Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.F.2
2. (Nogmaals) decentralisatie: mid-term review
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476153:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel A j.c hiervoor.
De zogenaamde ‘ILG-gelden’, zoals reeds uitgebreid behandeld in onderdeel A.3.C van dit hoofdstuk.
Rapport ‘ILG in uitvoering’, 2010, p. 3. Zie voor de integrale tekst van het rapport http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/24/ilg-in-uitvoering-midterm-review~investeringsbudget-landelijk-gebied.html, datum inzage 25 juli 2013.
Zie hierover tevens onderdeel A.3.C van dit hoofdstuk.
J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’, p. 678 spreekt niettemin van een ‘beperkte speelruimte’ voor de provincies, aangezien de provincies de (ontschotte) ILG-gelden gedifferentieerd dienden in te zetten om de verschillende beleidsdoelstellingen te bereiken. Gezien de grote invloed die de provincies hebben gehad bij de formulering van deze beleidsdoelstellingen, was de speelruimte van de provincies gedurende de periode 2007-2013 mijns inziens te ruim om van een ‘beperkte speelruimte’ te kunnen spreken.
D.W. Bruil waarschuwde reeds voor deze ontwikkeling in: D.W. Bruil, ‘De Wet inrichting landelijk gebied: nieuwe rondes, nieuwe kansen’. Zie nader onderdeel F.3 van dit hoofdstuk.
Hierna tevens: MTR. Zie over de MTR tevens S.D.P. Kole, Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden, p. 242-243.
Zie art. 7 lid 3 WILG, waarin tot 1 januari 2014 de wettelijke basis voor de mid-term review was vastgelegd. Zie voor de ontwikkelingen ná deze MTR onderdeel F.6 van dit hoofdstuk.
Rapport TLG in uitvoering’, 2010, p. 3. Zie voor de integrale tekst van het rapport http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/24/ilg-in-uitvoering-midterm-review~investeringsbudget-landelijk-gebied.html, datum inzage 25 juli 2013.
Recreatie om de Stad. Zie nader http://thernasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/2010/Iandelijk-gebied/recreatie/recreatiegebied-om-de-stad, datum inzage 25 juli 2013.
Voor deze discussie en het verdere vervolg van het ILG onderdeel F.6 van dit hoofdstuk.
Op het subsidietraject onder het WILG-regime zijn de gewijzigde bestuurlijke verhoudingen van grote invloed. Zoals reeds besproken, 1 is in de WILG de regie bij de realisering van de ontwikkeling, de inrichting en het beheer van het landelijk gebied vanuit het Rijk verschoven naar de provincies, waarbij per 1 januari 2014 sprake is van (nog) verdere decentralisatie richting de provincies.
Het Rijk stelt enkel nog de benodigde gelden aan de provincies beschikbaar.2 Het Rijk blijft daarnaast (eindverantwoordelijk voor de beleidsdoelen en was, gedurende de periode 2007-2013, systeemverantwoordelijk voor het ILG. De provincies hebben, vooral sinds 1 januari 2014, de regie over de uitvoering. Samen met de gemeenten en de waterschappen hadden de provincies tot taak de rijksdoelen uit het meerjarenprogramma Vitaal Platteland 2007-2013 te integreren met de inspanningen in de regio’s.3 De provincies hadden derhalve, binnen de kaders van de door het Rijk met iedere provincie te sluiten bestuursovereenkomsten (aldus het tot 1 januari 2014 geldende artikel 7 WILG), 4 min of meer de vrije hand5 om met de door het Rijk beschikbaar gestelde gelden onder meer de notaris- en de kadasterkosten van de diverse kavelruilprojecten die zich gedurende het investeringstijdvak 2007-2013 binnen hun provinciegrenzen hebben afgespeeld naar believen geheel of gedeeltelijk te subsidiëren. Naast de omvang van de subsidie waren en zijn de provincies ook vrij om aanvullende eisen te stellen aan de te subsidiëren kavelruilen. Deze beleidsvrijheid van de diverse provincies heeft geleid tot een ‘wildgroei’ aan provinciale subsidieverordeningen die ten opzichte van elkaar qua vorm en inhoud enorm verschillen.6
Halverwege het beoogde traject van zeven jaar, in 2010, heeft een tussenevaluatie, de ‘mid-term review’7 plaatsgevonden.8 Provincies hebben elk een provinciale MTR opgesteld. Deze rapporten zijn gebundeld en samengevat in een landelijk rapport.9 Dit rapport geeft derhalve het landelijke beeld van de MTR weer. Enkele opvallende citaten uit het rapport, die de sfeer en de stand van zaken tijdens deze tussenevaluatie, die een informatief karakter heeft, treffend weergeven, vooral nu het verdere, desastreuze verloop van het Investeringsbudget bekend is:
De eerste van belang zijnde constatering betreft de jaarlijkse rapportages die de provincies op grond van het voormalige artikel 12 WILG.
Pagina 4-5:
“Het leveren van stabiele landelijke cijfers blijkt ieder jaar weer een knelpunt. De eerste twee jaar heeft het Rijk die verantwoordelijkheid naar zich toegetrokken. Vanaf 2010 hebben de provincies de verantwoordelijkheid overgenomen om stabiele cijfers te leveren. Het zicht op controle en de voortgang in prestatie en doelrealisatie is sterk verbeterd sinds de invoering van het ILG. Er is een slag gemaakt in de uniformering van definities en rapportages. Echter ook nu hanteren alle provincies en ook DLG en DR een eigen aanpak in opwerldng van de cijfers over de realisatie van de doelen en de verantwoording van de uitgaven. Dit wijst er op dat een structurele aanpak nodig is.”
Dan volgt de harde, financiële waarheid:
Pagina 5:
“De resultaten tot nu toe laten zien dat naar verwachting in 2013 het geld op is en niet alle prestaties zijn gerealiseerd. Een deel van de prestaties wordt niet gerealiseerd doordat enerzijds de budgetten eerder opraken door onder andere hogere kosten en anderzijds de gebiedsprocessen meer tijd blijken te kosten. Uit Tabel 1 blijkt dat 31% van de budgetten is besteed en 34% verplicht. Dit betelcent dat 65% van de middelen is belegd. De hoofdstukken met de afzonderlijke doelen geven inzicht in hoeverre deze budgetten binnen de planperiode kunnen worden verplicht. De komende jaren zullen provincies meer nieuwe verplichtingen aangaan, omdat er al veel projecten in ontwikkeling zijn waarover bestuurlijke afspraken met gebiedspartners zijn gemaakt. Het lijkt erop dat provincies eerst het rijksaandeel in het budget uitputten. Ook verschilt de uitputting per provincie en per doel.”
Dat belooft weinig goeds voor de toekomst. In het vervolg van de rapportage wordt dit sombere beeld (helaas) bevestigd.
Pagina 6:
“Provincies gaan ook verplichtingen aan die zullen doorlopen tot na 2013. In de bestuursovereenkomsten (…) is vastgelegd om bij de MTR te bezien of de afspraak over de vrijheid van handelen binnen het totale budget volstaat of dat aanvullende afspraken over kasuitgaven na 2013 nodig zijn. Ten behoeve van de voortgang en realisatie van de lLG-doelen zijn heldere afspraken nodig over de tweede helft van het ILG en over uitfinanciering na 2013.”
De rapportage zoomt vervolgens nader in op de landbouw.
Pagina 7:
“Van het landbouwbudget is al 64% besteed of vastgelegd. Van de rijksbijdrage is zelfs bijna 95% besteed of vastgelegd. Dat heeft te malten met de uitgaven van lopende landinrichtingen die al voor 2007 waren gestart en waarvan de uitvoering doorloopt tot in de lLG-periode (lopende verplichtingen). (…) De voortgang van structuurverbetering landbouw loopt ver uiteen tussen provincies. Dit heeft te maken met de verschillen in de regionale omstandigheden, en mogelijk ook door interpretatieverschillen van gebruikte definities. Vanwege de enge doelomschrijving -gericht op kavelvergroting - laten de cijfers slechts een deel van de daadwerkelijke resultaten in het veld zien. Landbouwstructuurverbetering gaat vaak samen met de realisatie vandeEHS, landschapsverbetering en soms met RodS.10 (…) Op dit moment dreigt onderbesteding op de POP2-middelen doordat onvoldoende middelen voor cofinanciering beschikbaar zijn. De middelen zijn gebruikt voor de uitfinanciering van lopende verplichtingen.”
Samenvattend kan, op grond van de MTR, worden geconcludeerd dat de beleidsvrijheid van de provincies enerzijds een zegen, maar anderzijds ook zeker een punt van zorg is: de provincies lijken voldoende oog te hebben voor de specifieke eisen en voorwaarden die benodigd zijn voor een optimale inrichting, bestemming en beheer van het landelijk gebied binnen hun provinciegrenzen, maar lijken op financieel gebied enigszins ‘losgeslagen’ te zijn. Daarnaast lijkt het beeld te ontstaan dat het provinciale (eigen)belang dikwijls prevaleert boven het landsbelang. Deze ontwikkeling, maar zeker ook de financiële vooruitzichten, mede bezien in het op dat moment magere economische perspectief, maken een ongewijzigde handhaving van de ILG-structuur en de bijbehorende budgetten op zijn minst vatbaar voor discussie.11 Er lijkt duidelijk ‘iets te moeten gebeuren’ om de inrichting en financiering van het (Nederlandse) landelijk gebied te kunnen waarborgen voor de (nabije) toekomst. Hierna zal blijken dat aan deze oproep zeer zeker gehoor is gegeven.