Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.4.4.1
5.4.4.1 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291378:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de Zesde Richtlijn werd het begrip ‘erbij behorend terrein’ gebruikt. Omdat uit niets blijkt dat een inhoudelijke wijziging is beoogd, dient ervan te worden uitgegaan dat met de gewijzigde terminologie in de Btw-richtlijn geen inhoudelijke wijziging is beoogd (derde considerans Btw-richtlijn).
Conclusie A-G Ruiz-Jarabo Colomer 16 december 1999, zaak C-400/98, ECLI:EU:C:1999:626, punt 68 (Breitsohl)
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17, r.o. 48 (Breitsohl).
Vgl. D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, p. 253 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 310.
Voor een vergelijkbare beslissing met betrekking tot het begrip ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds, zoals omschreven door de lidstaten’ in (thans) art. 135 lid 1, onderdeel g Btw-richtlijn zie HvJ EG 28 juni 2007, zaak C-363/05, V-N 2007/36.25 (JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust).
Het begrip ‘bijbehorend terrein’ is in de Btw-richtlijn niet gedefinieerd.1 In art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn staat slechts dat lidstaten dit begrip kunnen bepalen. Omdat het aan de lidstaten is overgelaten om dit begrip al dan niet te definiëren, zou het in de rede liggen dat van een uniebegrip geen sprake is. Het Hof van Justitie heeft echter – conform de conclusie van A-G Ruiz-Jarabo Colomer2 – geoordeeld dat dit begrip in alle lidstaten eenvormig moet worden uitgelegd. Het Hof baseert dit oordeel op het doel van de Zesde Richtlijn (thans: de Btw-richtlijn) om de grondslag eenvormig en overeenkomstig gemeenschapsregels vast te stellen. Hierbij wijst het Hof op de omstandigheid dat dit begrip mede dient tot vaststelling van de belastingplicht voor de incidentele handelingen op grond van art. 12 lid 1 Btw-richtlijn.3
Hoewel het vanuit het oogpunt van interneutraliteit wenselijk is dat het begrip ‘bijbehorend terrein’ in alle lidstaten hetzelfde wordt uitgelegd, overruled het Hof van Justitie met zijn beslissing de Raad die de invulling van dit begrip blijkens art. 12 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn aan de lidstaten heeft willen laten.4 Dit is overigens geen incident. Het Hof van Justitie bezondigt zich hieraan vaker (zie paragraaf 5.6.2.3).5 Feit is dat de beslissing van het Hof van Justitie met zich brengt dat de vrijheid van de lidstaten beperkt is tot het al dan niet opnemen van een definitie van dit begrip in de nationale wetgeving. Het Hof van Justitie heeft zich tot op heden niet uitgelaten over de inhoud van het (unie)begrip ‘bijbehorend terrein’ waardoor het definiëren van dit begrip een hachelijke onderneming is. Het is immers niet op voorhand met zekerheid te zeggen dat deze invulling door de beugel kan. Nederland kent niettemin een wettelijk definitie van dit (unie)begrip. Op die definitie wordt in de volgende paragraaf ingegaan.