Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.4.2.2
6.4.2.2 Onvolledige aanvragen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396070:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Behalve bij de bedrijfstoeslag speelt de problematiek ook bij ELFPO-subsidies. Zie ABRvS 26 januari 2005, LJN AS3906. In deze zaak was de aanvrager vergeten om ook subsidie aan te vragen voor het pakket 'Weidevogelgrasland met rustperiode'. Volgens de Afdeling maakt deze omstandigheid niet dat sprake is van een onvolledige aanvraag. Het op juiste wijze indienen van de aanvraag komt voor risico van appellante.
Zie artikel 6 van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2011.
Zie de artikelen 24 en 25 van de Landbouwwet.
Zie CBb 24 maart 2010, LJN BM2707, r.o. 2.4.3.
Zie CBb 24 maart 2010, LJN BM2707, r.o. 2.4.3.
Zie de noot van J.H. van der Veen onder CBb 17 mei 1995, AB 1995, 523 waarin het ging om een voorloper van de bedrijfstoeslagregeling, namelijk de steun voor akkerbouwgewassen. Ook toen gold dat het doel van de aanvraag tweeledig was.
Zie CBb 28 april 2010, LJN BM3397, r.o. 2.4.3.
Zie CBb 28 april 2010, LJN BM3397, r.o. 2.4.3; CBb 25 februari 2009, AB 2009, 153, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.4.
Zie CBb 28 april 2010, LJN BM3397, r.o. 2.4.3.
CBb 26 oktober 2010, LJN B02413, r.o. 5.2.
CBb 10 november 2010, LJN BP0447; CBb 10 november 2010, LJN BP0451; CBb 10 november 2010, LJN B05302.
In twee van de drie uitspraken van 10 november 2010, komt het CBb uiteindelijk tot vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Zie CBb 10 november 2010, LJN BP0451 en LJN B05302.
Uit artikel 21, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 794/2006 (thans artikel 23, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009), blijkt dat de regels voor te late indiening van de aanvraag ook gelden voor de daarbij behorende documenten, contracten of aangiften die nodig zijn om voor uitbetaling van de bedrijfstoeslag in aanmerking te komen. Ook het CBb gaat hiervan uit blijkens CBb 10 november 2010, LJN BP0451 en LJN B05302.
Vergelijk ABRvS 4 oktober 2006 (AB 2006, 401, m.nt. P.J. Stolk, JB 2006/320, m.nt. J.L.W. Broeksteeg) waarin de Afdeling heeft bepaald dat ten aanzien van de aanvraag tot inschrijving van de aanduiding waarmee een politieke partij voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer op de kandidatenlijst wenst te worden vermeld geen herstelmogelijkheid bestaat. Gelet op de strikte procedureregeling in de Kieswet bestaat geen ruimte voor toepassing artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. In de praktijk laten nationale uitvoeringsorganen in het kader van de beslissing op aanvragen om Europese landbouwsubsidies artikel 4:5, eerste lid, van de Awb ook buiten toepassing. Zie ook Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 96.
In de Europese landbouwsubsidieverordeningen zijn geen specifieke regels neergelegd wat te doen indien een onvolledige aanvraag is ingediend. Voor de bedrijfstoeslag geldt dat de aanvraag tot twee weken na de uiterste indieningsdatum kan worden gewijzigd; dit betekent dat de aanvraag in die periode ook nog kan worden aangevuld. Voor zover de onvolledigheid is aan te merken als een kennelijke fout die door het nationaal uitvoeringsorgaan is erkend dan wel sprake is van overmacht, kan de aanvraag ook daarna nog worden gewijzigd. Aanvullingen die buiten de twee-wekentermijn zijn ingediend en waarbij geen sprake is van een kennelijke fout of overmacht, moeten op grond van de Commissieverordening nr. 1122/2009 worden afgewezen. De vraag is in hoeverre dit stelsel als een volledig Europees stelsel moet worden aangemerkt. Met andere woorden: in hoeverre bestaat nog ruimte voor de minister van EL&I — het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan — om naast de Europese landbouwsubsidieverordeningen toepassing te geven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb? In deze bepaling is de regel neergelegd dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden gesteld de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen, alvorens de aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld. Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Enerzijds bevat de Commissieverordening nr. 1122/2009 geen expliciete regels voor onvolledige aanvragen. Op grond hiervan kan worden geoordeeld dat op dat onderdeel geen gemeenschappelijke Europese regels bestaan en daarom ruimte bestaat voor toepassing van het nationale recht. Anderzijds kan worden betoogd dat de Commissieverordening nr. 1122/ 2009 een uitputtend stelsel bevat aangaande het indienen van een subsidieaanvraag, zodat geen ruimte bestaat voor een algemene nationale regeling inzake onvolledige aanvragen.
Blijkens de jurisprudentie is bij het CBb regelmatig de vraag aan de orde gekomen, in hoeverre de minister van EL&I de landbouwer in de gelegenheid had moeten stellen om de onvolledige subsidieaanvraag aan te vullen. Uit deze jurisprudentie blijkt dat het CBb in veel van deze zaken tot de conclusie komt dat geen sprake is van een onvolledige aanvraag.1
Aanvragen om uitbetaling van de bedrijfstoeslag moeten in Nederland door middel van het indienen van de gecombineerde opgave worden aangevraagd.2 In deze gecombineerde opgave is de verzamelaanvraag als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 11, en de artikelen 10 e.v. van de Commissieverordening 1122/2009 opgenomen. De gecombineerde opgave dient echter ook een ander - louter nationaal doel. De gecombineerde opgave wordt namelijk ook gebruikt om de jaarlijkse landbouwtelling te verrichten. Deze landbouwtelling heeft haar grondslag in de Landbouwwet3 en heeft onder meer ten doel de inwinning en registratie van gegevens in de agrarische sector ten behoeve van statistisch onderzoek en beleid door het CBS. Onbedoeld heeft het tweeledig doel van de gecombineerde opgave tot gevolg dat landbouwers de bedrijfstoeslag mislopen. Op de gecombineerde opgave dient een landbouwer namelijk aan te vinken dat hij voor het desbetreffende jaar ook bedrijfstoeslagrechten wenst uit te laten betalen. Het komt nogal eens voor dat de landbouwer per ongeluk NEE aankruist. Een landbouwer betoogt in veel gevallen dat sprake is van een onvolledige aanvraag en de minister hem in de gelegenheid had moeten stellen de aanvraag aan te vullen. Zo hoopt hij dat de strikte aanvraagtermijnen en sancties niet aan hem worden tegengeworpen. Het CBb heeft echter uitgemaakt dat indien het vakje NEE wordt aangekruist de minister van EL&I ervan mag uitgaan dat deze landbouwers, conform zij hebben opgegeven in de gecombineerde opgave, geen uitbetaling van hun toeslagrechten wensen.4 Volgens het CBb is het niet de taak van de minister om de landbouwer erop te wijzen dat geen aanvraag tot uitbetaling van de bedrijfstoeslag is gedaan.5 Dat een landbouwer per ongeluk het vakje NEE aankruist, heeft gelet op voormelde jurisprudentie tot gevolg dat geen recht op uitbetaling bestaat. Indien de aanvraag tot uitbetaling van de bedrijfstoeslag in een afzonderlijk aanvraagformulier zou moeten worden gedaan, zou voormelde problematiek zich echter niet voordoen. Hoewel de landbouwer verantwoordelijk is voor een correcte invulling van het aanvraagformulier, kan men zich bij het ministerie van EL&I wel afvragen of een voor twee doeleinden te benutten formulier de kans op fouten niet nodeloos in de hand werkt.6 Daarbij is van belang dat de toepasselijke Europese verordeningen de opneming van de landbouwtelling en de aanvraag tot uitbetaling van de bedrijfstoeslag in één aanvraagformulier niet vereist. Nederland heeft daarvoor zelf gekozen.
Landbouwers dienen niet alleen in algemene zin aan te geven dat zij in aanmerking willen komen voor uitbetaling van hun bedrijfstoeslagrechten, maar moeten dat ook specificeren per perceel door middel van het aankruisen van een vakje achter het desbetreffende perceel. Het komt nogal eens voor dat landbouwers bepaalde percelen vergeten aan te kruisen. Het CBb heeft uitgemaakt dat ook dat niet leidt tot het oordeel dat sprake is van een onvolledige aanvraag.7 Volgens het CBb is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager om duidelijk te maken dat en voor welke percelen hij uitbetaling wenst.8 De minister is niet verplicht om een aanvrager erop te wijzen dat deze zichzelf met de wijze waarop de aanvraag is ingevuld, mogelijkerwijs tekort doet.9 Ook indien andere fouten door de landbouwer in de verzamelaanvraag zijn gemaakt, oordeelt het CBb dat op de minister niet de verplichting rust om de landbouwer voor de uiterste termijn voor het wijzigen van de verzamelaanvraag uit eigen beweging van de gemaakte fouten in kennis te stellen.10 Zoals in hoofdstuk 5 en ook in deze paragraaf is besproken, bestaat alleen indien sprake is van een kennelijke fout dan wel overmacht de mogelijkheid om de aanvraag te wijzigen.
In een aantal uitspraken heeft het CBb geconcludeerd dat wel sprake is van een onvolledige aanvraag. In die gevallen heeft het CBb bepaald — overigens zonder daarover prejudiciële vragen te stellen — dat de minister van LNV is gehouden een mogelijkheid te bieden tot aanvulling van de aanvraag, alvorens de aanvraag af te wijzen.11 Het CBb baseert voormelde verplichting niet op artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, maar op het daaraan ten grondslag liggende beginsel van zorgvuldige voorbereiding dat is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Omdat de minister de aanvragen in deze zaken had afgewezen, is artikel 4:5, eerste lid, van de Awb immers niet van toepassing. In dat artikel gaat het namelijk om het buiten behandeling stellen van een aanvraag. Uit het beginsel van zorgvuldige voorbereiding vloeit volgens het CBb voort dat een aanvrager ook de gelegenheid moet hebben de aanvraag aan te vullen, alvorens tot afwijzing wordt overgegaan. Het CBb oordeelt dat in de enkele omstandigheid dat voor de indiening van de verzamelaanvraag strikte termijnen gelden, geen grond bestaat voor de condusie dat de minister geen herstelmogelijkheid hoeft te bieden.12
Feit is dat de toepasselijke Europese verordening — de Commissieverordening nr. 796/2004 en thans ook de Commissieverordening nr. 1122/2009 precies voorschrijft in hoeverre de mogelijkheid bestaat om de aanvraag te wijzigen en wat er moet gebeuren indien de aanvraag — inclusief de daarbij behorende documenten, contracten of aangiften die nodig zijn om voor de Europese subsidie in aanmerking te komen — te laat wordt ingediend. Een verplichting voor het subsidieverstrekkende bestuursorgaan om aanvragers in de gelegenheid te stellen de aanvraag aan te vullen heeft daarom slechts een zeer beperkte betekenis. Zij kan er niet toe leiden dat een aanvraag die niet binnen 25 kalenderdagen na de uiterste datum van indiening volledig is, alsnog moet worden gehonoreerd.13 Het lijkt weinig waarschijnlijk dat het subsidieverstrekkende bestuursorgaan in staat zal zijn om in minder dan 25 dagen te beoordelen of de aanvraag volledig is en zo nee, om de aanvrager van de onvolledigheid binnen deze termijn op de hoogte te stellen. Gelet hierop, is de vraag gerechtvaardigd of niet meer voor de hand ligt dat sprake is van een volledig Europees stelsel, zodat geen ruimte bestaat voor toepassing van de uit artikel 3:2 van de Awb afgeleide regel dat een aanvrager de gelegenheid moet hebben de aanvraag aan te vullen, alvorens tot afwijzing kan worden overgegaan.14 Nu op dit punt geen sprake is van een acte clair, had het CBb hieromtrent een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moeten stellen.