Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.4.3
6.3.4.3 De afweging van wederzijdse belangen
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493434:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.3.2.1.
HR 14 juni 1996, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters). Tevens: HR 25 november 2005, rov. 3.8, LJN AT9060, NJ 2006, 148 m.nt. G.R. Rutgers (Rohde Nielsen/De Donge.).
HR 30 juni 2006, LJN AV1559, NJ 2007, 483, m.nt. H.J. Snijders (Bijl/Van Baaien c.s.).
Klaassen concentreerde zich hierbij, gezien de praktische relevantie, op de eisen die worden gesteld om tot ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht te komen dan wel de opheffing op grond van belangenafweging.
Het gaat hierbij om de opheffingsgrond die in de praktijk in verreweg de meeste opheffingskortgedingen door de beslagene wordt aangevoerd: zie ook hierna in paragraaf 6.4.6.
Klaassen 2009, p. 313-349.
Zie paragraaf 5.3.5 voor de discursieve benadering bij de beoordeling van beslagrekesten.
Pres. rb. Rotterdam 16 maart 1993, LJN AH4178 en vzr. rb. Breda 29 augustus 2007, LJN BB3121, vzr. rb. Amsterdam, 19 november 2010, LJN BT6524, vzr. rb. Arnhem 3 november 2011, LJN BU6612, vzr. rb. Amsterdam 25 november 2011, LJN BU 6172, Gerechtshof Amsterdam, 10 januari 2012, LJN BV0477, vzr. rb. Haarlem 16 januari 2012, LJN BV3921, NJF 2012/210 (opheffing beslag in kort geding).
Gerechtshof Den Haag, 11 september 2012, LJN BY3295(Mund & Fester c.s.).
Dat de afweging van wederzijdse belangen in een opheffingskortgeding reeds voor de invoering van het NBW in 1992 (en daarmee de aanpassing van Rv) een belangrijke rol speelde, is af te leiden uit rechtspraak en doctrine uit die periode.1 Door de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest De Ruiterij/MBO-Ruiters2 (rov. 3.4) wordt nog eens duidelijk dat in de visie van de Hoge Raad steeds sprake dient te zijn van een belangenafweging:
‘Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.’
In het kader van de bespreking van de wijze waarop de Hoge Raad het imperatief karakter van opheffingronden benadert, kwam ik hiervoor al tot de conclusie dat de belangenafweging in dit verband een positie van een ‘on top’ niet-limitatieve grond als mogelijke opheffings- én handhavingsgrond krijgt toegedeeld. Deze positie biedt naar mijn oordeel de voorzieningenrechter in beginsel een ruime mogelijkheid om een beslissing te nemen die rekening houdt met de omstandigheden van het geval en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht.
Een uitspraak als Bijl/Van Baalen c.s.3 heeft op deze beslissingsruimte van de voorzieningenrechter een negatieve, en naar mijn oordeel uiterst ongewenste, invloed: de vrijheid van de voorzieningenrechter om de belangenafweging op een voor de beslaglegger èn beslagene evenwichtige wijze te laten plaatsvinden, wordt hiermee onnodig en op niet te verdedigen gronden beperkt. De beslagene wordt in een evidente achterstandpositie geplaatst, omdat immers de verhaalbaarheid van de vordering van de beslaglegger het primaat krijgt. Een soortgelijke visie is te vinden bij Klaassen, die stelt dat ‘het arrest Bijl/Van Baalen past in het beeld dat de beslagdebiteur in de regel aan het kortste eind trekt en het de beslaglegger is die wint’. Deze auteur bekeek de inhoud van vijfenzeventig, voor het merendeel gepubliceerde, opheffingskortgedingen in de periode 2006-2008, hetgeen leidt tot de vaststelling dat deze uitspraken casuïstisch van aard zijn.4 Klaassen komt tot de conclusie dat naarmate het minder eenvoudig is om aan te tonen dat de gepretendeerde vordering van de beslaglegger kennelijk ondeugdelijk is,5 de kans dat de rechter zonder meer tot opheffing van het beslag overgaat geringer is, en dat dit laatste in het algemeen slechts gebeurt als een afweging van wederzijdse belangen daartoe aanleiding geeft. Daarbij moet aanzienlijk meer aan argumenten naar voren gebracht worden door de beslagene dan dat het beslag ‘lastig’ is. Het zeker stellen van de verhaalsmogelijkheden van de beslaglegger, indien deze uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld, lijkt bij deze afweging van wederzijdse belangen in het algemeen voorop te staan. Naarmate de vordering van de beslaglegger sterker lijkt, nemen de eisen die worden gesteld aan de bezwaarlijkheid van het beslag voor de beslagene toe.6
Hetgeen aan deze bevindingen opvalt is, dat het niet rigide benaderen van het imperatief karakter van opheffingsgronden, zoals dit door de Hoge Raad wordt voorgestaan, in de door Klaassen genoemde zaken niet duidelijk naar voren komt. Wellicht dat dit wordt veroorzaakt door een enigermate discursieve benadering door voorzieningenrechters,7 al dan niet in combinatie met een beperkte motivering van de uitspraken.
De voorzieningenrechter zal in een opheffingskortgeding afgaan op hetgeen door partijen ter zitting naar voren wordt gebracht. Dit betekent dat de afweging van wederzijdse belangen in belangrijke mate afhankelijk zal zijn van hetgeen door partijen zelf wordt aangevoerd: dit zullen in de praktijk op de specifieke omstandigheden van die zaak toegesneden argumenten zijn, die in de lijn liggen van de beoordelingselementen, die ook een rol spelen bij de summiere afweging van wederzijdse belangen bij de beoordeling van het beslagrekest. Sedert de Beslagsyllabus juni 2011 ligt het voor de hand dat hierbij tevens de (on)juistheid en (on)volledigheid van de informatie die in het beslagrekest is verstrekt aan de orde kan worden gesteld. Er mag van worden uitgegaan dat het onjuist en/of onvolledig informeren van de voorzieningenrechter bij de verlofverlening, tot opheffing van het beslag in een opheffingskortgeding kan leiden.8
De constatering van Klaassen dat een voor de beslagene gunstige afweging van belangen aanzienlijk meer aan argumenten vraagt dan dat het beslag ‘lastig’ is, wordt geïllustreerd door een recente uitspraak van gerechtshof ’s-Gravenhage, in een hoger beroep na een opheffingskortgeding waarin het beslag werd opgeheven (rov. 7):
‘Het hof is, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat de beslagene onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd dat zij zonder opheffing van het beslag niet de voor haar bedrijfsvoering benodigde financiering kan verkrijgen en dat de vrijgave van het onder het beslag vallende bedrag (…) essentieel is voor het voortbestaan van haar bedrijf. De enkele brief van de bank (…) dat zij geen medewerking kunnen verlenen aan het financieringsverzoek van beslagene, is hiervoor naar het oordeel van het hof onvoldoende (…). Het enkele feit dat de economische crisis ook thans nog altijd aanwezig is, en dat zeker de bouwen aannemingssector daar onder lijdt, is tot slot evenmin voldoende om aan te nemen dat het bedrag (…) essentieel is voor het voor het voortbestaan van het bedrijf.’9 (De term geïntimeerde is hier vervangen door de term beslagene: MM).
Het lijkt voor een resultaatgerichte proceshouding dus raadzaam dat de beslagene die opheffing vordert op grond van argumenten, die liggen op het gebied van een belangenafweging, deze niet slechts in algemene termen formuleert. In de onderhavige zaak had het, gezien de grieven van de beslaglegger (die niet uit het arrest blijken) volgens het gerechtshof op de weg van de beslagene gelegen om opening van zaken te geven over de financiële situatie van het bedrijf. De beslagene had deze gegevens niet in het geding gebracht in verband met de vrees voor het opnieuw leggen van beslagen. De in de onderhavige zaak uiterst penibele situatie voor de beslagene is een ‘schoolvoorbeeld’ van een belangenafweging tussen het secureren van een (nog) niet in rechte vastgestelde vordering, waarvan niet is uit te sluiten dat deze in de hoofdzaak wordt toegewezen, tegenover het belang van de beslagene om over de beslagen liquide middelen te kunnen beschikken ten behoeve van de bedrijfsvoering.