Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.3.4.4
3.3.4.4 Het beginsel van loyale samenwerking als bron voor verdergaande verplichtingen voor nationale uitvoeringsorganen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398479:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld GvEA 30 september 2009, T-55/07 (Nederland/Commissie), Jur. 2009, p. II187*, r.o. 62 waarin het Gerecht overweegt dat artikel 8, eerste lid, van de Verordening nr. 1258/1999 de lidstaten de algemene verplichting oplegt de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om zich ervan te vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd, onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en de door onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen, ook al schrijft de specifieke gemeenschapshandeling het treffen van een bepaalde controlemaatregel niet voor. (cursief JEvdB)
Zie HvJEG 1 ljanuari 2001, C-247/98 (Griekenland/Commissie), Jur. 2001, p. 1-1, r.o. 81; HvJEG 9januari 2003, C-157/00, (Griekenland/Commissie), Jur. 2003, p. 1-153; HvJEG 21 oktober 1999, C-44/97 (Duitsland/Commissie), Jur. 1999, p.1-7177, r.o. 55; HvJEG 1 oktober 1998, C-209/96 (VK/Commissie), Jur. 1998, p.1-5655, r.o. 43; HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321.
HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321, r.o. 37.
Zie HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321, r.o. 37.
HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321, r.o. 37.
HvJEG 12 juni 1990, C-8/88 (Duitsland/Commissie), Jur. 1990, p. 1-2321, r.o. 37.
HvJEG 9 januari 2003, C-157/00 (Griekenland/Commissie), Jur. 2003, p. 1-153, r.o. 12.
HvJEG 24 april 2008, C-418/06P (België/Commissie), Jur. 2008, p. 1-3047, r.o. 72; HvJEG 3 oktober 1996, C-41/94, (Duitsland/Commissie), Jur. 1996, p. 1-4733, r.o. 40.
HvJEG 24 april 2008, C-418/06P (België/Commissie), Jur. 2008, p. 1-3047, r.o. 75.
Zie Widdershoven 2004, p. 299 e.v.
HvJEG 21 september 1989, 68/88 (Griekse mais) Jur. 1988, p. 2965, r.o. 23. Zie ook HvJEG 8juli 1999, C-186/98 (strafzaken tegen Maria Amelia Nunes en Evangelina de Matos), Jur. 1999, p. 1-4883 waarin het om een ESF-subsidie ging.
HvJEG 21 september 1989, 68/88 (Griekse mais), Jur. 1988, p. 2965, r.o. 24; HvJEG 8juli 1999, C-186/98, (strafzaken tegen Maria Amelia Nunes en Evangelina de Matos), Jur. 1999, p. 1-4883, r.o. 10.
HvJEG 21 september 1989, 68/88 (Griekse mais) Jur. 1988, p. 2965, r.o. 25; HvJEG 8juli 1999, C-186/98, (strafzaken tegen Maria Amelia Nunes en Evangelina de Matos), Jur. 1999, p. 1-4883, r.o. 11.
Als gezegd leidt het Hof van Justitie uit het beginsel van loyale samenwerking in combinatie met bepalingen van Europees recht of algemene rechtsbeginselen een aantal concrete verplichtingen af die gelden voor de lidstaten en hun organen indien zij het Europese recht uitvoeren. Met name in het kader van de handhaving van de Europese subsidieregelgeving construeert het Hof van Justitie allerlei verplichtingen die niet met zoveel woorden in de Europese subsidieregelgeving zijn terug te vinden.1 Desondanks zijn nationale uitvoeringsorganen aan deze verplichtingen gebonden. De verplichtingen zijn ingegeven met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de EU.
In het kader van toezicht en controle zijn de lidstaten met het oog op een rechtmatig gebruik van de Europese subsidies verplicht een stelsel van administratieve controles en controles ter plaatse op te zetten, waarmee kan worden verzekerd dat de materiële en formele voorwaarden voor de toekenning van de betrokken premies naar behoren worden nageleefd.2 Ook als het Europese recht weliswaar niet dwingend gebiedt hieromtrent gedetailleerde en strakke voorschriften vast te stellen, zijn de lidstaten wel gehouden een samenhangend geheel van maatregelen te treffen.3 Daaronder vallen volgens de jurisprudentie ook concrete richtlijnen ten behoeve van de met de controles ter plaatse belaste functionarissen. De maatregelen dienen bijvoorbeeld voorschriften te omvatten inzake de berekening van het aantal op een bepaald bedrijf gehouden zoogkoeien, de frequentie waarmee de controles moeten worden verricht, evenals de criteria volgens welke bedrijven voor inspectie worden uitgekozen.4 Ook moet een schriftelijk rapport van de uitkomst van de ter plaatse verrichte controles worden vastgesteld.5 Het Hof van Justitie motiveert á deze maatregelen met de overweging dat zonder een dergelijk systeem de in de desbetreffende verordening bedoelde controles alle zin verliezen en de naderhand door de Commissie uit te voeren controles praktisch onmogelijk worden.6 Zelfs al bevatten bijzondere verordeningen geen enkel bijzonder vereiste met betrekking tot de kwaliteit van de te verrichten controles, dan zijn de lidstaten niettemin verplicht alle maatregelen te treffen die nodig zijn om te verzekeren dat deze controles geen twijfel laten bestaan omtrent de regelmatigheid van de ten laste van het EOGFL gebrachte uitgaven.7 De lidstaten moeten er dus voor zorgen dat de kwaliteit van de uitgevoerde controles van een zodanig niveau is dat deze niet vatbaar is voor kritiek. Zo moet de administratieve controle, die aan de controle ter plaatse voorafgaat, aldus worden uitgevoerd dat de nationale autoriteiten daaruit alle mogelijke conclusies, zekerheid dan wel twijfels kunnen trekken over de naleving van de voorwaarden voor toekenning van steun en premies.8 Voorts dienen de lidstaten indien de aangegeven oppervlakten en de op het Geografisch Informatie Systeem (GIS) gebaseerde oppervlakte van elkaar verschillen controles ter plaatse of andere aanvullende controles te verrichten.9
Het beginsel van loyale samenwerking is ook relevant met betrekking tot het opleggen van sancties door nationale uitvoeringsorganen in het kader van de niet-naleving van de Europese subsidieregelgeving door de eindontvangers van de Europese subsidies.10 Zo heeft het Hof van Justitie voor het eerst in een Europese subsidiezaak overwogen dat indien een gemeenschapsregeling geen specifieke strafbepaling met betrekking tot een overtreding bevat of daarvoor verwijst naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de lidstaten ingevolge het beginsel van loyale samenwerking verplicht zijn alle passende maatregelen te nemen om de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te verzekeren.11 De lidstaten moeten daarbij ervoor zorgdragen dat overtredingen van het Europese recht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij vrij in hun keuze van de op te leggen straffen, maar ze moeten wel doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.12 Verder dienen de nationale autoriteiten even energiek op te treden tegen overtredingen van het gemeenschapsrecht als wanneer het gaat om de handhaving van een overeenkomstige nationale wettelijke regeling.13