Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.4.6.3
3.4.6.3 Verschil qua overgangsrecht
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS586874:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie 3.4.4.4.
Ontwerp-Maeijer, art. 832 lid 4.
Het Ontwerp-Maeijer verlangde een levering en hanteerde daarbij dezelfde formulering als art. 3:186 BW. Daarbij kan zijn bedoeld dat beperkingen van de overdraagbaarheid buiten toepassing konden blijven. Anders: Van Olffen 2003, p. 222.
Bij deze stichtingen golden vóór 1957 de bestuurders als ‘ambtelijk’ eigenaar van het stichtingsvermogen; zie Asser/Scholten I-2 1940, p. 56; een oud-notaris vertelde mij dat bij een bestuurswissel geen levering placht plaats te vinden.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 6 lid 2 en art. 33; zie ook rapport, p. 26, concept-MvT, p. 77-79 en 123/124. Welke bestanddelen in de visie van deze werkgroep precies tot de vennootschappelijke gemeenschap moeten worden gerekend, maakt zij niet duidelijk. De oplossing van de werkgroep voor goederen die worden geleverd bij notariële akte komt overeen met de hierboven beschreven oplossing uit het Ontwerp-Maeijer.
Het verschil tussen beide constructies – een van de vennoten geabstraheerde rechtspersoon versus een collectiviteit die rechtssubject is – heeft bij invoering van titel 7.13 BW gevolgen voor het overgangsrecht. Zoals aangegeven, kunnen tot het vermogen van bestaande VOF’s vermogensbestanddelen behoren, die buiten de wisselvertegenwoordiging vallen.1 Wordt naar komend recht gekozen voor de rechtsbevoegde VOF, dan kan die situatie voor bestaande gevallen eenvoudig worden gehandhaafd. Voor vermogensbestanddelen die buiten de wisselvertegenwoordiging vallen, blijft dan het maatschapsregime gelden, terwijl er toch één (afgescheiden) vennootschapsvermogen is.
Kiest men naar komend recht voor de VOF-rechtspersoon, dan wordt het overgangsrecht complexer. Men kan de in wisselvertegenwoordiging gehouden vermogensbestanddelen van rechtswege op de rechtspersoon doen overgaan en de overige vermogensbestanddelen in gemeenschap tussen de (danmalige) vennoten laten. Beide gedeelten van het vermogen kunnen bij wet niettemin als één vermogen worden aangemerkt. Een gedeelte van het VOF-vermogen valt dan buiten de rechtspersoon. Een dergelijke oplossing was voorzien in het Ontwerp-Maeijer, bij de omzetting van een OV in een OVR. Bij een dergelijke omzetting moesten de tot het OV-vermogen behorende goederen worden geleverd aan de rechtspersoon; nog niet geleverde goederen bleven buiten de rechtspersoon, maar toch onderdeel van het vennootschapsvermogen en in zoverre afgescheiden van de privévermogens van de vennoten.2 Hierbij verdient opmerking dat bij een dergelijke omzetting geen enkel goed van rechtswege op de rechtspersoon overging. Of onder het Ontwerp-Maeijer voor de overgang van goederen op de rechtspersoon slechts levering of (meeromvattend) overdracht nodig was, is niet duidelijk geworden.3
Bij een keuze voor de VOF-rechtspersoon kan natuurlijk ook voor een eenvoudigere oplossing worden gekozen. Bij wet kan worden bepaald dat bij inwerkingtreding van titel 7.13 BW het gehele VOF-vermogen van rechtswege overgaat op de rechtspersoon. Zo zijn de coöperatie (1925), de NV (1928), de stichting die nog geen rechtspersoon was4 (1957) en de informele vereniging (1976) bij wet tot de rechtspersoonlijkheid verheven. Dit is wat Van der Grinten ook voor de openbare personenvennootschappen voor ogen had. De werkgroep- Van Olffen stelt bij omzetting van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid in een vennootschap met rechtspersoonlijheid hetzelfde voor (behalve voor goederen die worden geleverd bij notariële akte).5 Maar als men het idee van de wisselvertegenwoordiging naar huidig recht verwerpt, voor alle of slechts bepaalde rechtsposities, dan roept deze oplossing vragen op. Wat mij betreft is het per vermogensbestanddeel dat tot het VOF-vermogen behoort van tweeën één. Hetzij, men erkent de wisselvertegenwoordiging naar geldend recht en dan kan het vermogensbestanddeel van rechtswege overgaan op de rechtspersoon. Dan wel, men erkent de wisselvertegenwoordiging niet; dan zullen voor overgang op de rechtspersoon de normale regels gevolgd moeten worden (bij goederen dus: overdracht).