Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.10:VI.10 Conclusie
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.10
VI.10 Conclusie
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178848:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Is ongeldig nog ongeldig? Een rondgang toont dat een gebrek voor het besluit lang niet steeds fataal is. Liefst acht leerstukken wenden de nietigheid of vernietiging in voorkomende gevallen af. Ongeldigheid is geen automatisme. Per geval moet worden bezien of de ongeldigheidssanctie past. Alleen als het echt moet, is een besluit als nietig of vernietigbaar te beschouwen. Dit uitgangspunt ligt reeds besloten in het geldend recht.
Maar ongeldigheid kan nog verder worden teruggedrongen. Dogmatisch bestaan daartegen geen bezwaren. Elk van de acht leerstukken is geschikt om voor dit doel te worden ingezet, zo laat het voorgaande zien. Bekrachtiging en bevestiging helen een gebrekkig besluit. Er is geen bezwaar om nietig- en vernietigbaarheden te repareren, zolang de rechten van betrokkenen zijn gewaarborgd. Afstand, rechtsverwerking en verval nemen het gebrek niet weg, maar snijden het beroep daarop af. Ze sluiten vernietiging uit. Ook dit ontmoet weinig bezwaren, tenminste als de onmogelijkheid van vernietiging berust op een keuze. Wie van vernietiging afziet, door zijn gedrag zijn recht daarop kwijtspeelt of te lang stil blijft zitten, mag niet klagen. De leerstukken van belang en relevantie perken de ongeldigheid nog meer in. Wie een besluit aanvecht, moet dat doen omwille van een redelijk belang en om een goede, relevante reden. Het moet ergens om gaan. En ten slotte kan de rechter van ongeldigheid afzien. Rechterlijke discretie is gerechtvaardigd omdat een oplossing moet worden bereikt die recht doet aan het voorliggende geval.
Dogmatisch kan het, maar moet het ook? Uiteindelijk houdt het terugdringen van ongeldigheid een rechtspolitieke afweging in. De vraag is wat belangrijker is: het toetsen van besluiten aan het recht óf het beschermen van rechten van betrokkenen. Wat mij betreft mag de balans wat meer uitslaan naar het laatste. Door de verschillende leerstukken te interpreteren zoals hierboven verdedigd, komt de nadruk wat minder op objectieve rechtscontrole te liggen en wat meer op subjectieve rechtsbescherming. Tenslotte is ongeldigheid slechts noodzaak, indien en voor zover de rechten en belangen van betrokkenen dat eisen. In die lijn mogen de mogelijkheden tot bekrachtiging en bevestiging ruimer, de eisen op straffe van afstand en rechtsverwerking strenger, de voorwaarden voor verval, belang en relevantie soepeler, en de bevoegdheden van de rechter groter. Want zo zullen er minder nietige en vernietigde besluiten zijn.