Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/7.4.6:7.4.6 Hoofdelijkheid als onderdeel van de vrijstellingsregeling in het Nederlandse recht sinds 1992
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/7.4.6
7.4.6 Hoofdelijkheid als onderdeel van de vrijstellingsregeling in het Nederlandse recht sinds 1992
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648699:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is aangegeven dat de inhoud van hoofdelijkheid met de invoering van het Burgerlijk Wetboek van 1992 is gewijzigd. Aangezien hoofdelijke aansprakelijkheid een belangrijk element vormt binnen de groepsvrijstellingsregeling, is de inhoud van de groepsvrijstellingsregeling in 1992 gewijzigd wanneer ervan uit wordt gegaan dat per die datum aangesloten wordt bij de nieuwe inhoud van hoofdelijke aansprakelijkheid.
Bij de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1992 is de redactie van de groepsvrijstellingsregeling niet gewijzigd. Uit niets blijkt dat bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 is stilgestaan bij de wijziging die optrad binnen de groepsvrijstellingsregeling doordat de inhoud van hoofdelijkheid toen veranderde. De hoofdelijkheid, die als onderdeel van de groepsvrijstellingsregeling is bedoeld, is de hoofdelijkheid zoals die gold onder het OBW. Er was sprake van een vorderingsrecht met meerdere schuldeisers. Tevens was er enige flexibiliteit mogelijk waar het aankwam op het vaststellen van de gevolgen van de hoofdelijkheid in een bepaalde situatie teneinde onwenselijke uitkomsten te voorkomen. Vanaf 1992 kan onder ‘hoofdelijkheid’ zowel de stamvorm van hoofdelijkheid worden begrepen, alsook borgtocht. Daarbij is relevant dat de gebezigde term niet beslissend is. De stamvorm van hoofdelijkheid behelst een variant waarbij evenveel vorderingsrechten als schuldenaren zijn. Van die stamvorm is sprake wanneer onder de verschillende schuldenaren niet één hoofdschuldenaar valt aan te wijzen en dat de schuld hen allen aangaat. Nu staat de groepsvrijstellingsregeling in 1992 op een belangrijk kruispunt. Wordt de hoofdelijkheid van artikel 2:403 lid 1 sub f BW begrepen als de stamvorm van hoofdelijkheid? Of als borgtocht?