Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.3.5
3.5 De werking van artikel 1:95 lid 1 BW bij voorhuwelijks vermogen
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948221:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de zaak waar de Hoge Raad over moest oordelen had de vervanging ruim vóór 1 januari 2012 plaatsgevonden, zodat deze nog werd beheerst door analoge toepassing van artikel 1:124 lid 2 oud BW. Hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld geldt echter óók voor de werking van artikel 1:95 lid 1 BW, omdat artikel 1:95 lid 1 BW als een codificatie van de voorheen analoge toepassing van artikel 1:124 lid 2 oud BW moet worden beschouwd (zie paragraaf 3.1 hiervóór).
Zie paragraaf 3.3 hiervóór.
Zie B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 70. Zie ook Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 203.
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/294. Zie ook Van Mourik & Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2014, p. 114 die schrijven dat onder oud recht (waarmee zij bedoelen: de regeling van artikel 1:124 lid 2 oud BW) ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling werd aangenomen dat de (her)belegging van vóór het huwelijk met een uitsluitingsclausule verkregen goederen niet in de huwelijksgemeenschap viel.
Zie paragraaf 3.2 hiervóór.
Als een goed op grond van artikel 1:95 lid 1, eerste zin, BW buiten de huwelijksgemeenschap valt, kan op grond van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW een vergoedingsrecht van de huwelijksgemeenschap jegens de echtgenoot in privé ontstaan indien en voor zover de tegenprestatie mede met middelen van de huwelijksgemeenschap is gefinancierd. In dit geval valt het goed echter op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW reeds buiten de beperkte huwelijksgemeenschap. Artikel 1:95 lid 1, eerste zin, BW is in dit geval dus niet van toepassing. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de regeling van vergoedingsrechten die in artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW besloten ligt wél van toepassing kan zijn. Omdat van een situatie van zaaksvervanging geen sprake is, is in dat geval strikt genomen sprake van een analoge toepassing van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW. Daarom wordt in de hoofdtekst ook van ‘analogetoepassing van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW’ gesproken.
Zie paragraaf 3.2 hiervóór, onder verwijzing naar S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/3 en 12; S. Perrick, ‘Zaaksvervanging en de regels van het goederenrecht’, WPNR 2008/6753, p. 346-347; B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (R&P nr. PFR2) 2011, p. 64-65; B. Breederveld, ‘De beperkte gemeenschap van goederen (deel 2)’, REP 2017/7, p. 28; R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198, p. 472 en 473 en Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 155.
405. In de paragrafen hiervóór is nog geen aandacht besteed aan het antwoord op de vraag of artikel 1:95 lid 1 BW ook van toepassing kan zijn bij een voorhuwelijkse vervanging van goederen. In zijn uitspraak HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437 oordeelde de Hoge Raad dat dit inderdaad het geval is. In de zaak die tot deze uitspraak leidde ging het om een verkrijging krachtens verdeling die reeds vóór het ontstaan van de huwelijksgemeenschap had plaatsgevonden, waarbij de door de man verschuldigde overbedelingsuitkering volledig onder uitsluitingsclausule werd kwijtgescholden. Pas later huwde de man in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. Toen vele jaren later zijn huwelijk door echtscheiding werd ontbonden kwam de vraag op of de woning die de man reeds vóór het huwelijk had verkregen nu wel of niet tot de huwelijksgemeenschap was gaan behoren. De Hoge Raad oordeelde daarover:1
“3.5 […] Indien, zoals de man in hoger beroep onder verwijzing naar HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378, heeft betoogd en hij in onderdeel 2.2 bepleit, de akte aldus moet worden uitgelegd dat sprake is van een samenstel van rechtshandelingen dat ertoe strekte de tegenprestatie voor de verkrijging van het aandeel van de moeder in de woning ten laste van het door de man van haar onder uitsluitingsclausule verkregen vermogen te laten komen, leidt (analoge toepassing van) art. 1:124 lid 2 (oud) BW ertoe dat de woning buiten de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw is gebleven.”
Op het eerste gezicht lijkt dit oordeel van de Hoge Raad in strijd met het vereiste van artikel 1:95 lid 1 BW dat ‘bij de verkrijging’ van het goed moet kunnen worden vastgesteld of het wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt.2 Als op het moment van verkrijging van het vervangende goed geen huwelijksgemeenschap bestaat, kan ook niet worden vastgesteld of dat vervangende goed op dat moment in de huwelijksgemeenschap valt of niet. Deze gedachte is eerder verwoord door Breederveld. Hij schrijft:3
“Artikel 1:95 lid 1 BW geeft een regel voor zaaksvervanging voor het geval een huwelijksgemeenschap reeds bestaat. De echtgenoot is reeds in gemeenschap van goederen gehuwd en heeft privévermogen. In de voorhuwelijkse periode is hij geen echtgenoot, is er geen huwelijksgemeenschap en is er geen onderscheid te maken tussen de huwelijksgemeenschap en privévermogen. Er is maar één vermogen: het (eigen) vermogen van de (toekomstige) echtgenoot. Bij gebreke van het bestaan van een huwelijksgemeenschap kan deze wettelijke regeling van zaaksvervanging op voorhuwelijkse vermogen eenvoudigweg niet van toepassing zijn, te meer daar voor de zaaksvervanging bepalend is de wijze van financiering (privévermogen of gemeenschap) ten tijde van de verkrijging. In de voorhuwelijkse periode is dat onderscheid niet te maken, er is uitsluitend “eigen” vermogen.”
Ondanks dat deze argumenten op het eerste gezicht overtuigend lijken, heeft de Hoge Raad deze terecht niet gevolgd. Alle elementen die een beroep op artikel 1:95 lid 1 BW rechtvaardigen kunnen immers óók bij voorhuwelijkse vervangende verkrijgingen reeds aanwezig zijn, zij het dat er op het moment nog geen ‘gebruikelijke regel van het goederenrecht’ is waar een regeling van zaaksvervanging bescherming tegen moet bieden. Omdat er nog geen huwelijksgemeenschap bestaat, is er nog geen boedelmenging, en wordt de rechtsbetrekking die artikel 1:95 lid 1 BW beoogt te beschermen (het ‘in enig eigendom toebehoren’) dus nog niet bedreigd. Die bedreiging ontstaat pas op het moment dat de huwelijksgemeenschap ontstaat. Pas dán treedt de regeling van boedelmenging in werking. Dat vormt echter géén belemmering om op dat moment alsnog middels zaaksvervanging in te grijpen. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat reeds op het (voorhuwelijkse) moment van verkrijging van het vervangende goed aan alle voorwaarden voor dat ingrijpen was voldaan. Met deze werking van artikel 1:95 lid 1 BW worden niet de voorwaarden voor toepassing van zaaksvervanging gewijzigd, maar wordt slechts het effect daarvan uitgesteld tot het moment waarop de ongewenste vermogensverschuiving zich daadwerkelijk voordoet. Het verlies van het ene goed, en de verkrijging van het ander, vinden vóór het ontstaan van de huwelijksgemeenschap plaats, maar (het effect van) de zaaksvervanging treedt pas in op het moment dat de huwelijksgemeenschap ontstaat. Daarmee is van een vóórhuwelijkse werking van zaaksvervanging geen sprake, en gaat het dus ook niet om een analoge toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW, zoals in de literatuur wel wordt beweerd.4
406. Neemt men aan dat de regeling van artikel 1:95 lid 1 BW óók werking heeft wanneer het verlies en de verkrijging vóór het ontstaan van de huwelijksgemeenschap plaatsvinden, dan kan men ook worden geconfronteerd met de situatie dat een echtgenoot die in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd vóór het huwelijk een goed heeft verkregen onder aanwending van onder insluitingsclausule verkregen vermogen. Alsdan kan de vraag opkomen of dat goed, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW, op grond van artikel 1:95 lid 1 BW tóch tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren. Naar mijn mening is dat niet mogelijk. Hiervóór is immers al aangegeven dat artikel 1:95 lid 1 BW uitsluitend als een uitzondering op de werking van boedelmenging moet worden gezien.5 De regeling van artikel 1:95 lid 1 BW kan daardoor nimmer bewerkstelligen dat goederen die buiten de huwelijksgemeenschap vallen alsnog door de huwelijksgemeenschap worden verkregen. Dat betekent dat het voorhuwelijks verkregen vervangende goed op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW ‘gewoon’ buiten de beperkte huwelijksgemeenschap zal blijven, ook al is dit onder aanwending van onder insluitingsclausule verkregen vermogen verkregen. In dat geval zal de huwelijksgemeenschap op grond van analogetoepassing van artikel 1:95 lid 1, tweede zin, BW dan wel een vergoedingsrecht jegens de betreffende echtgenoot verkrijgen.6 Dat vergoedingsrecht ontstaat dan op het moment dat de huwelijksgemeenschap ontstaat. Op dat moment vindt immers de vermogensverschuiving plaats. Neemt men aan dat artikel 1:95 lid 1 BW er wél toe kan leiden dat goederen alsnog in de huwelijksgemeenschap vallen,7 dan zal de toepassing van dit artikel op voorhuwelijkse vervangende verkrijgingen ervoor zorgen dat het vervangende goed alsnog (in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 BW) in de beperkte huwelijksgemeenschap valt indien en voor zover de destijds verschuldigde tegenprestatie voor meer dan de helft ten laste van het onder insluitingsclausule verkregen vermogen is gekomen. Is in dat geval de verwerving van dat goed ook nog met andere middelen van de betreffende echtgenoot gefinancierd, dan zal die echtgenoot op grond van artikel 1:95 lid 2 BW een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap verkrijgen. Ook dit vergoedingsrecht ontstaat dan op moment dat de huwelijksgemeenschap ontstaat. Ook hier vindt immers op dat moment de vermogensverschuiving plaats.