Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.3.4
3.3.4 De IJzerdraad-criteria en het daderschap van rechtspersonen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346091:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Strien 2006, p. 247-248; Van Elst 2006, p. 435-436. Ook Knigge acht de aard van het delict (ordeningsdelict of commuun delict) van belang voor de toe te passen daderschapscriteria. Aangezien de IJzerdraad-criteria vanwege hun subjectieve elementen het vaststellen van daderschap bewerkelijk maken, en daarmee een effectieve wetshandhaving frustreren (hetgeen volgens Knigge het zwaarst weegt bij ordeningsdelicten) dienen zij volgens hem bij ordeningsdelicten buiten beschouwing te worden gelaten. Knigge heeft deze opmerkingen in 1997 gemaakt, nog voordat het Drijfmest-arrest in 2003 werd gewezen. Zie Knigge 1997, p. 19. Ik vraag mij af of hij dit nog steeds vindt, gezien de objectieve inkleuring die het aanvaardingscriterium heeft gekregen. Hierdoor heeft het frustrerende karakter van de criteria mijns inziens in ieder geval aan kracht ingeboet.
De Valk verwijst daarbij naar het Schiphol-arrest van de Hoge Raad uit 2004 waarin ten aanzien van een verboden opslag van explosieven op Schiphol beslist werd dat voor het daderschap van Schiphol van belang was of zij als drijver van de inrichting zeggenschap had over het laten weghalen van de explosieven en niet over het plaatsen ervan. De Valk 2009, p. 319-320. HR 9 maart 2004,ECLI:NL:HR:2004:AN9919. Zie ook Kessler 2007, p. 211.
Zie Vellinga en Vellinga-Schootstra 2005, p. 536.
Zie Hornman 2010 en Sikkema 2010, p. 87-92.
Zie Gritter 2007b, p. 61. Vgl. De Hullu 2018, p. 179 die de nadruk op de omstandigheden van het geval legt wanneer hij stelt dat het een aansprekende werkwijze is om de redelijke toerekening te baseren op een combinatie van omstandigheden die in de bewijsmotivering aan bod komen.
Zie Gritter 2007b, p. 64 en 69 en Hornman 2010, p. 13; Zie ook Sikkema voor wie als uitgangspunt geldt dat daderschap normaliter een indicatie voor verwijtbaar handelen dient te zijn. Sikkema 2010, p. 90.
Met betrekking tot het toepassingsbereik van de criteria zijn sommige auteurs van mening dat er gedifferentieerd moet worden per soort delict. Zo zou toepassing van de IJzerdraad-criteria bij functionele economische delicten minder voor de hand liggen omdat bij dit soort delicten, die voorschriften bevatten voor economische (en sociale) activiteiten, in het algemeen sneller verwijtbaarheid wordt aangeno men dan bij niet functionele (commune) delicten.1 Daarbij ligt het in de rede, zo wordt betoogd, om ‘vrij objectieve daderschapscriteria’ te hanteren voor de vaststelling van daderschap. De IJzerdraad-criteria zouden dan vanwege hun overwegend subjectieve karakter buiten toepassing blijven. Andere auteurs willen de aard van de gedraging centraal stellen bij de beantwoording van de vraag welke daderschapscriteria moeten worden toegepast. De Valk is bijvoorbeeld van mening dat bij delicten die zien op een nalaten, de schending van een zorgplicht of het verbieden van een bepaalde toestand, het aanvaardingscriterium minder voor de hand ligt voor de beoordeling van het daderschap. Beschikkingsmacht over het feit zou moeten volstaan.2 Er zijn ook auteurs die de delictsomschrijving en de aard van de daarin verboden gedraging bepalend achten voor de vraag welke omstandigheden het daderschap van de rechtspersoon (kunnen) constitueren. Volgens Vellinga en Vellinga-Schootstra staat daarbij de uitleg van de delictsgedraging centraal en zal afhankelijk van de aard en de strekking daarvan de ene dan wel de andere omstandigheid of een samenstel van omstandigheden bepalend zijn.3
Er zijn ook auteurs die geen doorslaggevende betekenis willen hechten aan het soort delict of de aard van de gedraging. Zij wijzen op de aard van de activiteiten die de rechtspersoon uitoefent. Indien de gedraging past binnen het kader van het doel waartoe de rechtspersoon is opgericht, dient het bedrijfsvoeringscriterium voorop te staan. Hoe verder de gedraging daarvan af komt te staan, hoe meer aanleiding is om de (relatief) subjectieve IJzerdraad-criteria toe te passen.4 Volgens Sikkema ontstaat dan in wezen een onderscheid tussen gedragingen die in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden en gedragingen die buiten de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. In het eerste geval voldoet het bedrijfsvoeringscriterium, waarin zowel het werkzaamheidscriterium als het baatcriterium besloten liggen, en in het tweede geval zullen vanwege het wezensvreemde karakter van de gedragingen de IJzerdraad-criteria toegepast moeten worden. Gritter bepleit een benadering waarin de feitelijke omstandigheden doorslaggevend zijn bij de keuze van de daderschapscriteria.5 Hij stelt dat de betrachte zorgvuldigheid bij het geheel aan gebeurtenissen die tot de strafbare gedraging hebben geleid, de ondergrens van het daderschap vormt.6 Indien de rechter tot het oordeel komt dat de rechtspersoon de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen ter voorkoming van de strafbare gedragingen die hebben plaatsgevonden, dient het daderschap te worden afgewezen ongeacht de toepasselijkheid van de overige omstandigheden.