van de oorspronkelijke eis) in de betreffende procedure in te stellen, heeft prijsgegeven. Bij een dergelijke intrekking en latere vermeerdering is immers niet alleen het processuele belang van gedaagde in het geding, maar ook het algemene belang van een goede, doelmatige rechtspleging. Men bedenke dat naar de heersende overtuiging de rechter ook ambtshalve op voet van art. 348 Rv mag oordelen dat een nieuwe, door oorspronkelijk gedaagde in hoger beroep aangevoerde weer, in eerste aanleg is gedekt.10
Of eiser het recht om zijn eis op een bepaalde manier te wijzigen kan verwerken, valt op grond van de gepubliceerde jurisprudentie moeilijk te zeggen. Gevallen waarin de rechter diende te oordelen over een beroep van oorspronkelijk gedaagde op de verwerking van dat recht, hebben zich in de gepubliceerde rechtspraak nog niet voorgedaan. Hiervoor kwam al de uitspraak aan bod waarin de Hoge Raad uitsprak dat op zichzelf niet is uitgesloten dat de appèlrechter aan processueel gedrag in eerste aanleg in samenhang met een voorafgaand aan het geding aangenomen houding, de slotsom verbindt dat een procespartij het recht heeft verloren om voor het eerst in appèl een bepaald standpunt in te nemen.11 De Hoge Raad merkte daarbij evenwel op dat de appèlrechter hiermee, gezien de herstelfunctie van het hoger beroep voor de appellerende partij, terughoudend dient te zijn.12 Er lijkt echter geen reden om te veronderstellen dat de bevoegdheid om een eis of verzoek (op een bepaalde manier) te veranderen of vermeerderen zich zou onttrekken aan de mogelijkheid van verwerking.13