De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.6:4.3.6.6 De verplichting om stukken in het geding te brengen als onderdeel van de stellast in hoger beroep
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.6
4.3.6.6 De verplichting om stukken in het geding te brengen als onderdeel van de stellast in hoger beroep
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS378690:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
NJ 1997, 451 OdB).
Vgl. HR 8 januari 2004, LJN AP1083, zaaknr. C031164 HR.
HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713. Vgl. HR 1 april 1977 (Levasier Tours/Hoffman), NJ 1977, 512.
Zie nr. 140-141.
Zie HR 18 maart 1994 (Ciba Geigy/Bovens), NJ 1994, 407 en HR 24 mei 1957 ( Van Vliet/Vricon), NJ 1959,10 (DJV). Vgl. HR 30 januari 1959 (Ruizenaar/Timmermans), NJ 1960, 85 (LEHR) en HR 21 november 1980 (Méhit/Achffè), NJ 1981, 101 (WHH).
HR 31 oktober 2003, NJ 2004, 520.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
183. Ter beantwoording van de vraag of een partij heeft voldaan aan haar stellast, zal de rechter ook acht moeten slaan op de door die partij in het geding gebrachte stukken.1 Blijkens een uitspraak van de Hoge Raad van 3 januari 19972 zijn de eisen van een goede procesorde (mede) bepalend voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre van een partij kan worden verlangd dat zij ter voldoening aan haar stellast ondersteunende stukken in het geding brengt.
In de zaak die aan deze beschikking ten grondslag lag, diende de Hoge Raad te beoordelen of het hof in hoger beroep van de geïntimeerde partij (oorspronkelijk gedaagde) had mogen verlangen dat zij in het kader van haar verweer terstond alle beschikbare bescheiden zou overleggen, of althans gemotiveerd zou aangeven waarom die bescheiden ontbraken. Het hof had dit van geïntimeerde partij verlangd, nu deze partij om haar moverende redenen pas in hoger beroep voor het eerst een geheel nieuw essentieel verweer tegen de vordering voerde. Daarbij liet het hof doorschemeren te twijfelen aan de ter rechtvaardiging daarvoor gegeven motieven. Omdat de geïntimeerde partij haar verweer tegen de oorspronkelijke vordering naar het oordeel van het hof onvoldoende had onderbouwd met nadere feiten en stukken, was het hof vervolgens aan haar verweer voorbij gegaan. Op klachten daarover in cassatie overwoog de Hoge Raad:
'Het was aan het Hof als feitenrechter om te beoordelen wat in dit opzicht op grond van de eisen van een goede procesorde in het licht van de omstandigheden van het geval mocht worden verlangd van de moeder [geïntimeerde, vcal] en welk gewicht aan het ontbreken van dergelijke stukken, c.q. een verklaring van het ontbreken daarvan diende te worden gehecht, mede in verband met de vraag of het Hof aan de moeder ambtshalve een bewijsopdracht zou verstrekken.'
Essentieel in deze uitspraak is dat de Hoge Raad de overwegingen van het hof niet zo interpreteerde, dat het van geïntimeerde had verlangd dat zij op voorhand bewijs aandroeg voor de door haar gestelde feiten, maar dat zij nadere stukken overlegde ter voldoening aan haar stellast. Bewijslevering is in een geval als het onderhavige immers, zoals ook door het middel werd aangestipt, pas aan de orde als de wederpartij de gestelde feiten voldoende heeft betwist.3 Het hof was echter niet aan bewijsopdrachten toegekomen, omdat het van oordeel was dat geïntimeerde (ook) in hoger beroep haar verweer tegen de oorspronkelijke vorderingen onvoldoende had onderbouwd met nadere feiten en stukken.
Geïntimeerde had in casu geen bewijsaanbod gedaan. Men kan zich afvragen of een bewijsaanbod de zaak in haar voordeel had kunnen doen keren. Vooropgesteld zij, dat de rechter ook aan een bewijsaanbod voorbij mag gaan, indien de partij die het aanbod doet, niet eerst aan haar stelplicht heeft voldaan. Een voorbeeld daarvan geeft het arrest Van der Meulen/Hacquebord4, waarin de Hoge Raad overwoog dat ingeval een procespartij een ongeloofwaardige stelling aan zijn vordering ten grondslag legt en de wederpartij daartegenover een gemotiveerd en gedocumenteerd verweer voert, van die procespartij kan worden gevergd dat hij, ter voldoening aan zijn stelplicht, nadere gegevens aanvoert. Door te oordelen dat Van der Meulen niet aan zijn stelplicht had voldaan en dat hem daarom geen bewijs kon worden opgedragen, had de appèlrechter volgens de Hoge Raad geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Anderzijds kan de rechter een bewijsaanbod aangrijpen om een partij met een opdracht tot bewijslevering in de gelegenheid te stellen haar stellingen te verduidelijken of aan te vullen. Hierboven5 kwam al jurisprudentie aan bod waarin de Hoge Raad oordeelde dat de rechter, ter beantwoording van de vraag of het door eiser gestelde voldoende begrijpelijk is om de toewijsbaarheid van de vordering te kunnen beoordelen, ook acht mag en moet slaan op de feiten die in de loop van het geding ter ondersteuning van de vordering van eiser zijn aangevoerd.6 Bovendien mag de rechter - en daarmee had het hof de moeder in deze zaak de helpende hand kunnen bieden - ambtshalve een comparitie van partijen gelasten. Het is volgens de Hoge Raad echter aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt overgelaten, of hij voor een dergelijke bewijsopdracht of comparitie termen aanwezig acht. Niet verwonderlijk is dat het hof, gezien de weigering van de vrouw om in eerste aanleg ook maar enige informatie te verschaffen en de wederom in hoger beroep weinig cooperatieve opstelling, dergelijke termen niet aanwezig achtte.
Dat de rechter niet te snel aan een bewijsaanbod mag voorbijgaan op grond van het oordeel dat een partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, mag blijken uit het arrest M/Stichting Saenwonen.7 In het hoger beroep van de zaak die tot dat arrest leidde, stelde appellant dat tussen hem en een overleden huurster een duurzame gemeenschappelijke huishouding en een affectieve relatie had bestaan, meer in het bijzonder dat hij bijdroeg in de kosten van de huishouding, dat zij in hetzelfde bed sliepen, meestal samen aten en soms samen boodschappen deden, uitgingen en ruzie hadden. Ter ondersteuning van deze stelling had appellant een aantal verklaringen van omwonenden in het geding gebracht. De rechtbank achtte die verklaringen echter te mager om de stellingen van appellant te ondersteunen en overwoog dat het op de weg van appellant had gelegen om de duurzame gemeenschappelijke huishouding te staven met concrete feiten en omstandigheden en/of stukken, bijvoorbeeld met betrekking tot een gemeenschappelijke bankrekening of belastingaangiftes. Tegen die achtergrond zag de rechtbank geen aanleiding om appellant toe te laten tot nadere bewijslevering overeenkomstig het door hem in algemene termen gedane bewijsaanbod. In cassatie oordeelde de Hoge Raad echter dat de rechtbank aldus onvoldoende inzicht had gegeven in haar gedachtegang, nu uit haar overwegingen niet viel af te leiden op grond waarvan zij van oordeel was dat de door appellant gestelde feiten, zo zij zouden komen vast te staan, hetzij nimmer, hetzij in het onderhavige geval niet tot de slotsom konden leiden dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Evenmin had de rechtbank voldoende duidelijk gemaakt welke concrete feiten en omstandigheden appellant had moeten aanvoeren en/of welke stukken hij had moeten overleggen om de gemeenschappelijke huishouding te staven. Ten slotte is bij dit alles van belang, aldus de Hoge Raad, dat van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen, niet gevergd kan worden dat zij, wil zij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. Met de desbetreffende oordelen had de rechtbank naar het oordeel van de Hoge Raad dan ook hetzij blijk gegeven van een onjuiste opvatting over de inhoud van de stelplicht, hetzij deze oordelen onvoldoende gemotiveerd.