De notaris en gelijk oversteken
Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/2.3.4:2.3.4 De wil tot een wederkerige (niet) oversteek; bescherming van de koper
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/2.3.4
2.3.4 De wil tot een wederkerige (niet) oversteek; bescherming van de koper
Documentgegevens:
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941732:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit laatste argument (het voorkomen van tevergeefse voorbereiding) oogt wat onzinnig in de context van een fiets, maar doet zich vooral gelden bij de koop van bijvoorbeeld onroerende zaken of intellectuele eigendomsrechten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de wil tot het bereiken van een wederkerige (niet) oversteek bestaat ten koste van het rechtsverkeer, is publiciteit van de (voorgenomen) transactie wel zo praktisch om derden en/of schuldeisers op de hoogte te stellen van het feit dat zij niet hoeven te proberen om de betrokken goederen te verwerven of te gebruiken als verhaalsobject. Echter, de eerste hobbel die genomen moet worden is het vaststellen of de wil bestaat om ten koste van deze derden/schuldeisers (het belang van het rechtsverkeer) een wederkerige (niet) oversteek te waarborgen. Om de gedachte dat het hier om te onderscheiden concepten gaat – en dat het zodoende ook mogelijk is om zonder publiciteit een wederkerige (niet) oversteek te waarborgen – beter te doorgronden, is het nuttig om het hierboven geschetste woonkamerland (het land met vijf inwoners die zich hun hele leven in dezelfde woonkamer bevinden en waarin dagelijks aan de eettafel wordt vergaderd) wederom in gedachten te nemen. De inwoners van dit land heten A, B, C, D en E. Dit woonkamerland heeft eveneens privaatrecht dat door middel van executoriaal beslag – hetgeen een zelfde werking heeft als in het Nederlandse procesrecht – verhaal op goederen van een schuldenaar toelaat. Immers, gelijk aan in de echte wereld, dient het privaatrecht van het woonkamerland te beschikken over een middel met behulp waarvan een schuldeiser de betaling van een vordering kan afdwingen indien een schuldenaar onwillig is om uit eigen beweging te betalen. Stel nu verder dat persoon C en persoon B op 12 maart – zonder medeweten van persoon A – overeenkomen dat B op 15 maart een fiets overdraagt aan C, in ruil voor de betaling van een koopsom door C aan B. Op 13 maart echter legt persoon A geldig executoriaal verhaalsbeslag op de verkochte fiets. Gelijk in de echte wereld bestaat het risico dat B later onvoldoende verhaal zal bieden om de vordering van A te voldoen. Op 15 maart betaalt C aan B de koopprijs, maar verneemt hij bij de levering van de fiets dat A twee dagen eerder beslag heeft gelegd op de fiets. Later op 15 maart worden de inwoners van dit land geconfronteerd met de situatie; zij horen dat C op 12 maart een verbintenisrechtelijke aanspraak op levering van de fiets jegens B verwierf en dat C op 15 maart de koopsom aan B overhandigde, maar dat A op 13 maart beslag legde op dezelfde fiets.
Dat C’s verbintenisrechtelijke aanspraak op levering niet kenbaar was voor A en de overige inwoners van het land (een gebrek aan publiciteit), hoeft voor de inwoners van het land nog niet te betekenen dat zij A aan het langste eind laten trekken. Zij zouden net zo goed ten voordele van C kunnen stemmen, en zich hierbij laten leiden door het argument dat C belang heeft bij die specifieke fiets (C is niet geholpen met andere fietsen omdat alleen de gekochte fiets de gewenste wielgrootte en aantal versnellingen kent, en C heeft al voorbereidingen getroffen voor het fietsen, zoals het kopen van een fietshelm en fietslampjes).1 A daarentegen heeft slechts belang bij de waarde die de fiets vertegenwoordigt in het geval van executoriale verkoop; dit kan een reden zijn om in dit specifieke geval alsnog C te laten winnen. Echter, zij zouden ook het argument dat A al veel te lang heeft moeten wachten op betaling van B doorslaggevend kunnen vinden en daarom ten gunste van A stemmen. Indien de inwoners in het voordeel van A stemmen, dienen zij zich bovendien te buigen over een andere vraag; dient C de uit handen gegeven koopsom terug te krijgen? Een argument voor deze stelling luidt dat partijen transacties moeten kunnen aangaan in het vertrouwen dat hen – in het ergste geval – een niet-oversteek overkomt, dus zonder daarbij het in paragraaf 1.2.3 beschreven prestatierisico te lopen. Aan de andere kant zou deze opvatting met zich brengen dat het door B ontvangen geld achteraf bezien nooit daadwerkelijk van hem is geweest, en dat het geld dus de facto buiten het rechtsverkeer is gebleven gedurende een periode na de transactie. Dit gegeven blijkt vooral – en wordt in het bijzonder problematisch indien en voor zover – B het geld reeds heeft uitgegeven en/of inmiddels onvoldoende verhaal biedt om C terug te betalen.
De inwoners van woonkamerland zullen zich spoedig realiseren dat het stemmen over wie aan het langste eind trekt bij dergelijke conflicten voor iedere individuele transactie geen praktische oplossing is, en dat het daarom beter is om algemene regels – bijvoorbeeld door middel van een codificatie – op te stellen, die dit soort problemen het hoofd bieden. Deze algemene regels dienen niet te worden opgesteld met het oog op de individuen A, B en C en de specifieke transactie betreffende de fiets, maar dienen te gelden voor iedere soortgelijke situatie. De zo-even genoemde argumenten zijn echter wel degelijk geschikt om te worden belichaamd in meer algemene regels. Immers, het argument dat C belang heeft bij de fiets zelf terwijl het A slechts is te doen om de waarde die de fiets vertegenwoordigt, geldt niet alleen voor A en C in deze transactie, maar ook voor nagenoeg alle andere situaties waarin een koper en een verhaal zoekende schuldeiser van de verkoper – in paragraaf 1.2.3 (laatste alinea) aangeduid als (het probleem van) contraire verhaalsuitoefening – vechten om hetzelfde been. A contrario kan dit met zich brengen dat indien A een tweede koper was die op 13 maart de fiets geleverd krijgt van B, terwijl A – gelijk aan in de zojuist beschreven casus – geen weet heeft van C’s aanspraak op levering, dit voor de bewoners van woonkamerland een reden kan zijn om te stemmen ten gunste van A, hetgeen idealiter eveneens wordt vertaald naar een meer algemene regel voor (het probleem van) contraire beschikkingshandelingen. Dergelijke regels – die deze belangenafweging belichamen en voorzien in een antwoord op de vraag wie in een concrete situatie aan het langste eind trekt – duid ik in het vervolg eveneens aan met de term ‘instrumenten’.