Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/6.1
1 Inleiding
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS386457:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 mei 1986, NJ 1986, 688.
Zie ook HR 21 maart 1997, NJ 1997, 437 (FNV/Streekvervoer).
Zie Schut 1996, p. 142 e.v., Maris 1997, p. 79 e.v., en Jaspers 2004, p. 21 e.v.
Peeters 1980.
Fase 1983.
Jaspers 2004, p. 36.
Beltzer 2010, zo ook: Grapperhaus 2011 en Beltzer 2012.
Zie ook de jaarlijkse tellingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek, www.cbs.nl.
In 2012 werd de positie van de vakorganisaties verzwakt door een conflict in de federatie FNV, nu de grootste bonden (Abvakabo en FNV Bondgenoten) het niet eens konden worden met de andere bonden over het pensioenakkoord dat met het toenmalige kabinet was gesloten. Dit leidde tot een herstructurering van de organisatie. Zie Barentsen en Sagel 2012.
Grapperhaus 2013, p. 83.
Het algemene beeld over vakorganisaties is dat zij zich bezighouden met collectieve arbeidsvoorwaardenvorming en niet met strategisch beleid. Dat is niet altijd zo geweest. In de periode rond 1980 ging het debat ook over collectieve acties tegen strategische besluiten (reorganisaties, bedrijfssluitingen, bedrijfsverhuizingen) en de grenzen die daaraan konden worden gesteld. Over de belangrijkste vorm van collectieve actie, de staking, is een reeks van uitspraken ontstaan, waarin werd geoordeeld over de vraag of deze in bepaalde omstandigheden geoorloofd was. In die beoordeling staat artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) centraal. Dat artikel erkent het recht op collectieve acties als een fundamenteel recht van werknemers. De Hoge Raad heeft in het NS-arrest directe horizontale werking toegekend aan dat artikel.1 In dat arrest zijn ook de procedureregels omschreven waaraan een gerechtvaardigde collectieve actie dient te voldoen.2 Tezamen met artikel 31 ESH, waarin de beperkingen op het stakingsrecht staan (samengevat: de wet, rechten van anderen en openbare orde), zijn zo de fundamenten onder het recht op collectieve acties gelegd.
Een van de beperkingen van het recht op collectieve acties volgt uit de tekst van artikel 6 lid 4 ESH zelf: het moet gaan om belangengeschillen. Dit in tegenstelling tot rechtsgeschillen, die zich lenen voor beoordeling door de rechter en waarin collectieve actie niet geoorloofd is. Het onderscheid tussen belangen- en rechtsgeschillen is vaag. Voor mijn onderzoek is van belang of een debat over het strategisch beleid van de vennootschap ook als een belangengeschil kan worden aangemerkt en zo onderwerp kan zijn van collectieve actie.
Het antwoord op die vraag is niet gemakkelijk te geven, zo blijkt uit de literatuur.3 De uitersten in dit debat zijn verwoord door Peeters enerzijds en Fase anderzijds. Peeters4 meent dat er in de rechtsverhouding tussen werkgevers en werknemers een ruim veld is, dat zij in overleg zelf mogen invullen. De wederzijdse standpunten worden niet bepaald door rechten en verplichtingen, maar door een afweging van ieders eigen belang. Ook het beleid van de onderneming is het resultaat van een belangenafweging, waardoor conflicten over beleidsvragen in beginsel onder de noemer belangengeschillen in de zin van het ESH vallen. In Peeters’ visie is collectieve actie bij een conflict over, bijvoorbeeld, het behoud van werkgelegenheid in een onderneming altijd gerechtvaardigd. Dat wordt pas anders bij conflicten die hun oorsprong vinden in een meningsverschil over rechten en verplichtingen tussen de sociale partners die voortvloeien uit een collectieve arbeidsovereenkomst.
Aan de andere kant van het spectrum staat de mening van Fase,5 die meent dat, hoewel medezeggenschapsrechten collectieve actie niet in de weg hoeven te staan, niettemin eerst die rechtsmiddelen moeten worden doorlopen. Pas wanneer de mogelijkheden die het medezeggenschapsrecht biedt zijn uitgeput, blijft collectieve actie als laatste redmiddel over en verandert het rechtsgeschil in een belangengeschil. Fase wijst erop dat er dan wel een grijs gebied overblijft, waar bijvoorbeeld ondernemersbeslissingen slechts in rechte aantastbaar zijn door gebruik van het enquêterecht als sprake is van (een vermoeden van) wanbeleid. In dit veld kan collectieve actie gerechtvaardigd zijn.
Tussen die uitersten staat Jaspers. Volgens hem blijkt uit de jurisprudentie dat een conflict met een werkgever dat niet direct als een arbeidsvoorwaardengeschil aan te merken is, toch kan worden beschouwd als een belangengeschil zoals gedekt door artikel 6 lid 4 ESH.6 Hij bepleit een ruime opvatting van conflicten die als belangengeschillen kunnen worden gekwalificeerd; het moet gaan om geschillen die de werknemers in gezamenlijkheid raken en die door collectief onderhandelen kunnen worden opgelost.
In dit hoofdstuk zal ik analyseren welke middelen de vakorganisaties ter beschikking staan om het strategisch beleid te beïnvloeden en doe ik een poging het onderscheid tussen rechts- en belangenverschillen te verscherpen. De behandeling van dit thema kan niet los worden gezien van het debat over de positie van de vakorganisaties in de Nederlandse samenleving.
Volgens Beltzer is sprake van erosie van de legitimiteit van de vakorganisaties.7 De vakorganisaties worden geacht vanuit representatief oogpunt alle werkenden te vertegenwoordigen, maar die legitimatie is niet vanzelfsprekend. De vakorganisaties zijn relatief eenzijdig in hun ledensamenstelling en vertegenwoordigen al jaren een gering percentage van tussen de 20 en 30 procent van de werknemers.8 Daarnaast is discussie ontstaan over hun onafhankelijkheid, nu werkgevers steeds vaker de vakbondscontributie voor de aangesloten werknemers voldoen. Als juridische legitimatie geldt dat de vakbonden bij uitstek de organisaties zijn die het machtsevenwicht tussen de sterke werkgever en de zwakkere werknemer kunnen bewaken. Een bezwaar is wel dat bij uitoefening van het stakingsrecht werkwillige werknemers, of werknemers die geen lid zijn van de vakorganisaties die de staking ondersteunen, eveneens verstoken zijn van loon tijdens de periode waarin een georganiseerde staking plaatsvindt. Beltzer vraagt zich af of de erosie van legitimiteit zich voortzet, of dat bestaande vormen van legitimatie juist weer zullen worden versterkt. De economische terugval en de marktwerking in sectoren als de postbezorging hebben geleid tot een toenemend belang van collectief onderhandelen door de vakorganisaties.9
Grapperhaus meent daarentegen dat over de legitimiteit van de vakorganisaties weinig discussie kan ontstaan. Een vakbond is nodig voor een rechtvaardige en profijtelijke ontwikkeling van de arbeidsmarkt, die zowel werkgevers als werknemers een stimulerend perspectief biedt.10 Hij ziet de aanhang van de vakorganisatie als een losser verband dan het lidmaatschap, dat niet langer bepalend is voor de vraag wie over een collectieve arbeidsovereenkomst onderhandelt. Het gaat erom of werknemers, zonder enige verdere verplichting, bereid zijn hun vertrouwensstem te geven aan een bepaalde vakorganisatie en hij acht de huidige vakbond uitstekend toegesneden om namens werknemers onderhandelingen te voeren.