HR, 08-04-2014, nr. 13/00727
ECLI:NL:HR:2014:866
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-04-2014
- Zaaknummer
13/00727
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:866, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 08‑04‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:267, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:267, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:866, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑04‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Partij(en)
8 april 2014
Strafkamer
nr. 13/00727
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2013, nummer 23/002124-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.
Conclusie 18‑03‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Nr. 13/00727 Zitting: 18 maart 2014 | Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2013. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingezonden.
2. Het tweede middel klaagt tevergeefs dat het Hof in zijn arrest zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt van de verdediging dat de aangever en de getuigen op essentiële onderdelen niet eensluidend hebben verklaard omtrent het aantal maal dat verzoeker op de aangever zou hebben ingereden, de snelheid waarmee hij zou hebben gereden en tot welke afstand hij de aangever zou hebben genaderd. Het middel is een herhaling van hetgeen door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het Hof is daarop in zijn bewijsoverweging uitvoerig ingegaan. Anders dan de steller van het middel meent, is de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed en is de motivering van het Hof niet onbegrijpelijk. Ook het derde middel klaagt tevergeefs dat het Hof zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat indien een aanmerkelijke kans wordt aangenomen, deze aanmerkelijke kans niet ziet op het intreden van de dood. Beide middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dat betekent dat het eerste middel, dat enkel over schending van de redelijke termijn in cassatie klaagt, klaarblijkelijk niet voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG