Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/8.5.1
8.5.1 Verpande huurvorderingen in faillissement
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS623569:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Indien de huurder (al dan niet abusievelijk) op de bankrekening van de hypotheekgever betaalt, waardoor het pandrecht vervalt, dan geldt een uitzondering op art. 54 Fw op grond van het arrest HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471, m.nt. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).
HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5528, NJ 1987/530, m.nt. Van der Grinten (WUH/Emmerig).
Zie over cessie van toekomstige vorderingen HR 26 maart 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4349, NJ 1982/615, m.nt. Kleijn (Viskotter Leon).
Deze problematiek is uitvoerig behandeld door Schuijling (Schuijling 2016, par. 3.4.3.9), wiens dissertatie op dit punt is besproken door Wibier, zie Wibier 2017.
Ten eerste in het faillissement van de hypotheekgever. Een pandhouder (hier tevens hypotheekhouder) mag zijn rechten uitoefenen alsof er geen faillissement is.1 Dus ook in faillissement mag hij de verpande vorderingen innen en zich daarop (met voorrang) verhalen. Er is dan geen sprake van verrekening, dus art. 53 en 54 Fw spelen in principe geen rol.2
Toch brengt een aanvullend pandrecht de rechtspositie van de Nederlandse hypotheekhouder niet op eenzelfde hoogte als die van de Engelse hypotheekhouder. Naar Nederlands recht kunnen toekomstige vorderingen weliswaar bij voorbaat worden verpand,3 maar om het pandrecht daadwerkelijk tot stand te laten komen, is vereist dat de pandgever op enig moment bevoegd wordt om over die vorderingen te beschikken. De pandgever is pas beschikkingsbevoegd vanaf het moment waarop die vordering ontstaat. Valt dit ontstaansmoment echter in faillissement, wat bij huurvorderingen van ná faillissementsdatum het geval is,4 dan staat art. 23 Fw alsnog aan een geldige verpanding in de weg.5
Kort gezegd komt het er voor de Nederlandse hypotheekhouder/pandhouder op neer dat hij zich met voorrang mag verhalen op de huurtermijnen die tot faillissement vervallen, en dat de huurtermijnen die tijdens faillissement verschijnen in de boedel vloeien. Ik laat hierbij de mogelijkheid om afwijkende contractuele afspraken te maken over de betaling van huurtermijnen buiten beschouwing. Ik doel hiermee op verplichtingen zoals die waarbij reeds bij aanvang van de huurovereenkomst de totale huursom voor de gehele huurperiode opeisbaar wordt. In hoeverre (huur)vorderingen op deze manier gemodelleerd kunnen worden én vervolgens al dan niet voor verpanding vatbaar zijn, valt buiten het bereik van mijn onderzoek.6