Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/4.1:4.1 Inleiding
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491092:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. J.E. Jansen 2007, p. 97.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/38-39; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/590.
Zie verder hoofdstuk 8 over ondererfpacht op een eigen zaak.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
39. In het vorige hoofdstuk is gebleken dat in het Duitse recht bij onroerende zaken het uitgangspunt is losgelaten dat een eigenaar geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben. Hij kan die rechten vestigen ten gunste van zichzelf en zij gaan niet door vermenging teniet als hij die verkrijgt. Beperkte rechten op roerende zaken en Rechten gelden als niet-tenietgegaan als bij het beperkte recht een ‘rechtliches Interesse’ (rechtsbelang) bestaat.
De Nederlandse wet bepaalt in een aantal gevallen expliciet dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben (o.a. art. 4:50 lid 3, 4:200 lid 2 en 5:83 BW). Die gevallen zijn besproken in hoofdstuk 2. Zij hebben met elkaar gemeen dat belang bestaat bij het beperkte recht.1 Die belangen zijn wel erg uiteenlopend. Naast de in de wet geregelde gevallen, kan een eigenaar mogelijk ook – op grond van ongeschreven recht – in andere gevallen beperkte rechten op zijn eigen zaak hebben. In dit hoofdstuk wordt onderzocht welk criterium in het systeem van het recht besloten ligt, om vast te stellen in welke gevallen een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben. Als eerste bespreek ik twee extreme standpunten (§4.2). Het blijkt dat geen van beide opvattingen stand kan houden. In §4.3 kom ik daarom – aan de hand van de ratio van het uitgangspunt dat iemand geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben – tot een genuanceerde maatstaf.
Die maatstaf komt kort samengevat erop neer dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben, als belang bestaat bij dat beperkte recht. Het begrip ‘belang’ dient objectief ingevuld te worden. Een eigenaar heeft objectief belang bij een beperkt recht op zijn eigen zaak, als hij aan dat beperkte recht bevoegdheden kan ontlenen, die hij niet heeft op grond van het eigendomsrecht. Die bevoegdheden kunnen bestaan uit het genot van het goed waarop het beperkte recht rust (bij de rechten van vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal), of de bevoegdheid over het bezwaarde goed te beschikken en zich bij voorrang op de opbrengst te verhalen (bij pand en hypotheek).2 Daarvan kan sprake zijn als op de zaak andere beperkte rechten rusten die de eigenaar moet eerbiedigen. De eigenaar van een zaak die is bezwaard met een erfpachtrecht, kan bijvoorbeeld extra bevoegdheden ontlenen aan een recht van ondererfpacht op zijn eigen zaak. Uit hoofde van zijn eigendomsrecht moet hij de erfpacht eerbiedigen. Op grond van de ondererfpacht hoeft hij dat niet.3Iemand anders dan de eigenaar heeft objectief belang bij een beperkt recht op een eigen zaak, als hij uit hoofde van een goederenrechtelijk recht bevoegdheden kan ontlenen aan het beperkte recht op de eigen zaak. Bijvoorbeeld als hij een recht van hypotheek heeft op een opstalrecht dat in handen is van de eigenaar van de bezwaarde zaak (zie de casus in nr. 3).
Voordat ik deze maatstaf verder uitwerk, volgt eerst een bespreking van twee andere standpunten.