Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.8.3
1.8.3 De gedaagde
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644999:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Windscheid II (1891), p. 706.
D. 10, 4, 7, 4 (Ulpianus).
D. 10, 4, 7, 6 (Ulpianus).
D. 10, 4, 7, 7 (Ulpianus). “Ibidem non male Pomponius iungit eius, qui ad exhibendum egit, utroque tempore interfuisse oportere rem ei restitui, hoc est et quo lis contestatur et quo fit condemnatio: et ita Labeoni placet.” “Op dezelfde plaats geeft Pomponius de niet onjuiste toevoeging dat wie een actie tot productie heeft ingesteld op beide tijdstippen belang behoort te hebben gehad bij de afgifte der zaak, d.w.z. zowel op het tijdstip van het aangaan van de procesovereenkomst, als ook op het moment dat de veroordeling plaatsvindt. Ook Labeo is deze mening toegedaan.”
D. 10, 4, 7, 5 (Ulpianus).
D. 10, 4, 9, 6 (Ulpianus). Onder die vruchten viel volgens Sabinus en Pomponius ook het kind van een slavin, ongeacht het tijdstip waarop zij zwanger was geworden, D. 10, 4, 9, 7: “Quia tamen causa petitori in hac actione restituitur, Sabinus putavit partum quoque restituendum, sive praegnas fuerit mulier sive postea conceperit: quam sententiam et Pomponius probat.” “Omdat bij deze actie sprake is van herstel van positie ten gunste van de eiser, meende Sabinus dat ook het kind van een slavin moest worden afgegeven, ongeacht of zij al zwanger was dan wel nadien [na de litis contestatio, maar vóór de verjaring, JCTF] in verwachting is geraakt; Deze mening keurt ook Pomponius goed.”
Demelius (1872), p. 15 e.v.
D. 10, 4, 3, 15 (Ulpianus): “Sciendum est adversus possessorem hac actione agendum non solum eum qui civiliter, sed et eum qui naturaliter incumbat possessioni. Denique creditorem, qui pignori rem accepit, ad exhibendum teneri placet:”
D. 10, 4, 4 (Pomponius): “nam et cum eo, apud quem deposita vel cui commodata vel locata res sit, agi potest.”
D. 10, 4, 5, pr (Ulpianus): “Celsus scribit: si quis merces, quas evehendas conduxit, in horreo posuit, cum conductore ad exhibendum agi potest: item si mortuo conductore heres existat, cum herede agendum: sed si nemo heres sit, cum horreario agendum: nam si a nullo, inquit, possidentur, verum est aut horrearium possidere aut certe ille est, qui possit exhibere. Idem ait: quomodo autem possidet qui vehendas conduxit? An quia pignus tenet? Quae species ostendit etiam eos, qui facultatem exhibendi habent, ad exhibendum teneri.”
Wie was de gedaagde in het exhibitieproces? Allereerst was een ieder die de zaak bezat, verplicht die zaak aan iedereen te produceren die met betrekking tot die zaak een vordering wilde instellen.1 De gedaagde was dus in de meeste gevallen de bezitter. Dat lijkt een eenvoudige constatering, maar toch konden zich allerlei moeilijkheden voordoen. Iemand werd met de actio ad exhibendum aangesproken tot afgifte van het bezit. Als hij zich verdedigde met de bewering dat hij het bezit niet had tijdens de litis contestatio, maar blijkt dat hij naderhand, vóór de uitspraak, het bezit heeft gekregen, dient hij naar de mening van Pomponius veroordeeld te worden, tenzij hij tot afgifte was overgegaan.2 Hetzelfde geldt als hij eerst wel bezat, daarna het bezit kwijtraakte en vervolgens herkreeg.3 Wel diende de eiser op beide tijdstippen belang te hebben bij de afgifte van de zaak, zowel op dat van de litis contestatio als op dat van de veroordeling. Dat is de eensgezinde mening van Ulpianus, Pomponius en Labeo.4 Als de gedaagde op het ogenblik van de procesovereenkomst bezitter was, en het bezit na dat moment zonder boos opzet verloor, diende de eis te worden afgewezen, hoewel hem volgens Pomponius te verwijten viel dat hij de zaak direct had kunnen produceren in plaats van de litis contestatio af te wachten.5 Een bijzondere moeilijkheid deed zich voor indien een zaak werd geproduceerd die de gedaagde na de litis contestatio door verjaring verkreeg. In dat geval was de productie overbodig, omdat de eiser (door de verjaring) zijn vordering had verloren. Toch mocht de gedaagde niet worden vrijgesproken als hij niet bereid was om de vruchten van de zaak tot aan de verjaring te vergoeden.6
Naast de bezitter was ook eenieder die de mogelijkheid had om de zaak te produceren aan te spreken met de actie tot productie.7 De actie kon dus ook, net als de revindicatie, tegen een houder worden ingesteld.
“Men moet weten dat deze actie niet alleen kan worden ingesteld tegen iemand die bezit naar ius civile heeft, maar ook tegen hem die slechts natuurlijk bezit heeft. Daarom kan naar algemene opvatting de schuldeiser die een zaak in pand heeft gekregen, met de actie tot productie aansprakelijk worden gesteld.8 Want ook tegen degene aan wie een zaak in bewaring, bruikleen of huur is gegeven, kan deze actie worden ingesteld.”9
Dat een eiser ook een houder in plaats van de bezitter aan kon spreken met de actio ad exhibendum, was niet vreemd, aangezien de actie erop gericht was de zaak te tonen, niet om de zaak af te geven. De houder mocht het proces niet verhinderen door de zaak niet te produceren. Van belang was of de gedaagde in staat was om te produceren en niet welke zakenrechtelijke positie de gedaagde had:
“Celsus schrijft: als iemand waren waarvan hij het vervoer op zich heeft genomen, in een pakhuis heeft opgeslagen, kan tegen die vervoerder de actie tot productie worden ingesteld. Evenzo moet men, als er na het overlijden van de vervoerder een erfgenaam voorhanden is, tegen die erfgenaam procederen. Maar als niemand erfgenaam is, moet er geprocedeerd worden tegen de pakhuismeester. Want, zegt hij, als niemand van die waren het bezit heeft, is het de realiteit dat de pakhuismeester bezitter is of is hij althans degene die in staat is tot productie. Dezelfde jurist zegt: hoe toch kan iemand die het vervoer op zich heeft genomen, bezitter zijn? Soms omdat hij het bij wijze van pand onder zich heeft? Dit geval toont dat ook zij die de mogelijkheid tot productie hebben, metterdaad tot productie zijn gehouden.” 10
Kortom, de belanghebbende eiser kon een ieder aanspreken, die de mogelijkheid (facultas) had om de zaak te produceren.