Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.4.4
9.3.4.4 De 403-verklaring als aanbod
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649009:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Dunné 1971, p. 102 e.v. en 2001, p. 71-73; Van Delden & Banier 1999, p. 83; Janssens 1926, p. 101; Asser/Van Goudoever III 1913, p. 265 e.v.; Asser/Rutten 3-II 1968, p. 95.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2014, nr. 175.
In het kader van de vaststelling van de rechtsgevolgen die uit een aanbod voortvloeien, kan de vraag worden gesteld of sprake is van een openbaar aanbod, nu een 403-verklaring ongericht is en zich dus richt tot het algemeen publiek. Toch staat het aanbod slechts open voor een selecte groep, namelijk de schuldeisers van de vrijgestelde rechtspersoon en alleen indien en voor zover hun vordering voortvloeit uit een rechtshandeling.
Zie paragraaf 9.3.2.
Uit artikel 6:21 en artikel 6:22 BW vloeit voort dat ten aanzien van voorwaardelijke verbintenissen die voortvloeien uit een rechtshandeling geldt dat het bestaande verbintenissen betreft. Zie Schuijling: “De verbintenis is slechts voor haar werking – en dus niet haar bestaan – afhankelijk van een onzekere toekomstige gebeurtenis.” Schuijling 2016, par. 3.4.3.2. Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 144. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburg 6-I* 2012, nr. 166. In gelijke zin Van Dunné 1971, p. 110 e.v. en 2001, p. 77. Echter, wanneer sprake is van een zuiver potestatieve voorwaarde, geldt dit niet. Zie TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 146/147 en Asser/Sieburgh 6-I* 2016, nr. 175 en Spierings, “De verbintenis is toekomstig en niet reeds voorwaardelijk bestaand, nu het ontstaan afhankelijk is van een wilsverklaring van de geadresseerde.” Spierings 2016, par. 5.5.1.3. Vgl. HR 25 maart 1989, NJ 1989/200 m.nt. Kleijn (Staal Bankiers/Ambags q.q.). Vgl. over het ontstaan van regresvorderingen van een hoofdelijk medeschuldenaar (HR 6 april 2012, JOR 2014/172) en over het ontstaan van ongedaanmakingsverbintenissen na opzegging of ontbinding van een overeenkomst (HR 3 december 2010, NJ 2010/653).
Zie paragraaf 9.3.5.2, 9.3.5.3 en 9.3.5.4.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 146/7 en Asser/Sieburgh 6-I* 2016, nr. 175; T&C BW, commentaar op art. 6:21 BW.
Zie in gelijke zin Spierings 2016, 5.5.2, nr. 238.
T-M ad afd. 6.5.2, Inleidende opmerkingen, sub 4, Parl. Gesch., p. 876.
Blei Weissmann, GS Verbintenissenrecht,art. 6:217 BW, aant. 3.34; Rupke 1914, p. 81; Snijders 1999-I, p. 560; noot G.J. Scholten bij Lindeboom/Amsterdam (NJ 1970/54); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/177; Asser/Hijma 7-I* 2013/167-169 jo. 187 en Jansen 2000, p. 7.
Blei Weissmann, art. 6:217 BW. In dit verband wordt gewezen op wettelijke bepalingen die van dit uitgangspunt kunnen afwijken. Hierbij dient te worden gedacht aan wettelijke bepalingen waarin rechtsgevolg wordt verbonden aan een niet ‘onverwijld’ afwijzen van een aanbod, wat kan leiden tot gebondenheid.
Het Nederlandse recht kent het aanbod als een rechtsfiguur die een verbintenis schept voor de aanbieder.1 Aangezien een aanbieder zijn aanbod kan herroepen (artikel 6:219 BW), is de gebondenheid erg betrekkelijk. Een 403-verklaring dient niet herroepelijk te zijn. In het kader van de vrijstellingsregeling is een sterkere gebondenheid noodzakelijk. Voor een sterkere gebondenheid kan een onherroepelijk aanbod worden gedaan:2
“In het algemeen is het aanbod herroepelijk in die zin dat de aanbieder de werking eraan kan ontnemen, voordat het door de geadresseerde is aanvaard. Het aanbod is echter onherroepelijk indien het een termijn voor de aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid op andere wijze uit het aanbod volgt. Het onherroepelijke aanbod is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij de aanbieder zich, doorgaans voor een bepaalde tijd, de bevoegdheid ontneemt om te voorkomen dat door de tijdige aanvaarding van het aanbod de overeenkomst tot stand komt.”
Vanuit dit perspectief bezien, zou een 403-verklaring een aanbod kunnen inhouden.3 In de verklaring wordt door de consoliderende rechtspersoon het aanbod gedaan om hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor een schuld van haar dochtervennootschap, wanneer de schuldeiser dat aanvaardt. Bij aanvaarding ontstaat een vorderingsrecht.
Het aanbod in een 403-verklaring is misschien niet geheel onherroepelijk, maar beperkt herroepelijk. De regeling omtrent de mogelijkheid om dit aanbod te herroepen, is uitgewerkt in artikel 2:404 BW. Een 403-verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken. De intrekking van een 403-verklaring werkt alleen jegens ‘nieuwe schuldeisers’, schuldeisers die pas een vordering verkrijgen uit rechtshandelingen die zijn verricht ná de intrekking van de 403-verklaring. Jegens deze nieuwe schuldeisers bestond nog geen aanbod van de consoliderende rechtspersoon om aansprakelijkheid te erkennen, dus hoeft er ook niets te worden herroepen. Het aanbod van de consoliderende rechtspersoon geldt alleen voor hen die ten tijde van de intrekking van de 403-verklaring reeds een vordering op de dochtervennootschap hebben. Dit aanbod van de consoliderende rechtspersoon loopt na de intrekking van de 403-verklaring gewoon door jegens schuldeisers van de dochtervennootschap die ten tijde van de intrekking reeds een vordering op de dochtervennootschap hebben. Dit is de overblijvende aansprakelijkheid. Slechts door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid (artikel 2:404 lid 3 BW) kan dit aanbod worden ingetrokken, oftewel worden herroepen. Omdat daarvoor een aantal eisen geldt, maar de herroeping niet absoluut onmogelijk is, is het aanbod van de consoliderende rechtspersoon (beperkt) herroepelijk.
De verbintenis om een aanbod gestand te doen, leidt bij aanvaarding tot nieuwe verbintenissen.4 Zolang er geen aanvaarding heeft plaatsgevonden, bestaat een eventueel daarop volgende verbintenis nog niet. De eventueel daarop volgende verbintenis, is slechts een mogelijke, toekomstige verbintenis.5 Over toekomstige verbintenissen hierna meer.6
Het ontstaan van de verbintenis die volgt op het aanbod wanneer dat aanbod wordt aanvaard, is volledig afhankelijk van die aanvaarding. Hierdoor is voor wat betreft die verbintenis sprake van een verbintenis onder een zuiver potestatieve voorwaarde. Een verbintenis die voor het ontstaan geheel afhankelijk is van de wil van een der partijen, kan (nog) niet als verbintenis gelden.7 De verbintenissen die voortvloeien uit een 403-vordering, die kan ontstaan als het aanbod van de consoliderende rechtspersoon wordt aanvaard, bestaan derhalve nog niet als aanvaarding nog niet heeft plaatsgevonden. Er is slechts sprake van een toekomstige vordering. Uitoefening van het wilsrecht door de schuldeiser van de dochtervennootschap leidt dan pas tot het ontstaan van een vordering op de consoliderende rechtspersoon.8 Dat een partij aan wie een aanbod is gedaan een wilsrecht verkrijgt, vindt steun in de parlementaire geschiedenis.9 Ook in de literatuur wordt dit uitgangspunt algemeen aanvaard.10
Wordt aangenomen dat de 403-verklaring een aanbod inhoudt, dan wordt de partijautonomie van de schuldeiser gewaarborgd. De aanbieder, in het geval van een 403-verklaring is dat de consoliderende rechtspersoon, kan niet afdwingen dat haar aanbod wordt aanvaard:11
“Wat de aanbieder niet kan: het stilzwijgen op zijn aanbod als aanvaarding daarvan bestempelen”
Ook kan een aanbieder niet afdwingen dat de niet aanvaarde en dus niet bestaande verbintenis wordt uitgevoerd. De aanbieder kan de (beoogde) wederpartij in dat geval niet verplichten om zijn prestatie te aanvaarden.