De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.4.1.1:16.4.1.1 Primaire, secundaire en tertiaire gevolgen en het regelen van de gevolgen daarvan
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.4.1.1
16.4.1.1 Primaire, secundaire en tertiaire gevolgen en het regelen van de gevolgen daarvan
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372154:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter art. 2:357 lid 1 BW.
Art. 2:357 lid 3 BW.
Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 434.
Deze bevoegdheid kan verschillende grondslagen hebben. Zie bijvoorbeeld HR 10 maart 1995, NJ 1995, 595 m.nt. Maeijer (Jansen Pers), de statuten en art. 2:147/257 lid 2 BW.
Hof Amsterdam (OK) 13 december 2007, ARO 2008/1 (e-Traction), r.o. 3.1 en 3.2 en Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, ARO 2008/2 (e-Traction), r.o. 3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het primaire gevolg van een ontslag bij wijze van eindvoorziening is dat de daardoor getroffen persoon geen bestuurder meer is van de desbetreffende vennootschap. Dit primaire gevolg valt niet nader te regelen.1 Een bestuurder kan niet half ontslagen worden. Een ander primair gevolg is dat de aandeelhoudersvergadering de ontslagen bestuurder niet meer kan benoemen.2 Mijns inziens is dat gevolg wel nader te regelen in de zin dat de ondernemingskamer kan bepalen dat na een bepaalde periode of indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, de desbetreffende persoon wel weer tot bestuurder kan worden benoemd.3 Tevens kan mijns inziens de ondernemingskamer bepalen dat de desbetreffende persoon ook niet indirect, met een of meer vennootschappen als tussenschakel, als bestuurder kan worden benoemd.
Het secundaire gevolg van het beëindigen van het bestuurderschap is dat de bestuurder niet meer de aan het bestuurderschap verbonden bevoegdheden kan uitoefenen. Zo kan de ontslagen bestuurder de vennootschap niet meer vertegenwoordigen. Door middel van tijdelijk afwijken van de statuten zou dit gevolg kunnen worden gemitigeerd door statutaire bevoegdheden toe te kennen aan de ontslagen bestuurder. Een ander secundair gevolg kan zijn dat de ontslagen bestuurder voor wat betreft de toekomst niet meer bij de organisatie van de vennootschap is betrokken en dus niet meer behoort tot de kring waartoe art. 2:8 BW zich uitstrekt (uiteraard geldt dat nog wel voor zaken ten aanzien van het verleden). Dat is anders als de ontslagen bestuurder ook anderszins bij de organisatie van de vennootschap is betrokken, bijvoorbeeld als aandeelhouder.
De primaire en secundaire gevolgen van schorsing vallen min of meer samen en houden in dat de geschorste bestuurder tijdelijk niet meer de aan het bestuurderschap verbonden bevoegdheden kan uitoefenen.4 Door middel van tijdelijk afwijken van de statuten zou dit gevolg kunnen worden gemitigeerd door statutaire bevoegdheden toe te kennen aan de geschorste bestuurder (zie ook par. 16.8). Ook verliest de aandeelhoudersvergadering haar bevoegdheid om een schorsing ongedaan te maken.5 Het ligt niet voor de hand om dit secundair gevolg nader te regelen. Bovendien blijkt uit de rechtspraak van de ondernemingskamer dat, nadat de ondernemingskamer heeft ingegrepen in het bestuur, het niet de bedoeling is dat (het bevoegde orgaan van) de vennootschap verdere wijzigingen in het bestuur aanbrengt.6
De tertiaire gevolgen van schorsing en ontslag zullen veelal deels van vermogensrechtelijke aard zijn. Heeft de ontslagen bestuurder recht op een ontslagvergoeding of niet? Deze vraag komt in par. 16.4.2 aan de orde. Voor een bestuurder, die niet tevens aandeelhouder of certificaathouder is, zijn dit de voornaamste tertiaire gevolgen. Voor een bestuurder die dat wel is, is minstens zo belangrijk dat hij zijn grip op de vennootschap verliest. Deze problematiek is reeds ter sprake gekomen in par. 5.3.5.3 en 16.3 en komt verder aan de orde in par. 16.4.1.2, 16.5.2 en 16.6.1.
Daarnaast zal de ontslagen bestuurder de eigendommen van de vennootschap die hij in zijn hoedanigheid van bestuurder onder zich heeft, moeten inleveren. Bij schorsing zal hiermee waarschijnlijk praktisch worden omgegaan, waarbij voorop staat dat de vennootschap desgewenst haar eigendommen kan opeisen.