Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.4.4.2
8.4.4.2 Hoe werkt forward casting?
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655733:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Ferrell & Saha 2007, p. 185-186; De Jong 2010, p. 250-251.
Zie over dit probleem uitgebreid Couture 2016; Ferrell & Roper 2015, p. 571-575; Torchio 2009. Zie in dit verband ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 564-565; Langevoort 2015, p. 44-45.
Zie ook Ferrell & Saha 2007, p. 185-186; De Jong 2010, p. 250-251.
Het te gunstig voorstellen van financiële resultaten is de misleidingsvorm die relatief gezien het vaakst voor komt. Zie Bruegger & Dunbar 2009, p. 36. Zie ook Rogers, Van Buskirk & Zechman 2011.
Zie over (het werken met) earnings response coefficients uitgebreid Bruegger & Dunbar 2009, p. 31-66 en Ferrell & Saha 2012, p. 378-381.
Ik wijs erop dat Ferrell en Saha een andere methode gebruiken dan regressieanalyse voor het schatten van de ERC, zie Ferrell & Saha 2012, p. 379.
Vgl. Bruegger & Dunbar 2009, p. 34; Ferrell & Saha 2012, p. 379. Hierbij moet worden benadrukt dat de consensus-analistenvoorspelling niet meer dan een schatting is van hetgeen de markt verwacht en die consensus dus zeker niet altijd representatief hoeft te zijn voor de marktverwachting. Zie over deze kwestie in de Amerikaanse literatuur Tabak 2016, p. 12 en p. 14. Zie hierover in de Nederlandse literatuur Stevens 2018, p. 276-277. Vgl. in dit verband ook § 3.3 (‘Situations where the delay in the disclosure is likely to mislead the public’) van het Final Report voor de ESMA-richtsnoeren met betrekking tot marktpeilingen en het uitstellen van de openbaarmaking van voorwetenschap: ‘In assessing the market’s expections, the issuers should take into account the market sentiment, for instance considering the consensus among financial analysts.’, zie ESMA-rapport 2016, § 3.3, nr. 84.
Vgl. Bruegger & Dunbar 2009, p. 34.
Alternatieve specificaties van de genoemde relatie zijn uiteraard denkbaar. Zo kan bijvoorbeeld ervoor worden gekozen om in de bovenstaande vergelijking nog een constante op te nemen. Ook kan ervoor worden gekozen om de earnings surprise te relateren aan de hoogte van de beurskoers vlak voordat de nieuwe informatie bekend werd. In dit laatste geval moet in de bovenstaande vergelijking de variabele (EPSt – E[ EPSt ]) worden gedeeld door de hoogte van de beurskoers op tijdstip t-1.
Zie voor andere voorbeelden Bruegger & Dunbar 2009, p. 35-45.
Hoewel dit hoofdstuk betrekking heeft op het Amerikaanse recht, ga ik gemakshalve uit van bedragen in euro’s.
Gemakshalve ga ik in dit voorbeeld ervan uit dat tijdstip T2 niet een datum is waarop nieuwe financiële resultaten (en daarmee nieuwe EPS) worden gerapporteerd.
Ik verwijs in dit verband naar de in § 8.4.2.4 sub a-c genoemde complicaties en naar mijn opmerking in § 8.4.3.3 over de nadelen van een event study.
Gemakshalve wordt hier dus (impliciet) aangenomen dat de constant dollar method geschikt is voor het modelleren van de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding.
Vgl. Bruegger & Dunbar 2009, p. 37-38; Ferrell & Saha 2012, p. 381.
De methode van forward casting houdt dus in dat eerst de koersinflatie wordt geschat op het moment waarop de misleidende mededeling (voor de eerste keer) werd gedaan en dat vervolgens de hypothetische koerslijn wordt geconstrueerd door vanaf het laatstgenoemde tijdstip vooruit te werken in de tijd, uitgaande van het bedrag van de geschatte koersinflatie op het moment waarop de misleiding begon. In deze paragraaf bespreek ik eerst de situatie waarin de misleiding bestaat uit (het doen van) één enkele mededeling (c.q. het eenmalig achterhouden van relevante informatie). Voor het schatten van de koersinflatie op het moment waarop de misleidende mededeling werd gedaan, zijn in dat geval in beginsel twee methoden beschikbaar.
a. Koersinflatie wordt geschat door residuele koersstijging te meten op het moment waarop de misleidende mededeling werd gedaan
De eerste manier om de koersinflatie te schatten is door te kijken naar de koersstijging die, gecorrigeerd voor het koerseffect van macro-economische en/of sectorspecifieke informatie, plaatsvond vlak nadat de misleidende mededeling werd gedaan.1 De omvang van deze residuele koersstijging kan worden bepaald door een event study uit te voeren rondom het tijdstip waarop deze mededeling werd gepubliceerd. Deze residuele koersstijging vormt dan het eerste aanknopingspunt voor (het verloop van) de hypothetische koerslijn aan het begin van het tijdvak van de misleiding. Hoewel het op deze wijze vaststellen van de koersinflatie relatief eenvoudig is, moet worden benadrukt dat deze methode alleen maar kan worden toegepast, wanneer (i) de misleiding bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling, (ii) deze mededeling voor de markt als een positieve verrassing kwam en (iii) de litigieuze informatie nog op geen enkele wijze door de markt werd verwacht.2 Bestond de misleiding echter uit (i) het niet publiceren van relevante informatie (de misleidende omissie), (ii) het actief publiceren van een misleidende mededeling teneinde een negatieve verrassing daarmee te voorkomen (of althans, een grotere (negatieve) verrassing te voorkomen dan de verrassing waarmee de markt thans werd geconfronteerd), of (iii) werd de in de misleidende mededeling vervatte informatie reeds geheel of gedeeltelijk door de markt verwacht, dan werkt een event study uitgevoerd rondom het tijdstip waarop de misleiding begon niet (althans, dan is de uitkomst daarvan onbetrouwbaar). Voor de uitleg waarom een event study in deze gevallen niet werkt, verwijs ik naar § 8.4.2.2.
b. Koersinflatie wordt geschat met behulp van een ‘earings response coefficient’
Een tweede manier om de koersinflatie te schatten op het moment waarop de misleidende mededeling werd gepubliceerd, is door gebruik te maken van een zogenoemde ‘response coefficient’.3 Bestaat de misleiding uit het te gunstig voorstellen van financiële resultaten, dan gaat het hier om een zogenoemde ‘earnings response coefficient’.4 Een earnings response coefficient (‘ERC’) is een coëfficiënt (of parameter) die de gevoeligheid uitdrukt waarmee de beurskoers reageert op zogenoemde ‘earnings surprises’.5 Een earnings surprise is het verschil tussen de (met een bepaalde financiële publicatie) gerapporteerde winst en de op het moment van deze publicatie door de markt verwachte winst. Het schatten van de koersinflatie met behulp van een ERC is gebaseerd op het basisprincipe van de efficiënte markt dat de beurskoers alleen reageert op nieuwe en/of onverwachte informatie en niet op informatie die reeds bekend was en/of die reeds door de markt werd verwacht. De methode houdt kort gezegd in dat eerst wordt bepaald met welke earnings surprise de markt zou zijn geconfronteerd als de vennootschap – in plaats van misleidende – juiste resultaten zou hebben gepubliceerd. Vervolgens wordt geschat in welke (hypothetische) koersreactie deze onverwachte – doch juiste – resultaten zouden hebben geresulteerd. Bij het schatten van deze (hypothetische) koersreactie wordt gebruik gemaakt van eerdere handelsdagen waarop de onderzochte vennootschap onverwachte resultaten publiceerde, waarbij wordt gekeken naar (de grootte van) het effect waarmee de koers op deze onverwachte resultaten reageerde. Wat hierbij in concreto wordt gedaan, is dat eerst aan de hand van regressieanalyse een relatie wordt geschat tussen enerzijds de earnings surprise waarmee de publicatie van onverwachte resultaten gepaard gaat en anderzijds de (residuele) koersreactie die de desbetreffende publicatie teweegbrengt (de parameter die deze relatie karakteriseert is de genoemde ERC).6 Als schatting (ook wel genoemd ‘proxie’) van het door de markt verwachte resultaat (dat nodig is om de surprise te kunnen bepalen) wordt hierbij meestal gebruik gemaakt van de op het moment van publicatie van de resultaten bestaande consensus-analistenvoorspelling.7 Vervolgens wordt de zojuist geschatte relatie toegepast op de (hypothetische) earnings surprise waarmee de markt bij afwezigheid van de misleiding zou zijn geconfronteerd en aldus wordt een schatting verkregen van de (hypothetische) koersreactie die zou zijn geobserveerd als – in plaats van misleidende – juiste resultaten zouden zijn gepubliceerd. Algebraïsch ziet dit er als volgt uit:8
waarbij art staat voor de koersreactie, exclusief het koerseffect van macro-economische en sectorspecifieke informatie, die op tijdstip t naar verwachting wordt geobserveerd naar aanleiding van de publicatie van onverwachte financiële resultaten, EPSt staat voor de earnings per share die op tijdstip t worden gepubliceerd, E [ EPSt] staat voor de earnings per share die (voorafgaand aan de publicatie van de daadwerkelijk gerealiseerde earnings per share) op tijdstip t door de markt werden verwacht, (EPSt – E[ EPSt ]) derhalve staat voor de earnings surprise waarmee de markt op tijdstip t wordt geconfronteerd en waarbij b staat voor de geschatte earnings response coefficient.9
Bij het schatten van de hypothetische koersreactie die bij publicatie van – in plaats van misleidende – juiste en volledige informatie zou zijn geobserveerd (de zojuist geschatte art), is nog geen rekening gehouden met het koerseffect van macro-economische en sectorspecifieke informatie. Teneinde de totale hypothetische koersreactie te bepalen die bij afwezigheid van de misleiding zou hebben plaatsgevonden, moeten deze factoren nog wel in de analyse worden verdisconteerd. Ook in de hypothetische situatie zonder misleiding zou de koers namelijk door macro-economische en sectorspecifieke informatie zijn beïnvloed. De totale hypothetische koersreactie kan worden verkregen door bij de geschatte art het koerseffect veroorzaakt door macro-economische en sectorspecifieke informatie op te tellen. Deze totale hypothetische koersreactie vormt dan het eerste aanknopingspunt voor (het verloop van) de hypothetische koerslijn aan het begin van het tijdvak van de misleiding. Het koerseffect van de misleiding kan vervolgens worden berekend door de totale hypothetische koersreactie die bij afwezigheid van de misleiding zou zijn geobserveerd te vergelijken met de totale (feitelijke) koersreactie die thans op het moment van publicatie van de misleidende mededeling werd geobserveerd en daarna het verschil tussen beide koersreacties te bepalen.
c. Illustratie van de ERC-methode aan de hand van een voorbeeld
Hoe het schatten van de koersinflatie met behulp van een ERC in de praktijk precies werkt, laat zich het beste illustreren aan de hand van een voorbeeld.10
Stel dat vennootschap X op tijdstip T1 haar resultaten over verslaggevingsperiode 1 bekendmaakt en dat zij meldt dat haar earnings per share (‘EPS’) € 2,00 bedragen, terwijl deze in werkelijkheid maar € 1,00 bedragen.11 De EPS worden dus met een bedrag van € 1,00 te gunstig voorgesteld. Aangenomen wordt dat X met de gerapporteerde EPS van € 2,00 precies voldoet aan de op tijdstip T1 in de markt bestaande consensus-analistenvoorspelling en de markt door dit resultaat derhalve niet (positief of negatief) wordt verrast. De koers reageert dus niet op de genoemde publicatie. Stel verder dat X op tijdstip T2 een corrigerende mededeling publiceert waarin zij de eerdere misleiding bekendmaakt en zij deze corrigerende mededeling combineert met de (tijdige en niet aan de misleiding gerelateerde) mededeling dat één van haar belangrijkste afnemers naar de concurrent is overgestapt.12 In reactie op beide mededelingen vindt op tijdstip T2 een residuele koersdaling plaats van € 20,00. De vraag is nu in welke mate de op tijdstip T1 te rooskleurig voorgestelde EPS de koers hebben beïnvloed. Het moge duidelijk zijn dat de residuele koersdaling die op tijdstip T2 wordt gemeten, geen representatieve maatstaf vormt voor de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie. De koersdaling van € 20,00 omvat immers mede het koerseffect van de mededeling dat de vennootschap één van haar belangrijkste afnemers is kwijtgeraakt en daarnaast weerspiegelt de koersdaling waarschijnlijk mede het koerseffect van verschillende typen gevolgschade.13 De door de misleidend voorgestelde EPS veroorzaakte koersinflatie kan in dit geval echter wel worden geschat door gebruik te maken van een ERC. Aannemende dat de voor de relevante periode geschatte ERC een waarde aanneemt van 10, kan deze koersinflatie worden vastgesteld op een bedrag van € 10,00. Dit wordt als volgt ingezien. Als X op tijdstip T1 juiste resultaten zou hebben gepubliceerd, zou de markt zijn geconfronteerd met een (negatieve) earnings surpise van (1,00 – 2,00 =) – € 1,00. Dit zou naar verwachting hebben geresulteerd in een (negatieve) koersreactie van (10 * -1,00 =) – € 10,00. Aangezien X in de huidige situatie met gerapporteerde EPS van € 2,00 precies aan de verwachtingen van de markt voldeed, werd de markt thans niet verrast en vond derhalve ook geen koersreactie plaats. Toepassing van de vergelijkingsmethode resulteert dan in een bedrag aan koersinflatie op tijdstip T1 van € 10,00. Ervan uitgaande dat de koersinflatie over het gehele tijdvak van de misleiding constant bleef, kan worden gezegd dat van de koersdaling van € 20,00 die op tijdstip T2 werd gemeten, een bedrag van (20,00 – 10,00 =) € 10,00 is terug te voeren op het gecombineerde koerseffect van enerzijds de andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie die op tijdstip T2 werd gepubliceerd en anderzijds de eventuele gevolgschade die naar aanleiding van de corrigerende mededeling in de koers werd ingeprijsd.14
d. Andersoortige ‘response coefficient’ bij andersoortige misleiding
In het voorgaande werd ervan uitgegaan dat de misleiding bestond uit het publiceren van misleidende financiële resultaten en dat voor het schatten van de koersinflatie derhalve gebruik kon worden gemaakt van een earnings response coefficient. Maar ook als de misleiding een andere vorm aanneemt dan het te gunstig voorstellen van het financiële resultaat van de vennootschap, kan voor het schatten van de koersinflatie gebruik worden van een response coefficient. Er moet dan alleen wel voor een andersoortige response coefficient worden gekozen dan een earnings response coefficient. Wat voor een response coefficient precies wordt gebruikt, hangt af van het soort informatie waarop de misleidende mededeling of omissie betrekking heeft. Bestaat de misleiding er bijvoorbeeld uit dat de vennootschap de risico’s waaraan haar subprime beleggingen bloot staan te gunstig heeft voorgesteld, dan kan gedacht worden aan het hanteren van een zogenoemde ‘subprime exposure response coefficient’.15