Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/3.3
3.3 Doelen van het burgerlijk procesrecht
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692223:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Bakels is het burgerlijk procesrecht zelfs bij uitstek dienend recht, Bakels 2009, p. 337.
Dit doel wordt letterlijk ook door De Groot genoemd, De Groot 2008, 34.
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht, Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 1 en 27.
Aldus ook Lewin 2013, p. 6.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017/9.
Asser, Groen & Vranken 2003, p. 33-46. Zij tekenen daarbij aan dat het burgerlijk proces in de derde opvatting ook een ‘sta in de weg’ kan zijn. Zie hierover ook Stuij 2021/34.
Vgl. Lewin 2013, p. 5.
Lewin 2013, p. 6.
En we moeten voorts onder ogen zien dat de uitspraak van de rechter ook niet altijd de ‘juiste uitkomst’ oplevert. Processuele barrières zoals de stelplicht of het bewijs staan daar helaas soms aan in de weg. In de toelichting op het wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is opgenomen dat een uitspraak die berust op een juist en volledig feitencomplex een rechtvaardige uitkomst van de procedure bevordert en bijdraagt aan een duurzame oplossing van het geschil tussen partijen. Kamerstukken II 2019/20, 3548, nr. 3, p. 3.
Vgl. Lewin 2013, p. 9/10.
Bauw & Giesen 2019, p. 25. Van der Sanden & Hartendorp 2021, p. 2417. Hartendorp 2020. De Groot & Steenberghe 2019, p. 27 e.v.
Bij burenruzies komt dat bijvoorbeeld regelmatig voor: een geschil over de hoogte van de schutting blijkt bij doorvragen op de zitting eigenlijk over heel veel andere ergernissen te gaan, die niet hun weg naar de vordering hebben gevonden en waarover het rechterlijk oordeel zich dus niet zal (kunnen) uitstrekken.
Asser, Groen & Vranken 2003, p. 34.
Asser, Groen & Vranken 2003, p. 34.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017/11.
79. Vanwege de dienende functie van het burgerlijk procesrecht, ligt het voor de hand dat de doelen van het burgerlijk procesrecht samenhangen met de doelen van het materiële recht.1 Het burgerlijk procesrecht dient er aldus ook op gericht te zijn dat het recht op voorkoming van schade, dus de preventieve functie van het privaatrecht, kan worden afgedwongen. Ook hier geldt overigens dat, zelfs als de focus op voorkoming van schade wordt gericht, dat geen exclusieve functie van het (proces)recht kan zijn.
80. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht is in bredere zin opgenomen dat het procesrecht ‘de rechtzoekende een efficiënte, effectieve en eerlijke mogelijkheid (moet) bieden om zijn materiële rechten te verwezenlijken’.2 Er is geen reden om het met dit uitgangspunt oneens te zijn, maar erg specifiek zijn de toevoegingen ‘efficiënt, effectief en eerlijk’ niet.3 En in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is te lezen dat het burgerlijk procesrecht moet voorzien in ‘procedures die efficiënt en eerlijk verlopen en tot rechterlijke beslissingen leiden die gebaseerd zijn op een juiste vaststelling van de feiten’ en dat het doel van het voeren van een civiele procedure is ‘het verkrijgen van een juiste en rechtvaardige beslissing’.4 Een iets andere benadering dus, maar nog steeds moet het gaan om een efficiënte en eerlijke procedure.
81. Dat verwezenlijking van materiële rechten, zoals genoemd in de toelichting op het wetsvoorstel, de primaire functie van het procesrecht is, is op zichzelf juist.5 Die verwezenlijking van de materiële rechten is echter slechts één functie van het procesrecht. Snijders, Klaassen & Meijer noemen er wel vijf, namelijk, (i) rechtsverschaffing, (ii) de bedreigingsfunctie die uitgaat van de mogelijke toepassing van het recht, (iii) de politionele functie (voorkoming van eigenrichting), (iv) rechtsontwikkeling en (v) rechtseenheid.6
82. In het interimrapport van het driemanschap Asser, Groen en Vranken worden drie doelen van, en opvattingen over, het burgerlijk procesrecht onderscheiden, te weten (i) recht- en titelverschaffing, (ii) bevordering van rechtsontwikkeling en rechtseenheid en (iii) het oplossen van het achterliggende conflict.7 De eerste twee doelen komen overeen met de in de vorige paragraaf opgesomde doelen. Het derde doel staat los daarvan en ziet niet alleen op de doelen van het procesrecht, maar raakt ook aan de taak van de rechter.
83. Het zo efficiënt mogelijk laten verlopen van een procedure wordt door het driemanschap niet als zelfstandige functie genoemd, maar zou ook als zelfstandig doel, of als zelfstandige functie kunnen worden onderscheiden.8 Een efficiënt verloop van een procedure draagt immers bij aan de effectiviteit van het procesrecht en daarmee veelal ook aan de effectiviteit van een te verkrijgen remedie.
84. Lewin noemt daarbij verder nog als doel van het procesrecht het bereiken van een juiste uitkomst van de procedure, dus een uitkomst die aansluit bij de materieelrechtelijke werkelijkheid.9 Dat kan hetzelfde doel zijn als het oplossen van het achterliggende conflict, maar hoeft dat vanzelfsprekend niet te zijn. Een minnelijke regeling die ten overstaan van en met behulp van een rechter wordt bereikt, lost (voor dat moment) wel het conflict op, maar kan leiden tot een volstrekt andere uitkomst dan het geval zou zijn wanneer de rechter uitspraak doet en daarmee aangeeft wat de ‘juiste uitkomst’ van een geschil is.10 Mede door de formulering van een petitum of de aard van een geschil zijn zaken soms ‘zwart-wit’ terwijl een middenweg meer recht doet aan de positie van partijen of in ieder geval aan hun achterliggende belangen of een groter onderliggend probleem. Daarmee is niet gezegd dat de rechter in afwijking van de wettelijke regels voor een dergelijke middenweg moet kiezen. Daarmee zou hij (een van) partijen tekortdoen en dus onvoldoende rechtsbescherming bieden.11 Niettemin wordt het in toenemende mate tot taak van de rechter gerekend en als doel van het procesrecht gezien niet alleen het juridische geschil, maar ook de onderliggende problemen op te lossen.12 Voor het rechterlijk bevel en verbod is dat een relevant gegeven. Het rechterlijk bevel of verbod zal immers in de regel gegeven worden als een minnelijke regeling niet meer aan de orde is en strekt er dan toe een knoop door te hakken. Dat zal, gelet op het hierna in paragraaf 7.4 nader te bespreken congruentie-vereiste, veelal een juridische knoop zijn. De rechter bepaalt, als hij een bevel of verbod uitspreekt, daarmee waartoe iemand juridisch gehouden is. Voor het oplossen van ‘onderliggende problemen’ kan dat belangrijk zijn, omdat partijen daarmee verder kunnen, maar evengoed kunnen die onderliggende problemen bestaan naast het geschil waarover de rechter een knoop heeft doorgehakt.13
85. Rechtsverschaffing is van de hiervoor omschreven doelen voor mij de belangrijkste, althans in relatie tot het rechterlijk bevel en verbod, omdat het bevel en verbod ertoe strekken (i) vast te leggen waartoe iemand gehouden is en (ii) dat recht verschaffen en schade beogen te voorkomen. Rechtsverschaffing is daarmee tot op zekere hoogte hetzelfde als rechtsbescherming.14 Het begrip rechtsbescherming wordt echter veelal (ook) gebruikt om de relatie ten opzichte van een sterkere overheid aan te geven en daarover gaat het niet steeds in het burgerlijk proces. Rechtsverschaffing of rechtsbescherming brengt volgens het driemanschap mee dat ‘het proces als een forum waarvoor justitiabelen kunnen verschijnen om hun uit het materiële privaatrecht voortvloeiende aanspraken te doen vaststellen en afdwingen’ voorop staat.15 Een uitvloeisel daarvan is dat justitiabelen alleen door gebruik te maken van het procesrecht toegang krijgen tot de dwangmiddelen die nodig zijn om de materiële rechten te verwezenlijken.
86. Het doel rechtsverschaffing dwingt niet automatisch tot het bestaan van een preventieve remedie. Schadevergoeding is immers ook een vorm van rechtsverschaffing, zij het een in mijn visie onvolmaakte. Tegelijkertijd strekt rechtsverschaffing er ook toe dat het recht om gevrijwaard te blijven van inbreuken op een bepaald recht, kan worden afgedwongen. Die functie van het (proces)recht dwingt wel tot het bestaan van een preventieve remedie. Ook de functie ‘bedreiging die uitgaat van een mogelijke toepassing’ is van belang voor de preventieve functie van het (proces)recht omdat het diegenen die voornemens zijn in strijd te handelen met andermans recht, daarvan kan weerhouden. Rechtstoepassing maakt duidelijk dat het recht er niet voor niets is en dat het kan worden afgedwongen.
87. Het burgerlijk procesrecht heeft vanzelfsprekend ook een rol voor de rechtsontwikkeling en rechtseenheid. De rechtsontwikkeling zal veel justitiabelen koud laten (partijen in zogenaamde proefprocedures daargelaten), maar rechtseenheid – die ook ten aanzien van de rechtsontwikkeling kan werken – is voor iedereen die materiële rechten heeft van belang. Rechtseenheid leidt immers tot rechtszekerheid en daarmee tot voorspelbaarheid. Die voorspelbaarheid levert een bijdrage aan de preventieve functie van het procesrecht: als voorspelbaar is hoe een rechter zal oordelen, zal een beoogd laedens zijn gedrag daarop (kunnen) afstemmen. Dat is iets anders dan de door Snijders, Klaassen & Meijer genoemde bedreigingsfunctie van het burgerlijk procesrecht. Met die bedreigingsfunctie doelen zij op het gegeven dat er ‘lieden (zijn) die eerst onder dreiging van een procedure of zelfs onder dreiging van een executiemaatregel als beslag geneigd zijn hun verplichtingen jegens anderen na te komen’.16 In die definitie gaat het om mensen die weten dat zij ongelijk hebben, maar niet daarnaar willen handelen of, erger, mensen die gelijk hebben maar onder dreiging van de kosten van een geding toegeven aan de eisen van hun wederpartij. In dat laatste geval werkt het procesrecht op een wijze die moet worden afgekeurd, omdat het mensen afhoudt van hun materiële recht.