NJB 2025/2173
Dividendbelasting. Internationale houdsterstructuur als kunstmatige constructie? (deel 1)
HR 18-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1163
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 juli 2025
- Magistraten
(Mrs. Van Hilten, Fierstra, Faase, Cools, Peters)
- Zaaknummer
22/02691
22/02695
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1162, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1163, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:572, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:540, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:541, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑05‑2023
- Wetingang
(art. 4, lid 3, aanhef en letter c van de Wet op de dividendbelasting 1965)
Essentie
Dividendbelasting. Internationale houdsterstructuur als kunstmatige constructie? (deel 1)
Uitspraak
Hoge Raad, onder meer:
‘Kunstmatige constructie
5.2.1
Artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet is – evenals artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2018) – een antimisbruikbepaling waarmee uitvoering wordt gegeven aan de algemene antimisbruikbepaling uit de moeder-dochterrichtlijn. Beide bepalingen dienen dus in lijn te zijn met de antimisbruikbepalingen die worden gehanteerd op Europees niveau. Gelet hierop moet artikel 4, lid 3, aanhef en letter c, van de Wet worden uitgelegd en toegepast in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.