De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/6.4:4 Conclusie
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/6.4
4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS386460:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vakorganisaties worden geconfronteerd met afnemende representativiteit en een discussie over hun legitimiteit. Dat zou hen kunnen brengen tot een herbezinning op hun maatschappelijke positie en, vooral, op hun rol bij het strategisch beleid van de vennootschap. Een van de methoden om invloed daarop te bewerkstelligen is de enquêtebevoegdheid die aan hen bij wet is toegekend. Van dit middel maken de vakorganisaties maar weinig gebruik.
Een mogelijke reden daarvoor is de vrees dat de vennootschap probeert de kosten van de procedure op hen te verhalen. Voor die vrees lijkt geen goede grondslag te bestaan: er is geen jurisprudentie voorhanden waaruit blijkt dat de vakorganisaties in de kosten van het onderzoek zijn veroordeeld. Integendeel, ook in de uitspraken waarin na een enquêteverzoek van de vakorganisaties geen (vermoeden van) wanbeleid werd geconstateerd, leek de Ondernemingskamer begrip te hebben voor de indiening ervan; in de zaak EBS heeft zij dat met zoveel woorden bevestigd.
Een tweede mogelijke reden voor de terughoudendheid van de vakorganisaties in het gebruik van hun enquêtebevoegdheid ligt mogelijk in de gedachte dat dergelijke procedures voor hen niet succesvol uitpakken. Die veronderstelling is in zijn algemeenheid onjuist.
Het is waar dat vakorganisaties minder succesvol zijn geweest in enquêteprocedures die zich in wezen richtten op strategische besluiten van de vennootschap. In zaken als IJsselwerf, EBS en Friesland Vlees ging het in feite om een klacht tegen het besluiten tot reorganisatie of het uitvoeren van insolventieprocedures. In de kwestie Friesland Vlees kwam daar bovendien bij dat de vennootschap tijdig overleg had gezocht met de vakorganisaties over totstandkoming van een sociaal plan en daarover overeenstemming had bereikt. Het relatief geringe succes in die procedures kan mede worden verklaard doordat tegen strategische besluiten vaak andere middelen openstaan. Bij reorganisaties kunnen vakorganisaties samenwerken met de ondernemingsraad en biedt de Wet melding collectief ontslag hun de mogelijkheid tot het voeren van overleg over het voorgenomen besluit. Die wet voorziet overigens niet in een verplichte taakverdeling waarin de ondernemingsraad zich buigt over de motivering van het strategisch besluit en de vakorganisaties over de modaliteiten daarvan, maar die verdeling komt in de praktijk wel vaak tot stand. De vakorganisaties die een dergelijke verdeling maken, hebben te aanvaarden dat zij op het strategisch besluit zelf weinig tot geen invloed kunnen uitoefenen. Bij fusies wordt een mogelijkheid tot overleg geboden door de regels uit de Fusiecode, zij het dat het daar gaat om zelfregulering en de code niet van ingrijpende sancties is voorzien.
De vakorganisaties zijn wel succesvol geweest toen zij enquêteprocedures voerden tegen het strategisch beleid, voor zover dat verder strekte dan een poging tot behoud van werkgelegenheid. De zaken PCM en Meavita vormen hiervan duidelijke voorbeelden. De vakorganisaties hebben hier jurisprudentie gemaakt die heeft geleid tot algemene regels over het handelen van de private-equitypartijen of complexe zorgconcerns en die zo andere ondernemingen tot voorbeeld kan strekken. Een dergelijk effect hadden de vakorganisaties ook kunnen bereiken in de zaak Esteves, zij het dat zij daar zelf van hebben afgezien. Ook in kleinere enquêtes als Eleveld of De Jong’s Timmerfabriek zijn de vakorganisaties succesvol geweest, misschien wel juist omdat zij het beleid in bredere zin ter toetsing aan de rechter hebben voorgelegd, zonder uitsluitend te kijken naar het belang van de werknemers die zij vertegenwoordigden, dat overigens wel in belangrijke mate zal hebben meegewogen in het oordeel van de Ondernemingskamer om voorzieningen te treffen.
Eveneens succesvol waren de vakorganisaties bij de formele aspecten van het enquêterecht in concernverhoudingen. Uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer blijkt dat zij ruimhartig omgaat met de enquêtebevoegdheid van vakorganisaties in concernverband, zodanig dat het voor hen relatief eenvoudig lijkt om binnen concernstructuren – ook waar het (gefailleerde) stichtingen betreft – door te dringen.
Een goed gebruik van de enquêtebevoegdheid van de vakorganisaties kan leiden tot een vergroting van hun maatschappelijk draagvlak, doordat zij actief debatteren over de vraag of onder omstandigheden sprake is van wanbeleid van de vennootschap. Wanneer zij daarbij een benadering kiezen die niet uitsluitend op een strategisch besluit gericht is, maar het bredere beleid ter discussie proberen te stellen, kan hun interventie waardevol zijn voor de continuïteit van de onderneming of jurisprudentie opleveren die het handelen van andere rechtspersonen normeert. Zij zouden een voorbeeld kunnen nemen aan de Vereniging van Effectenbezitters, die door het uitlokken van nieuwe jurisprudentie heeft bijgedragen aan de rechtsontwikkeling, en daardoor sterk aan gezag en ledenbestand heeft gewonnen.
Het gebruik van de enquêtebevoegdheid zou onder omstandigheden een vervanging van collectieve actie kunnen vormen. De strategieën van organizing en corporate campaigns lijken in Nederland weinig tot ontwikkeling te zijn gekomen of draagvlak te hebben verkregen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over het stakingsrecht blijkt dat gebruik van rechtsmiddelen door de vakorganisaties van invloed kan zijn op de vraag of collectieve actie geoorloofd is. De enquêtebevoegdheid zal in veel gevallen waar kritiek op het strategisch beleid bestaat, een betere uitkomst kunnen bieden dan een collectieve actie. Een collectieve actie lijkt vooral effectief te zijn tegen strategische besluiten in situaties waarin de kwaliteit van het overleg tussen de vennootschap en de werknemersvertegenwoordigers in sterke mate tekortschiet; in andere gevallen zullen vakorganisaties vaak gebruik moeten maken van de rechtsmiddelen die zij hebben.
Bij dit alles zouden de vakorganisaties, veel meer dan tot nu toe het geval is, de samenwerking kunnen zoeken met de andere in dit onderzoek behandelde werknemersvertegenwoordigers, te weten de ondernemingsraad en de Europese ondernemingsraad. Door zich te richten op de strategie van de vennootschap kunnen de vakorganisaties, met de kennis en de bevoegdheden die zij bezitten, een aanvulling vormen op de beïnvloeding die de ondernemingsraden tot stand proberen te brengen.