Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.2.2
2.2.2 Dwingend recht en de rechtsgevolgen van §946 BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644898:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ditzelfde geldt ook voor §947 BGB; Schlimpert (2015), p. 51.
Staudinger/C Heinze (2020) §946 BGB Rn 3; MüKoBGB/Füller BGB §946 Rn 4.
MüKoBGB/Füller BGB §946 Rn 1.
Mugdan III, p. 201.
§949 BGB: “Erlischt nach den §§946 bis 948 das Eigentum an einer Sache, so erlöschen auch die sonstigen an der Sache bestehenden Rechte. Erwirbt der Eigentümer der belasteten Sache Miteigentum, so bestehen die Rechte an dem Anteil fort, der an die Stelle der Sache tritt. Wird der Eigentümer der belasteten Sache Alleineigentümer, so erstrecken sich die Rechte auf die hinzutretende Sache.” Zie ook: Palandt/Bassenge BGB §949, p. 1583-1584.
Mugdan III, p. 198.
Palandt/Bassenge BGB §949, p. 1583.
§12 Erbbaurecht: “Das auf Grund des Erbbaurechts errichtete Bauwerk gilt als wesentlicher Bestandteil des Erbbaurechts. Das gleiche gilt für ein Bauwerk, das bei der Bestellung des Erbbaurechts schon vorhanden ist. Die Haftung des Bauwerks für die Belastungen des Grundstücks erlischt mit der Eintragung des Erbbaurechts im Grundbuch.”
§946 BGB is dwingend recht.1 De paragraaf is derhalve onafhankelijk van de wil van partijen van toepassing.2 Als A met zijn materialen een huis bouwt op de grond van B, dan kunnen A en B wel afspreken dat §946 BGB niet geldt, maar deze afspraak helpt hen niet. Het verbinden van een zaak met de grond is een feitelijke handeling, waaraan die paragraaf rechtsgevolgen verbindt. Of een partij te goeder of te kwader trouw zaken met elkaar verbindt, is evenmin van belang voor het intreden van deze rechtsgevolgen.3
De grondeigenaar verkrijgt door natrekking de eigendom van de verbonden zaak, ongeacht de waardeverhouding tussen de grond en de zaak.4 Het eigendomsrecht dat vóór de verbinding op de nagetrokken zaak rustte, gaat teniet. Zo zijn de artikelen over natrekking te beschouwen als ordeningsregels. De juridische verhoudingen passen zich aan bij de feitelijke omstandigheden.
“(…) die Rechtsänderung wird nicht um deswillen bestimmt, weil ein rechtlicher Grund für den Erwerb auf der einen und für den Verlust auf der anderen Seite vorliegt, sondern weil an dem einheitlichen Ganzen oder der einheitlichen neuen Sache auch nur einheitliches Recht zugelassen werden kann.“5
Als het tenietgaan van het eigendomsrecht is geschied zonder dat hiervoor een rechtsgrond aanwezig was, dan heeft degene wiens eigendomsrecht is komen te vervallen, voor het burgerlijke recht, een persoonlijke actie op grond van §951 BGB:
“Wer infolge der Vorschriften der §§946 bis 950 einen Rechtsverlust erleidet, kann von demjenigen, zu dessen Gunsten die Rechtsänderung eintritt, Vergütung in Geld nach den Vorschriften über die Herausgabe einer ungerechtfertigten Bereicherung fordern. Die Wiederherstellung des früheren Zustands kann nicht verlangt werden.”
Niet alleen het eigendomsrecht van het wezenlijke bestanddeel komt te vervallen, ook de beperkte rechten gaan teniet, aldus §949 BGB.6
Een voorbeeld. A heeft ten behoeve van C een pandrecht gevestigd op een partij marmer, strekkende tot zekerheid van terugbetaling van een geldlening. B verwerkt het marmer van A in zijn huis. Doordat het marmer is verwerkt, is het een wezenlijk bestanddeel geworden van het huis. Het huis staat op de grond van B en is op zijn beurt een bestanddeel van de grond. B is eigenaar geworden van de grond, het huis en het daarvan deel uitmakende marmer. Tegelijk met het verlies van het eigendomsrecht van A is het pandrecht van C tenietgegaan. Op wezenlijke bestanddelen zijn immers geen afzonderlijke rechten mogelijk. Omgekeerd geldt dat de zakelijke rechten die op de grond rusten, zich tevens uitstrekken tot de wezenlijke bestanddelen. Is de grond van B bijvoorbeeld bezwaard met een hypotheekrecht ten gunste van D, dan rust dat recht ook op het huis waarin het marmer is verwerkt.
Als iemand zijn eigen zaak met zijn eigen grond verbindt, dan is §946 BGB eveneens van toepassing. De eigenaar kan bijvoorbeeld door zijn handelen eenzijdig een (beperkt) recht van een ander laten beëindigen.7 Als een eigenaar zijn materialen heeft verpand, beëindigt hij het pandrecht door de materialen met de grond te verbinden. De pandhouder verkrijgt een (persoonlijke) vordering op grond van §951 lid 1 BGB, maar zijn zekerheidsrecht heeft hij niet meer.8
Het BGB kent uitzonderingen op de dwingendrechtelijke bepalingen van §946 BGB, waarvan hier twee aangehaald worden. De eerste uitzondering staat in het hierboven besproken §95 BGB. Is een zaak een schijnbestanddeel, dan wordt ze niet nagetrokken. De verbinding heeft geen eigendomsverlies tot gevolg. De tweede uitzondering is het Erbbaurecht oftewel het opstalrecht. De Erbbauberechtigte is eigenaar van de opstallen, terwijl hij niet eigenaar is van de grond. Door de vestiging van het opstalrecht is een gebouw niet langer een wezenlijk bestanddeel van de grond, maar van het Erbbaurecht.9