Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.7.2
IV.1.7.2. De toerekening
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS582728:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Toerekening beperkt de behoefte aan inkorting.
Perrick, Over giften ter zake des doods, ander fictieve legaten en verwante rechtshandelingen onder het komende recht, WPNR 6422 (2000): ‘Voor de berekening van de legitimaire massa en de toerekening op de legitieme portie geldt de gelijkstelling van giften ter zake des doods en de andere in art. 4.4.2.7b lid 2 genoemde rechtshandelingen met legaten derhalve niet.’ Hij is hier minder ‘ruimhartig’ dan in het kader van de aansprakelijkheid. Zie par. 1.5.1 van dit hoofdstuk en noot 29. Zie ook Perrick, De begunstiging bij sommenverzekering als fictief legaat, WPNR 6555 (2003) alsmede Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6B, nr. 447.
Het kanscontract voorkomt dat sprake is van een schenking. In de verhouding erflater – legitimaris zal gelet op het feit dat veelal van gelijke sterftekansen geen sprake zal zijn niet snel van een kanscontract gesproken kunnen worden. Het is echter niet ondenkbaar.
Art. 4:71 BW bepaalt dat de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in mindering komt op zijn legitieme portie. Stel een onterfde legitimaris verkrijgt een voordeel uit hoofde van een quasi-legaat als bedoeld in art. 4:126 lid 2 onder a BW. Vindt er toerekening van dit voordeel plaats op zijn vordering als legitimaris? Mag men hier een bevestigend antwoord op geven, ondanks dat de toerekening slechts indirect1 iets met inkorting van doen heeft? Ziet men de legitieme als een schadevergoedingsactie, die de legitimaris instelt als hij een tekort heeft, dan lijkt het een redelijke uitleg van de regeling dat toerekening van het quasi-legaat op de legitieme plaatsvindt. Alles wat hij terzake des doods uit de nalatenschap verkrijgt, beperkt zijn schade.
Degene die de quasi-legaten zien als (quasi-)contractueel erfrecht zullen deze visie waarschijnlijk ook ondersteunen.
Een voorbeeld ter bepaling van de gedachten. Erflater A sloot met legitimaris C een beding dat gekwalificeerd kan worden als een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 2onder a BW, ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, als gevolg waarvan bij overlijden C een aanspraak heeft op de nalatenschap groot 10. Naast C heeft A nog twee andere legitimarissen, te weten D en E. A schonk tijdens leven 50, welke schenkingen bij de legitimaire massa, zo wordt aangenomen, opgeteld moeten worden (art. 4:65 BW). Aan activa laat A 10 na. De legitimaire massa is groot 10 + 50 = 60. X is benoemd tot enig erfgenaam. Het quasi-legaat wordt per saldo voor de berekening van de legitimaire massa genegeerd. Ik verwijs naar par. 2.5 en 3.1 van dit hoofdstuk voor de rekentechniek. De legitieme is groot 1/3 x 1/2 = 1/6 = 10. De vraag is nu of legitimaris C nog iets in te korten heeft. Wordt er niet toegerekend dan is er nog 10 in te korten. Wordt er wel toegerekend dan is daarmee de kous af.
Vergelijk in dit kader art. 4:70 lid 2 BW, waarin wordt bepaald dat, ondanks dat geen sprake is van een gift, de verkrijging uit een sommenverzekering toch als een gift wordt aangemerkt en aan de legitimaris wordt toegerekend. Dit in verband met het feit dat de wetgever veronderstelt dat erflaters in beginsel een gelijke behandeling van kinderen beogen.
Dat er toegerekend moet worden staat echter nergens met zoveel woorden. Perrick2 gaat er van uit dat van toerekening geen sprake is. Naar de letter van de wet heeft hij wellicht het gelijk aan zijn zijde, maar de strekking van de quasi-legatenregeling en de regeling van de legitieme kunnen mijns inziens ook tot de conclusie leiden dat de toerekening onder ‘inkorting’ te scharen is, en er toch toegerekend moet worden. Legitimarissen zouden anders toch meer dan de legitieme uit de nalatenschap kunnen verkrijgen.
Ik moet wel toegeven dat het voorbeeld enigszins ‘gezocht’ is. Was sprake van een kanscontract3 tussen erflater A en legitimaris C, waardoor bij het overlijden van A een aanspraak van 10 ontstond, dan had ik gevoelsmatig minder problemen met het achterwege laten van de toerekening, omdat C risico loopt en in dat kader minder van een erfrechtelijk voordeel kan worden gesproken.
Een belangrijk argument tegen de toerekening is de stelling dat de quasi-legatenregeling strekt ter bescherming van de legitimaris en niet ten nadele van de legitimaris.
Voor de behandeling van het quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 onder a BW verwijs ik naar par. 3 van dit hoofdstuk. Voor de natuurlijke verbintenis in dit kader wordt verwezen naar par. 3.3.4 van dit hoofdstuk.
Indien overigens sprake is van een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 1 BW dan kan toerekening van de gift op grond van art. 4:70 BW plaatsvinden, indien toerekening op grond van art. 4:71 BW niet mogelijk zou zijn.
Opheldering (van de reikwijdte van de quasi-legatenregeling) is noodzakelijk. Omdat ik het quasi-erfrecht zoveel mogelijk in het erfrecht wil betrekken, zou mijn voorkeur uitgaan naar toerekening van de quasi-legaten op de legitieme.