Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/4.4.3
4.4.3 Knelpunt 4: motiveringsplicht
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111391:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993, 659, m.nt. Verkade (Vredo/Veenhuis) en meer recent HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9712, NJ 2006, 621 (VTN).
HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993, 659, m.nt. Verkade (Vredo/Veenhuis); Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/190 en 193; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/457.
HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2743, NJ 1999, 7 (Finkenburgh/ Van Mansum).
HR 1 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233, NJ 1990, 578 (Gouda/La Grand); HR 4 mei 2001,ECLI:NL:HR:2001:AB1426, NJ 2002, 214 m.n. Brunner (Chan-a-Hung/Maalsté); Barendrecht 1997, p. 169.
Bartels 2010, p. 44.
Zie ook de handzame inleiding in de logica voor juristen: Soeharno 2017.
Asser 2011, p. 48-49; zie inmiddels ook: Hartendorp 2019, p. 249-250.
Asser 2011, p. 48.
Zie hierover Soeharno 2005, p. 237; Scholten 1974, p. 75; Gommer 2007, p. 128-129.
Royakkers 2009, p. 12.
HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven).
Asser 2011, p. 49.
Rachlinsky 2012, p. 33; Enneking e.a. 2013, p. 1059.
Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/494. Zie ook: Giard 2014, p. 82.
Asser 2011, p. 39, 47. En voorts art. 118 lid 2 Gw, art. 80 Wet RO.
Slors 2012, p. 146.
De plicht tot motiveren voor de rechter is opgenomen in art. 121 Gw, art. 30 Rv, art. 230 lid 1 sub e Rv, art. 287 Rv en art. art. 5 Wet RO.1 De motiveringsplicht van de rechter komt kortweg erop neer dat de rechter een beslissing neemt met vermelding van de inhoudelijke gronden waarop de beslissing is gebaseerd. De motiveringsplicht wordt nader ingekleurd door art. 23 en art. 24 Rv. Die artikelen bepalen dat de rechter moet beslissen over hetgeen gevorderd of verzocht is en dat de rechter moet beslissen op grondslag van wat partijen hebben aangevoerd. Een verstekvonnis of verstekbeschikking behoeft geen motivering (art. 287 jo. 230 Rv). De motivering moet inzicht geven in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, om zo zowel voor partijen, derden en de hogere rechter de beslissing begrijpelijk, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.2 De aard van het geding kan vereisen dat uitvoeriger gemotiveerd dient te worden. In het geval van een oordeel over wanbeleid of bestuurdersaansprakelijkheid, kunnen de gevolgen van de beslissing aanzienlijk zijn. Denk hierbij aan reputatieschade, maar ook aan financiële consequenties voor partijen. Dit vraagt om een heldere en afdoende motivering. Ook als bijvoorbeeld wordt afgeweken van een (wettelijke) hoofdregel, ligt de motiveringseis hoger. Er is dus niet in algemene bewoordingen te zeggen wat precies vereist wordt van de motivering. Het is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.3 Het belang van motivering komt eveneens tot uiting in het feit dat een gebrek aan motivering nu juist een van de gronden in cassatie is voor vernietiging van de uitspraak door de Hoge Raad (art. 79 lid 1 Wet RO).
Voor wat betreft het gewicht dat de rechter aan bewijs toekent in de civiele procedure geldt de ‘redelijke mate van zekerheid’.4 Het gaat hier om een ‘eigen innerlijke, subjectieve overtuiging van de rechter in kwestie’.5 Volgens Giesen is het gevaar hiervan beperkt, omdat ‘de rechter de uitkomst van de beraadslaging en van het proces dat tot die overtuiging heeft geleid, zal moeten motiveren. Die motivering leidt tot de noodzakelijke objectivering van het onderliggende subjectieve oordeel’.6 Deze stelling is juist, in zoverre dat de rechter inderdaad het overgrote deel van zijn denkproces inzichtelijk kan maken door middel van motivering van zijn oordeel. Het is dan ook merkwaardig dat de Hoge Raad ten aanzien van intuïtieve oordelen meent dat dergelijke oordelen slechts beperkt onderbouwd kunnen worden.7 Het betreft hier het beoordelen van de eigen schuld, maar eenzelfde redenering zou doorgetrokken kunnen worden naar de beoordeling van open normen zoals het persoonlijk ernstig verwijt in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. Ook hier is een bepaalde ‘sprong’ nodig die de rechter moet maken om te komen tot een invulling van de norm en de uiteindelijke motivering van de beslissing. Dat een dergelijke sprong nodig is, zou echter niet moeten betekenen dat de rechter niet moet proberen deze sprong onder woorden te brengen en te onderbouwen. Idealiter zou sprake zijn van een bottom-up proces.8 Een oordeel komt dan tot stand puur op basis van de feiten en niet op basis van biases. Helaas is dit niet de wijze waarop de rechtspraak in de praktijk werkt.
De rechter kan voor zijn motiveringsplicht inspiratie putten uit de regels van de logica.9 Een simpel voorbeeld uit de logica is: alle mensen zijn sterfelijk (premisse 1). Napoleon is een mens (premisse 2). Dus Napoleon is sterfelijk (conclusie). Een voorbeeld toegepast op een versimpelde summiere juridische casus is bijvoorbeeld: de bestuurder die zijn taak niet behoorlijk vervult, is aansprakelijk voor de schade die hieruit voortvloeit (premisse 1, rechtsregel, de maior). Geld verduisteren behelst een onbehoorlijke taakvervulling (premisse, 2, rechtsregel, de maior). De bestuurder heeft geld van de vennootschap verduisterd (premisse 3, bewezen feit, de minor). Dus de bestuurder heeft zijn taak onbehoorlijk vervuld en is daarvoor aansprakelijk (rechtsgevolg, de conclusio). De conclusie van redeneringen kan worden aangevochten door aan te tonen dat de premisse onwaar is, of dat de redenering ongeldig is en de conclusie voorbarig is. Dit is nog steeds de gangbare opvatting aangaande motivering: de rechterlijke beslissing opgebouwd als syllogisme.10
Oordeelsvorming door de rechter is niet volledig aan de regels van de logica vast te binden. In de woorden van Asser: ‘De verhouding tussen recht en feit is in de werkelijkheid van de rechtspraak […] gecompliceerder’.11 Dit komt allereerst doordat het aan de rechter is om de ‘feiten’ als feit te kwalificeren.12 Er zijn namelijk redeneervormen binnen het recht die niet binnen de logica te plaatsen zijn.13 Denk bijvoorbeeld aan open normen als ‘redelijkheid en billijkheid’ of persoonlijk ernstig verwijt’. Maar ook de zojuist door mij geschetste versimpelde juridische casus is in de praktijk niet volledig binnen de regels van de logica te vatten. Zo spelen bij de beoordeling van persoonlijke aansprakelijkheid alle omstandigheden van het geval een rol.14 Tot slot worden rechtsnormen eveneens geformuleerd naar aanleiding van de voorgevallen feiten: de rechtsvormende taak.15 Tussen de logica en het recht bestaan echter wel duidelijke raakvlakken. Beide gaan gepaard met redeneringen waarbij het gaat om de rechtvaardiging van de conclusies uit de premissen.
Door schriftelijk uiteen te zetten op basis waarvan het oordeel tot stand is gekomen, verkleint de rechter de invloed van het misleidende onbewuste eveneens in de legitimatiefase. Het dwingt de rechter na te denken over zijn argumenten en deze uiteen te zetten.16 Omdat niet geheel inzichtelijk is welke stappen het onbewuste maakt, moet de rechter de uiteindelijke beslissing altijd ijken met een bewuste redenering. Door in de legitimatiefase zo duidelijk mogelijk onder woorden te brengen welke gronden hebben bijgedragen aan het oordeel en deze gronden vervolgens te controleren, verkleint de rechter de mogelijkheid van confabulatie. Hij is hierdoor in staat te controleren of hij voldoende informatie heeft verzameld in de heuristieke fase. De schriftelijke motivering leidt ‘tot tegengas’ tegen de invloed van biases.17
Door een logische schriftelijke motivering maakt de rechter de invloed van het onbewuste voor zichzelf en voor partijen meer inzichtelijk. Bijkomend voordeel is dat een deugdelijke motivering minder grond geeft voor cassatie. De motiveringstoets bij de Hoge Raad is immers of het oordeel van het hof in het licht van een juiste rechtsopvatting valt uit te leggen (art. 79 Wet RO).18 Bij toenemende aandacht voor de rechterlijke motivering komt het uiteindelijke rechterlijk oordeel meer in de buurt van de bottom-up methode in de zin van dat het oordeel de objectiviteit meer lijkt te benaderen. Aandacht voor motivering dwingt de rechter de argumenten voor zijn beslissing te benoemen. Hoewel toenemende aandacht voor de motivering van een rechterlijke beslissing zeker niet volledig de invloed van onbewuste argumenten wegneemt, draagt deze aandacht wel bij aan vermindering van de invloed van biases.
Weten waarom de rechter een bepaalde beslissing heeft genomen, geeft inzicht in gedragspatronen. Beslissingen zijn dan beter voorspelbaar.19 Ook deze voorspelbaarheid draagt bij aan de kwaliteit van rechterlijke oordeelsvorming.