Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.4.4
4.2.4.4 Jurisprudentieanalyse ‘normale’ civiele rechter
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701988:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in het bijzonder Schröder, NTBR 2016/11, p. 75 en de uitgebreide literatuurverwijzingen aldaar. Zie voorts: Rueb e.a. 2021, § 7.7.4; De Bock 2011, § 7.6.
Ook in de enige ‘zwaarwegende afwijking’ uit figuur 2 lag een juridische vraag voor. De deskundige kreeg daar de opdracht om te onderzoeken of en, zo ja, van wie en wanneer het visrecht op ontvanger was overgegaan naar Oudvaderlandsrecht (Rb. Gelderland 21 maart 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1290).
Rb. Utrecht 2 april 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BC8180, r.o. 2.13); Rb. Rotterdam 28 mei 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BD7502, r.o. 2.6; Rb. Arnhem 29 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR1999, r.o. 2.7; Rb. Overijssel 5 februari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1116, r.o. 2.31.
Rb. Arnhem 10 maart 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BL7619, r.o. 2.5.
Rb. Gelderland 5 juni 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:3280, r.o. 2.7.
HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279.
Dan gelden de normale motiveringseisen: HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3519; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279. Zie ook: De Bock 2011, § 7.6; De Groot 2008, § 7.5.3.
Rb. Gelderland 4 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2047, r.o. 2.6.
Uit de civielrechtelijke literatuur blijkt dat ook de ‘normale’ civiele rechter het advies van deskundigen dikwijls volgt.1 Literatuur waarin die conclusie met empirische gegevens wordt onderbouwd, heb ik evenwel niet kunnen vinden. Dat is de reden waarom ik zelf een indicatieve jurisprudentieanalyse heb verricht. Volledigheid was daarbij niet het streven. Dat zou, gelet op de variëteit en kwantiteit van civiele zaken waarin de rechter deskundigen benoemt, de grenzen van dit onderzoek ruimschoots overschrijden. De civielrechtelijke jurisprudentieanalyse is bovendien geen doel op zich, maar biedt een maatstaf om de invloed van het deskundigenadvies in het onteigeningsrecht te valoriseren. Zo beschouwd, volstaat een analyse die enerzijds een voldoende aantal vonnissen omvat en anderzijds een tijdsperiode omspant die ruim genoeg is. Belangrijke criteria voor de zoekstrategie zijn dat de deskundige wordt benoemd op grond van art. 194 e.v. Rv en dat het een eindvonnis betreft.
Een zoekopdracht op rechtspraak.nl over de periode 1 januari 2008 – 1 januari 2022 met de inhoudsindicatie “eindvonnis na deskundigenbericht” levert 34 vonnissen op. Die vonnissen vertegenwoordigen allerlei civiele rechtsgebieden: van octrooirecht tot aansprakelijkheidsrecht, en van erfrecht tot ondernemingsrecht. In 32 vonnissen werd het deskundigenrapport door de rechter helemaal overgenomen. In één vonnis week de rechter op een (klein) aspect van het deskundigenrapport af. In één vonnis week de rechter zwaarwegend van het deskundigenrapport af. Een en ander is schematisch weergeven in figuur 2.
Figuur 2: 'Normale' civiele rechter en het deskundigenadvies
Harde gevolgtrekkingen kunnen op basis van deze – in omvang en methode beperkte – jurisprudentieanalyse niet worden getrokken. Wel onderbouwt de analyse een aantal vooraf gestelde aannames. In de eerste plaats is dit dat ook de ‘normale’ civiele rechter het deskundigenadvies in het overgrote deel van de gevallen volgt (94%). In zoverre is de situatie in het onteigeningsrecht dus niet ‘bijzonder’ of ‘uniek’. Het heeft er zelfs de schijn van dat de ‘normale’ civiele rechter het deskundigenadvies vaker volgt dan de onteigeningsrechter. In het licht van de kennisparadox is dat verklaarbaar. Zoals uitvoerig beschreven in § 4.2.3.1 belast de ‘normale’ civiele rechter de deskundige met één of meerdere specifieke onderzoeksvragen omtrent datgene dat zich buiten diens expertise bevindt. Het daaropvolgende deskundigenrapport kan de rechter inhoudelijk nauwelijks controleren. Het deskundigenrapport in het onteigeningsrecht beantwoordt daarentegen ook allerlei juridische vragen die de rechter wél kan controleren. Reeds in § 4.2.4.3 beschreef ik dat wanneer de onteigeningsrechter van het deskundigenadvies afwijkt, dat voornamelijk op juridische aspecten gebeurt.2
Een tweede aanname die wordt onderbouwd, blijkt niet rechtstreeks uit figuur 2, maar uit de daaraan ten grondslag liggende jurisprudentie. Dit is dat ook de ‘normale’ civiele rechter diens beslissing om het deskundigenadvies te volgen slechts beperkt motiveert. Net als de onteigeningsrechter volstaat de ‘normale’ civiele rechter dikwijls met de overweging dat de rechtbank de conclusies van de deskundige ‘overneemt en tot de hare maakt’.3 Ook overweegt de rechtbank wel eens dat deze ‘zich zal richten naar het deskundigenbericht, dat zij overtuigend acht’,4 of dat de conclusies van de deskundige de rechtbank ‘juist en overtuigend voor komen’ en daarom zullen worden overgenomen.5 Een uitgebreide motivering is ook niet nodig, tenzij partijen voldoende onderbouwde bezwaren aangaande het deskundigenrapport naar voren hebben gebracht.6 Ook is een nadere motivering vereist wanneer de rechter afwijkt van het door hem ingewonnen deskundigenadvies.7 De rechtbank Gelderland vatte een en ander kernachtig samen toen zij overwoog:
“De rechtbank stelt voorop dat in zaken waarin door de rechter een deskundigenbericht is gelast, dat bericht tot uitgangspunt dient te strekken bij de verdere beoordeling. Er zullen zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het deskundigenbericht moeten bestaan om het terzijde te schuiven. Van zwaarwegende bezwaren is onder meer sprake indien het bericht niet voldoet aan daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.”8
De motiveringseisen van de ‘normale’ civiele rechter omtrent het al dan niet volgen van het deskundigenadvies zijn vergelijkbaar met de motiveringseisen van de onteigeningsrechter daaromtrent.