Oorspronkelijke taal: Frans.
HvJ EU, 15-10-2026, nr. C-477/25
ECLI:EU:C:2026:869
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-10-2026
- Zaaknummer
C-477/25
- Conclusie
A. rantos
- Roepnaam
Servicekörperschaft
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:869, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑10‑2026
Conclusie 15‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Staatssteun — Artikel 107, lid 1, VWEU — Begrip ‘staatssteun’ — Selectiviteit van een belastingmaatregel — Vaststelling van het referentiestelsel — Afwijking — Nationale regeling die voorziet in de uitbreiding van bepaalde fiscale voordelen tot lichamen die in het kader van een planmatige samenwerking diensten verlenen ten behoeve van lichamen zonder winstoogmerk — Vrijstelling van vennootschapsbelasting en bedrijfsbelasting — Richtlijn 2006/112/EG — Verlaagd tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) — Artikel 108, lid 3, VWEU — Bestaande of nieuwe steunmaatregelen — Wijziging in bestaande steun — Wijziging van de criteria op basis waarvan de begunstigden van een steunregeling worden geïdentificeerd
A. rantos
Partij(en)
Zaak C-477/251.
Finanzamt X
tegen
Servicekörperschaft
[verzoek van het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) in het kader van een geding tussen een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de Duitse belastingdienst over de erkenning als lichaam dat doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreeft op grond van haar samenwerking met een lichaam zonder winstoogmerk.
2.
Dit verzoek betreft de uitlegging van de Unieregels inzake staatssteun en stelt ten eerste de vraag aan de orde of de uitbreiding van fiscale voordelen — die aanvankelijk enkel toekwamen aan lichamen zonder winstoogmerk die statutaire doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreven — tot lichamen die dezelfde statutaire doelen nastreven door planmatig met dergelijke lichamen samen te werken, staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt, en ten tweede, de vraag of de uitbreiding van deze fiscale voordelen, die zijn ingevoerd bij een nationale regeling van vóór het EEG-Verdrag, als gevolg van een wijziging van de relevante nationale regeling in de loop van 2020 een ‘nieuwe steunmaatregel’ vormt waarvoor de verplichting tot voorafgaande aanmelding bij de Europese Commissie in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU geldt.
3.
De kern van deze zaak betreft in wezen de kwestie of de uitbreiding van een regeling inzake fiscale voordelen tot lichamen die doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreven door samen te werken met lichamen zonder winstoogmerk die dergelijke doelen rechtstreeks nastreven, hun een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verschaft.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
4.
Artikel 98, lid 1, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde2. bepaalt:
‘De lidstaten kunnen maximaal twee verlaagde tarieven toepassen.
De verlaagde tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5 % en zijn uitsluitend van toepassing op goederenleveringen en diensten die zijn vermeld in bijlage III.’
5.
Bijlage III bij deze richtlijn, met als opschrift ‘Lijst van goederenleveringen en diensten waarop de verlaagde tarieven en de vrijstelling met recht op aftrek van de btw bedoeld in artikel 98 worden toegepast’, vermeldt in punt 15:
‘[G]oederenleveringen en diensten door organisaties die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid, als omschreven door de lidstaten, en die door de lidstaten als liefdadigheidsinstellingen zijn erkend, voor zover deze handelingen niet op grond van de artikelen 132, 135 en 136 zijn vrijgesteld.’
Duits recht
Wet op de vennootschapsbelasting
6.
§ 5, lid 1, punt 9, van het Körperschaftsteuergesetz (wet op de vennootschapsbelasting, in de versie van 15 oktober 20023., bepaalt:
‘Van de vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld:
[…]
- 9)
lichamen, personenverenigingen en vermogensmassa's die volgens de statuten, de oprichtingsakte of anderszins en gelet op hun daadwerkelijke bedrijfsvoering uitsluitend en rechtstreeks doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreven [§§ 51-68 van de Abgabenordnung (Duitse belastingwet)]. Voor door hen uitgeoefende commerciële bedrijfsactiviteiten is vrijstelling uitgesloten.’
Wet op de bedrijfsbelasting
7.
§ 3, punt 6, van het Gewerbesteuergesetz (wet op de bedrijfsbelasting), in de versie van 24 oktober 20024., bepaalt:
‘Van de bedrijfsbelasting zijn vrijgesteld:
[…]
- 6)
lichamen, personenverenigingen en vermogensmassa's die volgens de statuten, de oprichtingsakte of anderszins en gelet op hun daadwerkelijke bedrijfsvoering, uitsluitend en rechtstreeks doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreven (§§ 51-68 van de belastingwet). Voor door hen uitgeoefende commerciële bedrijfsactiviteiten — met uitzondering van de land- en bosbouw — is vrijstelling uitgesloten.’
Wet op de omzetbelasting
8.
§ 12, lid 2, punt 8, onder a), van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) van 21 februari 20055. bepaalt:
‘Er geldt een verlaagd tarief van 7 % voor de volgende handelingen:
[…]
- 8)
a) diensten van lichamen die uitsluitend en rechtstreeks statutaire doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreven (§§ 51-68 van de belastingwet). Dit geldt niet voor diensten die in het kader van een commerciële bedrijfsactiviteit worden verricht. Met betrekking tot diensten die in het kader van een algemeen nut beogend bedrijf als bedoeld in §§ 66 tot en met 68 van de belastingwet worden verricht is de eerste zin alleen van toepassing indien het bedrijf niet hoofdzakelijk tot doel heeft extra inkomsten te genereren door handelingen te verrichten die rechtstreeks concurreren met diensten van andere ondernemers die aan het algemene belastingtarief zijn onderworpen, of indien het lichaam met deze diensten van zijn algemeen nut beogende bedrijven als bedoeld in §§ 66 tot en met 68 van de belastingwet zelf zijn fiscaal bevoordeelde statutaire doel verwezenlijkt. Lichamen verwezenlijken zelf hun fiscaal bevoordeelde statutaire doel via hun algemeen nut beogende bedrijven als bedoeld in §§ 66 tot en met 68 van de belastingwet, wanneer de ontvangers van de diensten of de personen die bij de verrichting van de diensten betrokken zijn onder het fiscaal bevoordeelde statutaire doel van het lichaam vallen.’
Belastingwet
9.
§ 51, lid 1, van de Abgabenordnung (belastingwet)6., in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
‘De volgende bepalingen zijn van toepassing wanneer de wet fiscale voordelen toekent aan een lichaam omdat het uitsluitend en rechtstreeks een statutair doel van algemeen nut, een liefdadigheids- of kerkelijk doel nastreeft (fiscaal bevoordeelde activiteiten). Onder ‘lichamen’ worden lichamen, personenverenigingen en vermogensmassa’s in de zin van de wet op de vennootschapsbelasting verstaan.’
10.
§ 55, lid 1, van de belastingwet luidt:
‘Bevordering of ondersteuning geschiedt belangeloos indien niet in de eerste plaats eigen economische belangen, bijvoorbeeld commerciële of andere winstgevende doelen, worden nagestreefd en is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- 1)
De middelen van het lichaam mogen alleen worden gebruikt voor de in de statuten vastgestelde doelen. Leden of vennoten (leden in de zin van deze bepalingen) mogen geen winstaandelen en in hun hoedanigheid van lid ook geen andere toewijzingen uit de middelen van het lichaam ontvangen. Het lichaam mag zijn middelen niet gebruiken om politieke partijen direct of indirect te bevorderen of te ondersteunen.
- 2)
Bij beëindiging van hun lidmaatschap of bij ontbinding of vereffening van het lichaam mogen de leden niet meer dan hun gestorte aandelenkapitaal en de marktwaarde van hun inbreng in natura ontvangen.
- 3)
Het lichaam mag aan geen enkele persoon een voordeel verschaffen door middel van uitgaven die geen verband houden met het doel van het lichaam of door middel van een onevenredig hoge beloning.
- 4)
Wanneer het lichaam wordt ontbonden of vereffend of wanneer zijn vroegere doel niet meer van toepassing is, mag het vermogen van het lichaam, voor zover dat het door zijn leden gestorte aandelenkapitaal en de marktwaarde van hun inbreng in natura overschrijdt, alleen worden gebruikt voor fiscaal bevoordeelde doelen (beginsel van bestemming van het vermogen). Aan dit vereiste wordt ook voldaan indien het vermogen aan een ander fiscaal bevoordeeld lichaam of aan een publiekrechtelijke rechtspersoon wordt overgedragen met het oog op fiscaal bevoordeelde doelen.
- 5)
Behoudens § 62 moet het lichaam zijn middelen in beginsel spoedig voor de in zijn statuten vastgestelde fiscaal bevoordeelde doelen gebruiken. Gebruik in deze zin omvat het gebruik van middelen voor de verkrijging of de creatie van vermogensbestanddelen voor de in de statuten vastgestelde doelen. Middelen worden geacht spoedig te zijn gebruikt, wanneer zij uiterlijk twee kalenderjaren of boekjaren na ontvangst ervan worden gebruikt voor de in de statuten vastgestelde fiscaal bevoordeelde doelen. De eerste zin geldt niet voor lichamen met jaarlijkse inkomsten van ten hoogste 45 000 EUR.’
11.
§ 57, leden 1 en 3, van dezelfde wet bepaalt:
- ‘1.
Een lichaam streeft zijn fiscaal bevoordeelde statutaire doelen rechtstreeks na wanneer het deze doelen zelf verwezenlijkt. Dit kan ook door hulppersonen worden gedaan indien, gelet op de omstandigheden van het geval, met name de juridische en feitelijke betrekkingen tussen het lichaam en de hulppersoon, het optreden van de hulppersoon moet worden beschouwd als het optreden van het lichaam zelf.
[…]
- 3.
Een lichaam streeft zijn fiscaal bevoordeelde statutaire doelen ook rechtstreeks na in de zin van lid 1, eerste volzin, wanneer het overeenkomstig de statuten door een planmatige samenwerking met ten minste één ander lichaam, dat overigens moet voldoen aan de voorwaarden van §§ 51 tot en met 68, een fiscaal bevoordeeld doel verwezenlijkt. § 14 alsmede §§ 65 tot en met 68 vinden toepassing met dien verstande dat bij de beoordeling of het betreffende lichaam een algemeen nut beogend bedrijf is, de activiteiten van de in de eerste volzin bedoelde samenwerkende lichamen gezamenlijk in aanmerking moeten worden genomen.’
12.
§ 59 bepaalt:
‘Fiscale voordelen worden toegekend indien uit de statuten, de oprichtingsakte of anderszins (statuten in de zin van deze bepalingen) blijkt welk doel het lichaam nastreeft, zijn doel voldoet aan de vereisten van §§ 52 tot en met 55, en dit doel uitsluitend en rechtstreeks wordt nagestreefd; de daadwerkelijke bedrijfsvoering moet in overeenstemming zijn met deze statutaire bepalingen.’
13.
§ 60a, lid 1, bepaalt:
‘De naleving van de in §§ 51, 59, 60 en 61 bedoelde voorwaarden betreffende de statuten wordt in een afzonderlijk besluit vastgesteld. De vaststelling dat de statuten aan de vereisten voldoen, is bindend voor de belastingheffing ten aanzien van het lichaam en van de belastingplichtigen die aan het lichaam giften doen en contributies betalen.’
Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
14.
Volgens Duits recht heeft een algemeen nut beogend bedrijf (‘Zweckbetrieb ’)7. recht op fiscale voordelen8., mits de in §§ 51 tot en met 68 van de belastingwet bepaalde voorwaarden in acht zijn genomen.9. Sinds 2020 breidt § 57, lid 3, ervan (hierna: ‘litigieuze maatregel’)10. deze voordelen uit tot lichamen van openbaar nut (‘Servicekörperschaften ’) die rechtstreeks een statutair doel van algemeen nut nastreven door op planmatige wijze samen te werken met ten minste één lichaam zonder winstoogmerk dat in aanmerking komt voor die voordelen (hierna: ‘servicelichamen’).
15.
Verweerster in het hoofdgeding is een van deze servicelichamen11. en het hoofdgeding betreft haar vordering tot erkenning dat haar statuten voldoen aan de voorwaarden voor lichamen zonder winstoogmerk die in aanmerking komen voor de betrokken fiscale voordelen.12.
16.
In het kader van deze procedure13. vraagt het Bundesfinanzhof, de verwijzende rechter, zich af of de litigieuze maatregel, in samenhang met andere bepalingen van de belastingwet, leidt tot de toekenning van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en, zo ja, of deze steun ‘nieuwe steun’ vormt, die krachtens artikel 108, lid 3, VWEU vooraf bij de Commissie moet worden aangemeld.
17.
In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 107, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een onder deze bepaling vallende steunmaatregel van een staat indien een lichaam volgens een nationale regeling voor een economische activiteit ook recht heeft op het fiscale voordeel van een algemeen nut beogend bedrijf (‘Zweckbetrieb’), wanneer het lichaam zijn in de statuten vastgestelde fiscaal bevoordeelde doelen niet zelf direct hoeft te verwezenlijken, maar deze doelen volgens de statuten door een planmatige samenwerking met een ander fiscaal bevoordeeld lichaam kan nastreven, zodat het als servicelichaam (‘Servicekörperschaft’) fiscaal bevoordeelde diensten van welke aard dan ook voor dat andere lichaam kan verrichten in mededinging met fiscaal niet-bevoordeelde dienstenaanbieders?
- 2)
Staat aan het daarvoor vereiste selectieve voordeel in de weg dat het servicelichaam (‘Servicekörperschaft’) onderworpen is aan beperkingen die voortvloeien uit de regelgeving inzake algemeen nut, in het bijzonder met het oog op het gebruik van middelen en de bestemming van het vermogen?
- 3)
Indien wordt vastgesteld dat het om een steunmaatregel gaat: moet artikel 108, lid 3, VWEU dan aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een aan deze bepaling onderworpen wijziging van een steunmaatregel, indien het nationale recht weliswaar reeds vóór 1 januari 1958 voorzag in een fiscaal voordeel voor economische activiteiten die als een algemeen nut beogend bedrijf (‘Zweckbetrieb’) werden uitgeoefend, maar de werkingssfeer van dit fiscale voordeel vervolgens zodanig is uitgebreid dat een servicelichaam (‚Servicekörperschaft') fiscaal bevoordeelde diensten van welke aard dan ook, in mededinging met fiscaal niet-bevoordeelde dienstenaanbieders, voor andere fiscaal bevoordeelde lichamen kan verrichten?'
18.
Verweerster in het hoofdgeding, de Duitse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.
Analyse van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag: selectiviteit van de maatregel
19.
Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de litigieuze maatregel leidt tot de toekenning van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan servicelichamen en meer in het bijzonder of die maatregel voldoet aan het selectiviteitscriterium van die bepaling, gelet op de beperkingen waaraan deze lichamen zijn onderworpen met betrekking tot het gebruik van de middelen en de bestemming van hun vermogen.
Voorafgaande opmerkingen over de selectiviteit van een belastingmaatregel in de zin van Artikel 107, lid 1, VWEU
20.
Om te beginnen herinner ik eraan dat artikel 107, lid 1, VWEU het algemene beginsel van het verbod van staatssteun verankert en de kwalificatie van een overheidsmaatregel als staatssteun afhankelijk stelt van verschillende cumulatieve voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de betrokken maatregel selectief is. Op fiscaal gebied hangt deze laatste voorwaarde nauw samen met de voorwaarde dat er sprake is van een economisch voordeel voor de begunstigde, zodat deze twee voorwaarden doorgaans samen onder de noemer ‘selectief voordeel’ worden gevat.14.
21.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof dient voor de vaststelling of er sprake is van een selectief voordeel te worden nagegaan of de betreffende nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde juridische regeling ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties’ kan begunstigen ten opzichte van andere ondernemingen of productietakken die zich uit het oogpunt van de met die regeling nagestreefde doelstelling in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden, waardoor zij een verschillende behandeling ondergaan die in wezen als discriminerend kan worden aangemerkt.15.
22.
Meer in het bijzonder kan de voorwaarde inzake de selectiviteit van de maatregel worden onderzocht aan de hand van een analyse in drie fasen. In wezen moet in een eerste fase worden vastgesteld wat het referentiestelsel is — dat wil zeggen wat het ‘normale’ belastingstelsel in de betrokken lidstaat is — en moet in een tweede fase worden aangetoond dat de betreffende belastingmaatregel afwijkt van het referentiestelsel doordat daarmee een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen marktdeelnemers die zich gelet op de doelstelling van dit stelsel in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden. Het begrip ‘staatssteun’ ziet evenwel niet op maatregelen die a priori selectief zijn omdat zij een dergelijk verschil in behandeling invoeren, wanneer de betrokken lidstaat in een derde fase kan aantonen dat die verschillende behandeling gerechtvaardigd is omdat zij voortvloeit uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan die maatregelen deel uitmaken.16.
23.
De litigieuze maatregel moet in het licht van deze beginselen worden onderzocht. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de vrijstellingen van de vennootschapsbelasting en de bedrijfsbelasting, die in beginsel tot de bevoegdheid van de lidstaten op fiscaal gebied behoren, en anderzijds het verlaagde btw-tarief, dat onder de btw-richtlijn valt en uit dien hoofde in de Unie is geharmoniseerd.
Selectiviteit van de vrijstellingen van vennootschapsbelasting en bedrijfsbelasting
— eerste fase van de analyse: vaststelling van het referentiestelsel
24.
Om te beginnen herinner ik eraan dat de vaststelling van het referentiekader van groot belang is bij belastingmaatregelen, aangezien het bestaan van een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU slechts ten opzichte van een ‘normale’ belasting kan worden vastgesteld.17.
25.
In dit verband moet ten eerste worden benadrukt dat het referentiestelsel moet worden vastgesteld op basis van een objectief onderzoek van de inhoud, de onderlinge samenhang en de concrete effecten van de krachtens het recht van die lidstaat toepasselijke regels. De selectiviteit van een fiscale maatregel kan niet worden vastgesteld aan de hand van een referentiestelsel dat bestaat uit enkele bepalingen uit het recht van die staat die kunstmatig uit een ruimer rechtskader zijn gelicht. Hieruit volgt dat, wanneer de fiscale maatregel in kwestie niet kan worden losgemaakt van het belastingstelsel van de betrokken staat als geheel, dat stelsel als referentiestelsel moet worden genomen. Indien daarentegen blijkt dat een dergelijke maatregel duidelijk los te maken is van het stelsel als geheel, kan niet worden uitgesloten dat het referentiestelsel waarmee rekening moet worden gehouden beperkter is dan het betrokken stelsel als geheel, of dat de maatregel zelf dat referentiestelsel vormt, als hij een regel met een opzichzelfstaande juridische logica vormt en het niet mogelijk is een coherent geheel van regels daarbuiten te identificeren.18.
26.
Ten tweede zij eraan herinnerd dat het de betrokken lidstaat is die, buiten de gebieden waarop het belastingrecht van de Unie is geharmoniseerd, in de uitoefening van zijn exclusieve bevoegdheden op het gebied van directe belastingen en met inachtneming van zijn fiscale autonomie de wezenlijke kenmerken van de belasting vaststelt, die in beginsel het referentiestelsel of het ‘normale’ belastingstelsel bepalen op basis waarvan de selectiviteitsvoorwaarde moet worden onderzocht.19. De vaststelling van de wezenlijke kenmerken van de belasting betreft behalve de grondslag ervan en het belastbare feit ook de eventuele vrijstellingen waarmee zij gepaard gaat.20.
27.
Aangezien het gebied van de vennootschapsbelasting en de beroepsactiviteiten niet binnen de Unie is geharmoniseerd, staat het aan de betrokken lidstaat om in de uitoefening van zijn bevoegdheid op het gebied van rechtstreekse belastingheffing de wezenlijke kenmerken van de belasting vast te stellen. In casu staat vast dat winsten uit economische activiteiten van lichamen die op het Duitse grondgebied zijn gevestigd overeenkomstig de bepalingen van de wet op de vennootschapsbelasting en de wet op de bedrijfsbelasting aan beide belastingen zijn onderworpen. Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat echter geen nadere gegevens over de wezenlijke kenmerken van deze belastingen, maar geeft enkel aan dat zij tot doel hebben de inkomsten uit een economische activiteit op uniforme wijze te belasten.
28.
In dit verband stel ik, onverminderd de feitelijke beoordeling die aan de verwijzende rechter toekomt, vast dat de twee betrokken belastingen als doel lijken te hebben belastinginkomsten op grond van winsten uit economische activiteiten veilig te stellen, naar ik veronderstel op basis van met name het draagkrachtbeginsel, waaronder wordt verstaan het vermogen van de belastingplichtige om belasting te betalen naargelang van zijn inkomen.21. Meer in het bijzonder komt het mij voor dat de belastinggrondslag van servicelichamen, net als die van andere vennootschappen, wordt bepaald op basis van de nettowinst die zij in het belastingjaar uit hun economische activiteit behalen.
29.
Het lijkt echter niet met de bestaansreden van die belastingen te stroken dat servicelichamen daarvan worden vrijgesteld. Ten eerste stel ik vast dat de economische activiteiten van deze lichamen winst kunnen opleveren en ten tweede ben ik van mening dat hun bijzondere situatie, met name de beperkingen die aan hen worden opgelegd met betrekking tot het gebruik van de middelen en de bestemming van hun vermogen22., hun niet belet die winst te behalen en dus niet van invloed kan zijn op hun draagkracht. Hoewel deze beperkingen de mogelijkheid voor de betrokken lichamen inperken om over de aldus opgebouwde economische middelen te beschikken, staan zij niet in de weg aan het behalen van winst en dus evenmin aan het bestaan van draagkracht.
30.
Met andere woorden, de vrijstellingen die bij de litigieuze maatregel zijn ingevoerd houden geen verband met de aard van de door de betrokken lichamen behaalde winst, die als zodanig niet verschilt van de winst uit een economische activiteit. Zij houden veeleer verband met het doel van de verrichte activiteiten, aangezien zij bijdragen tot de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen nut, en met de wijze waarop deze winst wordt gebruikt.23.
31.
Verder wil ik er, onverminderd de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, op wijzen dat, anders dan verweerster in het hoofdgeding stelt, uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vrijstellingen kunnen worden gerechtvaardigd door andere, met name niet-fiscale, doelstellingen in de zin van het arrest Prezydent Miasta Mielca.24.
32.
Ook de omstandigheid dat de litigieuze maatregel nationale wetgeving heeft gewijzigd die dateert van vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag, pleit mijns inziens tegen de stelling dat deze maatregel deel uitmaakt van het referentiestelsel. Het zou immers merkwaardig zijn om aan te nemen dat een maatregel die meerdere decennia na de invoering van de betrokken belastingen is vastgesteld, beantwoordt aan de wezenlijke kenmerken ervan zoals deze uit de oorspronkelijk toepasselijke wetgeving zouden voortvloeien.
33.
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten beoordeling van de specifieke kenmerken van de betrokken belastingen ben ik al met al op het eerste gezicht van mening dat de litigieuze maatregel niet binnen het toepasselijke referentiestelsel valt.
— tweede fase van de analyse: bestaan van een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie
34.
Indien de vrijstellingen waarin de litigieuze maatregel voorziet, worden aangemerkt als afwijkingen van het referentiestelsel, moet worden onderzocht of deze maatregel overeenkomstig de in punt 22 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van het Hof verschillen in behandeling invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de doelstelling van dit stelsel, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
35.
In casu breidt deze maatregel de fiscale voordelen voor lichamen zonder winstoogmerk uit tot servicelichamen. Deze twee categorieën lichamen genieten dus een fiscaal voordeel waarvan andere entiteiten, met name ondernemingen met winstoogmerk, zijn uitgesloten. Derhalve moet worden onderzocht of de servicelichamen zich, gelet op de doelstellingen van de vennootschapsbelasting en de bedrijfsbelasting, in een feitelijke en juridische situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van ondernemingen die aan deze belastingen zijn onderworpen.
36.
In dit verband merk ik op dat deze belastingen volgens de verwijzende rechter tot doel hebben de inkomsten uit een economische activiteit op uniforme wijze te belasten. In het licht van deze doelstelling moet dus worden beoordeeld of de bijzondere kenmerken van servicelichamen25. van dien aard zijn dat zij zich in een andere situatie bevinden dan andere entiteiten die aan dezelfde belastingen zijn onderworpen.
37.
Om te beginnen merk ik met de verwijzende rechter en de Commissie op dat het nastreven van doelstellingen van algemeen nut op zich niet volstaat om uit te sluiten dat de litigieuze maatregel selectief is, aangezien dergelijke doelstellingen inherent zijn aan de meeste overheidsmaatregelen die als staatssteun kunnen worden aangemerkt.26. Omgekeerd volstaat het feit dat de litigieuze maatregel de mededinging merkbaar kan beïnvloeden, evenmin om het selectieve karakter ervan aan te tonen.
38.
Derhalve moet worden onderzocht of de specifieke kenmerken van servicelichamen, met name de beperkingen waaraan zij zijn onderworpen met betrekking tot het gebruik van de middelen en de bestemming van hun vermogen, hen in een andere feitelijke of juridische situatie kunnen brengen dan de entiteiten die aan de betrokken belastingen zijn onderworpen.
39.
In dit verband merk ik op dat het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest Paint Graphos e.a. heeft geoordeeld dat een fiscaal voordeel dat niet aan alle marktdeelnemers, maar op grond van de rechtsvorm van de onderneming alleen aan de coöperatieve vennootschappen werd toegekend, niet selectief was, omdat de werking van coöperatieve vennootschappen werd gekenmerkt door specifieke beginselen die hen duidelijk onderscheidden van de andere marktdeelnemers. Volgens het Hof behelsden deze beginselen met name het beginsel van de voorrang van de individuele persoon, hetgeen tot uiting kwam in specifieke bepalingen betreffende de voorwaarden inzake toetreding, uittreding en uitsluiting van de leden en in beperkingen met betrekking tot de verdeling van activa en reserves, die dienden te worden verdeeld onder andere coöperatieve lichamen die soortgelijke doelstellingen van algemeen nut nastreefden.27.
40.
Zoals de Commissie opmerkt, zijn de bevindingen waartoe het Hof in het arrest Paint Graphos e.a. is gekomen, relevant en zelfs doorslaggevend voor de onderhavige zaak, aangezien dat arrest berust op overwegingen die vergelijkbaar zijn met die in deze zaak.
41.
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties komt het mij namelijk voor dat de beperkingen met betrekking tot het gebruik van de middelen en de bestemming van het vermogen gevolgen hebben voor de economische situatie van de servicelichamen op een wijze die vergelijkbaar is met de gevolgen voor de economische situatie van de in dat arrest onderzochte coöperatieve vennootschappen. Het ontbreken van winstoogmerk, de verplichting om het vermogen specifiek te bestemmen en de beperkingen die voor deze lichamen gelden ten aanzien van het gebruik van de middelen, onderscheiden hen van de aan de betrokken belastingen onderworpen entiteiten, die hun economische belang kunnen nastreven en in voorkomend geval bij hun vereffening voordeel uit hun vermogen kunnen halen.
42.
Bijgevolg vallen servicelichamen onder bijzondere regels die hun juridische en feitelijke situatie uit subjectief oogpunt kunnen onderscheiden van die van de andere concurrerende ondernemingen die aan de betrokken belastingen zijn onderworpen, ook al zijn hun activiteiten, zoals de verwijzende rechter benadrukt, objectief gezien vergelijkbaar met de verrichting van diensten op de markt en uit dien hoofde met de activiteiten van elke concurrerende onderneming.
43.
Gelet op deze omstandigheden ben ik van mening dat servicelichamen zich, ten aanzien van de doelstelling van het referentiestelsel, niet in een feitelijke en juridische situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van entiteiten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en de bedrijfsbelasting.
— derde fase van de analyse: rechtvaardiging op grond van de basis- of hoofdbeginselen van het belastingstelsel
44.
Voor het geval dat de litigieuze maatregel op het eerste gezicht als selectief zou worden beschouwd28., moet nog worden onderzocht of de betrokken lidstaat kan aantonen dat dit verschil in behandeling gerechtvaardigd is omdat het rechtstreeks uit de basis- of hoofdbeginselen van het belastingstelsel voortvloeit.
45.
In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt tussen de doelstellingen van een specifiek belastingstelsel die buiten dat stelsel zijn gelegen en de voor het bereiken van dergelijke doelstellingen noodzakelijke mechanismen die inherent zijn aan het belastingstelsel zelf. Bijgevolg kunnen belastingvrijstellingen op basis van een doelstelling die vreemd is aan het belastingstelsel waarvan zij deel uitmaken, niet ontsnappen aan de vereisten van artikel 107, lid 1, VWEU.29.
46.
Daarnaast moet erop worden toegezien dat de vereiste coherentie van een gegeven voordeel met zowel de inherente kenmerken van het betrokken belastingstelsel als de uitvoering van dit stelsel in acht wordt genomen. Willen belastingvrijstellingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, kunnen worden gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat, dan moet hoe dan ook nog worden gegarandeerd dat zij in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en niet verder gaan dan nodig is, in die zin dat het nagestreefde legitieme doel niet met minder vergaande middelen kan worden bereikt.30.
47.
Zoals de Commissie opmerkt, heeft de verwijzende rechter in casu geen enkel relevant element aangedragen op grond waarvan een dergelijke rechtvaardiging kan worden overwogen. De Duitse regering voert in haar schriftelijke opmerkingen aan dat een afwijkende belastingheffing voor lichamen zonder winstoogmerk integrerend deel uitmaakt van vrijwel alle belastingregelingen van de lidstaten en erkend wordt in richtlijn (EU) 2022/2523.31. Zij betoogt dat lichamen zonder winstoogmerk doorgaans geen belastbare inkomsten genereren, zodat het in strijd zou zijn met de aard van het belastingstelsel om hen volledig aan belasting te onderwerpen. Volgens haar geldt deze overweging ook voor de in de litigieuze maatregel bedoelde servicelichamen, die zich enkel onderscheiden van andere lichamen zonder winstoogmerk doordat zij hun doelstelling van algemeen nut verwezenlijken door met andere lichamen samen te werken.
48.
In dit verband ben ik, gesteld al dat verschillende lidstaten in hun belastingstelsel voorzien in een afwijkende belastingheffing voor lichamen zonder winstoogmerk, van mening dat dit element van algemene aard op zichzelf niet kan aantonen dat er in het onderhavige geval sprake is van een rechtvaardiging. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat krachtens artikel 2, lid 3, onder a), van richtlijn 2022/2523 lichamen zonder winstoogmerk, zoals omschreven in artikel 3, punt 11, ervan, uitdrukkelijk van de werkingssfeer van de belastingheffing waarin deze richtlijn voorziet zijn uitgesloten. De verwijzende rechter heeft deze mogelijke uitsluiting namelijk niet overwogen en bijgevolg niet vastgesteld wat de relevante basis- of hoofdbeginselen van het Duitse belastingstelsel zijn. Bovendien heeft hij niets aangevoerd op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de betrokken vrijstellingen, die ten goede komen aan lichamen die zelf geen doelstellingen van algemeen nut nastreven maar met andere entiteiten samenwerken om deze te verwezenlijken, rechtstreeks uit dergelijke beginselen voortvloeien.32.
Selectiviteit van het verlaagde btw-tarief
— eerste fase van de analyse: vaststelling van het referentiestelsel
49.
Om te beginnen merk ik op dat het verlaagde btw-tarief tot een gebied behoort dat krachtens de btw-richtlijn in de Unie is geharmoniseerd. Anders dan voor de vennootschaps- en de bedrijfsbelasting is de beoordelingsmarge waarover de Duitse wetgever bij de vaststelling van de toepasselijke regeling beschikt dus nauw afgebakend door de dwingende bepalingen van het Unierecht.
50.
In casu ben ik, net als de Commissie, van mening dat het referentiestelsel bestaat uit de wet op de omzetbelasting, uitgelegd in het licht van die richtlijn en de daaruit voortvloeiende beginselen.
51.
De richtlijn voorziet immers zelf in bepaalde uitzonderingen en verlaagde tarieven, waarvan de toepassing voor de lidstaten verplicht of facultatief kan zijn. Het referentiestelsel wordt dus gevormd door de aldus in deze richtlijn neergelegde regels, samen met de nationale bepalingen ter uitvoering ervan.33.
52.
Meer in het bijzonder wordt volgens artikel 96 van de btw-richtlijn hetzelfde btw-tarief, te weten het normale tarief dat door elke lidstaat wordt vastgesteld, toegepast op goederenleveringen en diensten.34. In afwijking daarvan biedt artikel 98 de mogelijkheid om verlaagde btw-tarieven toe te passen. Daartoe bevat bijlage III bij de richtlijn een uitputtende opsomming van de categorieën goederenleveringen en diensten waarop de in dat artikel 98 bedoelde verlaagde tarieven kunnen worden toegepast.35.
53.
Gelet op de door deze regels nagestreefde doelstelling dient dus in de tweede fase van de analyse te worden nagegaan of de litigieuze maatregel, voor zover hij voorziet in de toepassing van een verlaagd btw-tarief, een verschil in behandeling invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op die doelstelling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
— tweede fase van de analyse: bestaan een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie
54.
Om te bepalen of de litigieuze maatregel een verschil in behandeling invoert tussen marktdeelnemers die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden, moet worden onderzocht of het verlaagde btw-tarief voor servicelichamen onder een van de categorieën goederenleveringen of diensten valt waarvoor artikel 98 van de btw-richtlijn de toepassing van een verlaagd tarief toestaat en die uitputtend zijn opgesomd in bijlage III bij deze richtlijn.
55.
Op dit punt wijst de verwijzende rechter erop dat volgens punt 15 van deze bijlage verlaagde tarieven kunnen worden toegepast op de ‘leveringen van goederen en diensten door organisaties die door de lidstaten als liefdadige instellingen zijn erkend en die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid’.36.
56.
Zoals uit de bewoordingen van artikel 98 van de btw-richtlijn blijkt, is de toepassing van verlaagde tarieven niet verplicht. Het is een mogelijkheid die de lidstaten krijgen, in afwijking van het beginsel dat het normale tarief van toepassing is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten bepalingen die een afwijking vormen van een beginsel, strikt worden uitgelegd.37.
57.
In casu voldoet het verlaagde btw-tarief van 7 % dat op servicelichamen toepasselijk is aan het in artikel 98, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn bedoelde minimum.38. Thans dient nog te worden onderzocht of de werkingssfeer van dit verlaagde tarief de door die bepaling gestelde grenzen in acht neemt, die nader zijn omschreven in bijlage III, punt 15, van deze richtlijn.
58.
De verwijzende rechter is van oordeel dat de Duitse wetgever de hem door deze bepaling toegekende beoordelingsmarge heeft overschreden. Ten eerste kunnen servicelichamen niet worden beschouwd als lichamen die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid op de enkele grond dat zij diensten verrichten voor een klant zonder winstoogmerk die van zijn kant een dergelijke activiteit uitoefent, wanneer de verrichte diensten niet verschillen van die welke door andere concurrenten worden aangeboden.39. Ten tweede is de werkingssfeer van de relevante nationale regeling ruimer dan die van bovengenoemde bepalingen.40.
59.
Gelet op deze omstandigheden en onverminderd de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, komt het mij voor dat niet is voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 98, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn. Ten eerste is immers niet aangetoond dat de Duitse wetgever het begrip ‘organisaties […] die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid’ voldoende ruim heeft gedefinieerd om ook de in de litigieuze maatregel bedoelde servicelichamen te omvatten. Ten tweede lijkt het mij hoe dan ook moeilijk om aan te nemen, zoals ook de Commissie benadrukt, dat dit begrip alle soorten servicelichamen kan omvatten waarop de litigieuze maatregel betrekking heeft, zonder dat de beoordelingsmarge waarover de lidstaten krachtens punt 15 van bijlage III bij deze richtlijn beschikken, wordt overschreden.
60.
In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat de litigieuze maatregel, voor zover hij in een verlaagd btw-tarief voorziet, een verschil in behandeling invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de door het referentiestelsel nagestreefde doelstelling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
— derde fase van de analyse: rechtvaardiging op grond van de basis- of hoofdbeginselen van het belastingstelsel
61.
Wat een rechtvaardiging op grond van de basis- of hoofdbeginselen van het belastingstelsel betreft41., stel ik vast dat de verwijzingsbeslissing geen enkel element bevat dat een dergelijke rechtvaardiging kan onderbouwen.
62.
Hoe dan ook ben ik het met de Commissie eens dat, gelet op de mate van harmonisatie die door de btw-richtlijn tot stand is gebracht, een rechtvaardiging die onverenigbaar is met de bepalingen van deze richtlijn, niet kan worden aanvaard.42.
Conclusie met betrekking tot de eerste twee vragen
63.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging op de eerste twee vragen te antwoorden dat artikel 107, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling als de litigieuze maatregel:
- —
wanneer zij aan servicelichamen vrijstellingen van vennootschapsbelasting en bedrijfsbelasting toekent, geen selectief voordeel verleent en dus geen staatssteun vormt;
- —
wanneer zij ten gunste van deze lichamen in een verlaagd btw-tarief voorziet, een selectief voordeel verleent en dus staatssteun kan vormen indien aan de andere voorwaarden van die bepaling is voldaan.
Derde vraag, betreffende het begrip ‘nieuwe steun’
64.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de litigieuze maatregel, indien deze als staatssteun wordt aangemerkt, ‘nieuwe steun’ vormt, die overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU vooraf bij de Commissie moet worden aangemeld. Deze vraag rijst omdat de litigieuze maatregel geen volledig nieuwe steunregeling invoert, maar het recht op een steunmaatregel die al vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag op 1 januari 1958 bestond, uitbreidt.
65.
In dit verband herinner ik eraan dat in het kader van het bij de artikelen 107 en 108 VWEU ingevoerde stelsel van toezicht op staatssteun de procedure verschilt naargelang het gaat om bestaande dan wel om nieuwe steun. Terwijl bestaande steunmaatregelen overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU rechtmatig tot uitvoering kunnen worden gebracht zolang de Commissie ze niet onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard, bepaalt artikel 108, lid 3, VWEU dat elk voornemen tot invoering van nieuwe steunmaatregelen of tot wijziging van bestaande steunmaatregelen tijdig bij de Commissie moet worden aangemeld en niet tot uitvoering kan worden gebracht voordat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.43.
66.
Bovendien wordt volgens artikel 1, onder c), van verordening (EU) 2015/158944. onder ‘nieuwe steun’ verstaan alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die geen bestaande steun zijn, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun, terwijl ‘bestaande steun’ in artikel 1, onder b), van die verordening wordt gedefinieerd als steun die vóór de inwerkingtreding van het VWEU in de betrokken lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het VWEU in de respectieve lidstaten tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding van het VWEU nog steeds van toepassing zijn. Meer in het bijzonder wordt een wijziging in bestaande steun die aanleiding geeft tot nieuwe steun, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 794/200445 gedefinieerd als iedere wijziging, met uitzondering van aanpassingen van louter formele of administratieve aard die de beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de interne markt niet kunnen beïnvloeden. Krachtens artikel 4, lid 2, onder c), van deze verordening behoort de aanscherping van de criteria voor de toepassing van een goedgekeurde steunregeling tot de wijzigingen van bestaande steun die in beginsel moeten worden aangemeld.
67.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt bij het onderzoek van de vraag of een maatregel een steunmaatregel is in de zin van artikel 107 VWEU met name rekening gehouden met de kring van begunstigden waarvoor in de toekenning van deze steun is voorzien, teneinde met name de selectiviteit van deze maatregel te onderzoeken.46. Hieruit volgt dat een wijziging van de criteria op basis waarvan de begunstigden van een steunregeling worden geïdentificeerd niet gewoon een aanpassing van louter formele of administratieve aard is, maar een factor waarvan de effecten van invloed kunnen zijn op de vraag of een maatregel moet worden aangemerkt als steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, en bijgevolg op de noodzaak om deze steunmaatregel overeenkomstig de verplichting van artikel 108, lid 3, VWEU aan te melden.47.
68.
In casu blijkt om te beginnen uit de verwijzingsbeslissing dat het fiscale voordeel voor een algemeen nut beogend bedrijf reeds in 1953 is ingevoerd, dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag, en dat dit voordeel volgens de rechtspraak van de Duitse rechterlijke instanties beperkt was tot lichamen die zelf een fiscaal bevoordeeld statutair doel nastreefden.
69.
Voorts staat vast dat de litigieuze maatregel, die in 2020 is vastgesteld, noch bij de Commissie is aangemeld, noch, a fortiori, door haar is goedgekeurd.
70.
Ten slotte blijkt uit de verwijzingsbeslissing eveneens dat deze maatregel de criteria voor het identificeren van de begunstigden van de steun heeft gewijzigd en, meer in het bijzonder, de kring van begunstigden heeft uitgebreid door een groter aantal lichamen, waaronder verweerster in het hoofdgeding, voor deze steun in aanmerking te laten komen.
71.
In deze omstandigheden lijkt het mij duidelijk dat deze maatregel niet slechts een louter formele of administratieve wijziging van bestaande steun is, maar de kring van begunstigden van deze steun zodanig wijzigt dat dit van invloed kan zijn op de kwalificatie ervan als staatssteun. Het gaat dus om een wijziging in bestaande steun die overeenkomstig artikel 1, onder c), van verordening 2015/1589 nieuwe steun vormt, waarvoor derhalve de verplichting tot voorafgaande aanmelding bij de Commissie in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU geldt.
72.
Gelet op een en ander geef ik in overweging op de derde vraag te antwoorden dat artikel 108, lid 3, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 1, onder b) en c), van verordening 2015/1589, aldus moet worden uitgelegd dat, voor zover de betrokken fiscale voordelen staatssteun vormen, een nationale regeling waarbij die voordelen worden uitgebreid tot andere categorieën begunstigden, ‘nieuwe steun’ vormt, die vooraf bij de Commissie moet worden aangemeld.
Conclusie
73.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 107, lid 1, VWEU
moet aldus moet worden uitgelegd dat
een nationale regeling als de litigieuze maatregel:
- —
wanneer zij aan servicelichamen vrijstellingen van vennootschapsbelasting en bedrijfsbelasting toekent, geen selectief voordeel verleent en dus geen staatssteun vormt;
- —
wanneer zij ten gunste van deze lichamen voorziet in een verlaagd btw-tarief, een selectief voordeel verleent en dus staatssteun kan vormen indien aan de andere voorwaarden van die bepaling is voldaan.
- 2)
Artikel 108, lid 3, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 1, onder b) en c), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU],
moet aldus worden uitgelegd dat
voor zover de betrokken fiscale voordelen staatssteun vormen, een nationale regeling op grond waarvan deze voordelen tot andere categorieën begunstigden worden uitgebreid, ‘nieuwe steun’ vormt, die vooraf bij de Europese Commissie moet worden aangemeld.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2026
PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2022/542 van de Raad van 5 april 2022 (PB 2022, L 107, blz. 1) (hierna: ‘btw-richtlijn’).
BGBl. 2002 I, blz. 4146.
BGBl. 2002 I, blz. 4170.
BGBl. 2005 I, blz. 386. In de verwijzingsbeslissing is de wet opgenomen in de versie zoals gewijzigd bij het Wachstumschancengesetz (wet op de groeimogelijkheden) van 27 maart 2024 (BGBl. 2024 I, nr. 108).
BGBl. 2002 I, blz. 3866.
Te weten een lichaam dat uitsluitend en rechtstreeks statutaire doelen van algemeen nut, liefdadigheids- of kerkelijke doelen nastreeft.
Krachtens een nationale regeling die dateert van vóór de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag kan een lichaam zonder winstoogmerk worden vrijgesteld van vennootschapsbelasting en bedrijfsbelasting, en in aanmerking komen voor een verlaagd btw-tarief van 7 %.
Met name beperkingen op het gebruik van middelen en aan verplichtingen ten aanzien van de bestemming van hun vermogen.
Dit lid is ingevoerd bij het Jahressteuergesetz (jaarlijkse belastingwet) 2020, van 21 december 2020 (BGBl. 2020 I, blz. 3125).
Het gaat om een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waaraan de verwijzende refereert met het pseudoniem Servicekörperschaft, die in 2022 is opgericht om in het kader van een planmatige samenwerking met een als lichaam zonder winstoogmerk erkende stichting die voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de betrokken fiscale voordelen, aan deze stichting tegen betaling diensten op het gebied van financieel beheer en boekhouding te verlenen.
Volgens haar statuten streeft verweerster in het hoofdgeding in het kader van een planmatige samenwerking met deze stichting uitsluitend en rechtstreeks statutaire doelen van algemeen nut en liefdadigheid na, die erin bestaan de volksgezondheid en de openbare gezondheidszorg te bevorderen, mensen in nood bij te staan en wetenschap en onderzoek, onderwijs, kunst en cultuur te ondersteunen. Deze doelen komen overeen met die van de stichting, waarvan de statuten evenwel geen melding maken van de samenwerking met verweerster in het hoofdgeding.
In wezen had de belastingdienst de vordering van verweerster in het hoofdgeding aanvankelijk ingewilligd. Nadien heeft die dienst de vordering evenwel afgewezen omdat de belastingwetgeving vereiste dat in de statuten van beide instellingen werd vermeld met welk lichaam werd samengewerkt en op welke wijze die samenwerking was geregeld. In de statuten van de stichting werd echter noch het bestaan van een planmatige samenwerking met verweerster in het hoofdgeding, noch de wijze van samenwerking vermeld. Na deze afwijzing heeft het Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg, Duitsland) het beroep van verweerster in het hoofdgeding bij vonnis gegrond verklaard. Tegen dat vonnis heeft de belastingdienst beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof.
Zie in die zin met name arrest van 29 april 2025, Prezydent Miasta Mielca (C-453/23, EU:C:2025:285, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Prezydent Miasta Mielca’). De overige voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU houden verband met de toerekenbaarheid van de maatregel aan de staat, de verstoring van de mededinging en de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten. Aangezien de verwijzende rechter enkel het selectieve karakter van de litigieuze maatregel ter discussie stelt, zal ik er voor de onderhavige analyse van uitgaan dat aan de andere voorwaarden is voldaan, zulks onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter.
Zie in die zin met name arrest van 10 september 2024, Commissie/Ierland e.a. (C-465/20 P, EU:C:2024:724, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin met name arrest Prezydent Miasta Mielca (punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie het arrest Prezydent Miasta Mielca (punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dientengevolge tast een fout in de vaststelling van het referentiestelsel noodzakelijkerwijze de geldigheid van het gehele onderzoek van de selectiviteitsvoorwaarde aan [zie arrest van 16 maart 2021, Commissie/Hongarije (C-596/19 P, EU:C:2021:202, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Zie het arrest Prezydent Miasta Mielca (punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Advocaat-generaal Kokott is van mening dat, gelet op de beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij de vaststelling van het referentiestelsel beschikken, de toetsing van dit stelsel door de Commissie en de rechterlijke instanties van de Unie beperkt blijft tot een plausibiliteitscontrole, die ertoe strekt na te gaan of de nationale regeling kennelijk incoherent is opgezet dan wel of de nationale autoriteiten deze kennelijk contra legem toepassen [zie met name haar conclusie in de gevoegde zaken Atlas Copco Airpower e.a./Commissie (C-755/23 P en C-756/23 P, EU:C:2026:264, punten 38–41)].
Zie het arrest Prezydent Miasta Mielca (punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In wezen houdt dit beginsel, als uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, in dat iedereen in verhouding tot zijn individuele draagkracht bijdraagt aan de staatskas [zie in die zin en naar analogie arrest van 25 juni 2025, Fachverband Spielhallen en LM/Commissie (T-510/20 RENV, EU:T:2025:629, punt 43)].
Zie voetnoot 9 van deze conclusie.
Deze vrijstellingen kunnen daarentegen wel relevant zijn voor de beoordeling van de feitelijke en juridische situatie van de betrokken lichamen, waarop de tweede fase van de selectiviteitsanalyse betrekking heeft (zie de punten 34–43 van deze conclusie).
Zie punt 51 van dat arrest.
Dezelfde overwegingen gelden voor lichamen zonder winstoogmerk, aangezien de litigieuze maatregel de aan deze lichamen toegekende fiscale voordelen uitbreidt tot servicelichamen en hun dezelfde voorwaarden oplegt. In het vervolg van mijn analyse zal ik kortheidshalve alleen servicelichamen vermelden, waarop het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft.
Deze omstandigheid kan daarentegen wel relevant zijn bij het onderzoek van de voorwaarden voor de verenigbaarheid van een steunmaatregel.
Zie in die zin arrest van 8 september 2011, Paint Graphos e.a. (C-78/08–C-80/08, EU:C:2011:550, punten 55-60; hierna: ‘arrest Paint Graphos e.a.’). Meer in het bijzonder werden de coöperatieve vennootschappen volgens de Italiaanse regeling die in die zaak aan de orde was, om te beginnen niet ten voordele van externe investeerders bestuurd, waarbij hun reserves en activa in gemeenschappelijke handen en niet-verdeelbaar waren en alleen te gebruiken in het gemeenschappelijke belang van de leden; ten tweede dienden deze vennootschappen tot wederzijds voordeel van hun leden, die tegelijkertijd de afnemer, werknemer of leverancier ervan waren, opdat elk van hen van de activiteiten van de coöperatie profijt kon trekken naar rata van zijn deelneming en zijn transacties met deze vennootschap; ten slotte hadden deze vennootschappen weinig of geen toegang tot de aandelenbeurzen, zodat zij voor hun ontwikkeling steunden op hun eigen kapitaal of op krediet, terwijl de beloning van het geleende kapitaal en van de deelnemingen bovendien beperkt was, hetgeen de investering in dergelijke vennootschappen minder aantrekkelijk maakte. Bijgevolg was hun winstmarge aanzienlijk kleiner dan die van kapitaalvennootschappen, die zich beter aan de eisen van de markt konden aanpassen.
Dat wil zeggen wanneer deze maatregel een eventueel verschil in behandeling invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de door dat stelsel nagestreefde doelstelling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.
Zie in die zin het arrest Paint Graphos e.a. (punten 69 en 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin het arrest Paint Graphos e.a. (punten 73–75).
Richtlijn van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PB 2022, L 328, blz. 1, met rectificatie in PB 2023, L 13, blz. 9).
Zo berustte in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest Paint Graphos e.a. de mogelijkheid om de aard of de algemene opzet van het nationale belastingstelsel in te roepen ter rechtvaardiging van het feit dat coöperatieve vennootschappen die hun gehele winst aan hun leden uitkeerden, niet zelf als coöperatie werden belast, met name op het feit dat de belasting bij hun leden werd geheven (zie in die zin punt 71 van dat arrest).
Zie in die zin arrest van 9 juli 2026, Schoger II (C-360/25, EU:C:2026:557, punt 52).
Zie in die zin arrest van 9 maart 2017, Oxycure Belgium (C-573/15, EU:C:2017:189, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Oxycure Belgium’).
Zie het arrest Oxycure Belgium (punt 21). Het doel van die bijlage is om bepaalde, bijzonder noodzakelijk geachte goederen goedkoper en dus toegankelijker te maken voor de eindconsument, die de btw uiteindelijk draagt (punt 22 van dat arrest en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangaande de specifieke inhoud van die bijlage heeft het Hof geoordeeld dat de Uniewetgever een grote beoordelingsvrijheid toekomt, aangezien hij bij het nemen van een belastingmaatregel politieke, economische en sociale keuzen moet maken en uiteenlopende belangen moet afwegen of ingewikkelde beoordelingen moet verrichten (punt 23 van dat arrest en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Deze bepaling is gewijzigd bij richtlijn (EU) 2022/542 van de Raad van 5 april 2022 tot wijziging van de richtlijnen 2006/112/EG en (EU) 2020/285 wat de btw-tarieven betreft (PB 2022, L 107, blz. 1), die na de feiten van de onderhavige zaak in werking is getreden. In de huidige versie van deze bepaling, waarvan de bewoordingen grotendeels ongewijzigd zijn gebleven, staat onder meer te lezen dat verlaagde tarieven kunnen worden toegepast op ‘goederenleveringen en diensten door organisaties die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid, als omschreven door de lidstaten, en die door de lidstaten als liefdadigheidsinstellingen zijn erkend’.
Zie het arrest Oxycure Belgium (punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Servicelichamen komen namelijk in aanmerking voor een verlaagd btw-tarief van 7 %, dat wil zeggen een tarief dat hoger is dan het in artikel 98, lid 1, tweede alinea, van de btw-richtlijn vastgestelde minimum van 5 %.
De verwijzende rechter benadrukt bijvoorbeeld dat de door verweerster in het hoofdgeding verrichte diensten op het gebied van financieel beheer en boekhouding niet verschillen van soortgelijke activiteiten die door haar concurrenten worden aangeboden.
Volgens de verwijzende rechter omvat deze werkingssfeer met name wetenschap en onderzoek, kunst en cultuur (gebieden waarop de stichting actief is die op planmatige wijze met verweerster in het hoofdgeding samenwerkt), behoud van het historisch erfgoed, natuurbescherming en landschapsbeheer, internationale gezindheid, dierenbescherming en dierenfokkerij. Bijgevolg is de klant zonder winstoogmerk van een servicelichaam niet noodzakelijkerwijs een lichaam dat betrokken is bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid.
Zie de punten 44–46 van deze conclusie.
Zie in die zin arrest van 9 juli 2026, Schoger II (C-360/25, EU:C:2026:557, punt 56).
Zie arrest van 28 oktober 2021, Eco Fox e.a. (C-915/19–C-917/19, EU:C:2021:887, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Verordening van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9).
45 Verordening van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 2004, L 140, blz. 1, met rectificatie in PB 2005, L 25, blz. 74).
Zie arrest van 14 november 2019, Dilly's Wellnesshotel (C-585/17, EU:C:2019:969, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 14 november 2019, Dilly's Wellnesshotel (C-585/17, EU:C:2019:969, punt 61). De wijziging van het aantal begunstigden vormt immers een relevante factor bij de beoordeling van de litigieuze maatregel door de Commissie, met name wat de kwalificatie ervan als staatssteun betreft.