Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.3:IX.5.3 Overlappende normen: rechterlijke onpartijdigheid, ne bis in idem en materiële vrijheidsrechten
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.5.3
IX.5.3 Overlappende normen: rechterlijke onpartijdigheid, ne bis in idem en materiële vrijheidsrechten
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598645:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§ III.3.2; § V.6.
§ VI.8.1. Zie ter illustratie ook de conclusie van A-G Knigge (i.h.b. punt 6) voor het eerste arrest op een aanvraag tot herziening ten nadele, HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520.
Zie § IV.3.2.4.
§ IV.4.1.4-4.1.6; § VI.5.1-5.2; § VIII.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voorts zijn er rechten en beginselen die de onschuldpresumptie niet zozeer beoogt te beschermen, maar waarvan de inhoud gedeeltelijk met die van de onschuldpresumptie samenvalt.
Zo heeft het recht op een onpartijdige rechter een duidelijk andere signatuur dan de onschuldpresumptie, maar bestaat tussen beide desondanks enige overlap. Uit de bewijsdimensie vloeit voort dat de rechter zijn bewezenverklaring enkel op het aangedragen en onderzochte bewijsmateriaal mag baseren en de mogelijke schuld van de verdachte niet als vertrekpunt van zijn onderzoek mag nemen waarvan hij door het bewijs moet worden afgebracht.1 Dit verbod op vooringenomenheid ligt ook in het recht op een onpartijdige rechter besloten, maar net als de onschuldpresumptie is het recht op een onpartijdige rechter aanzienlijk breder dan dat. Onpartijdigheid is bijvoorbeeld ook een eis die aan de civiele rechter wordt gesteld en de strafrechter moet onpartijdigheid niet alleen met betrekking tot de schuldvragen in acht nemen, maar ook ten aanzien van procedurele kwesties, ontvankelijkheidsvragen en de sanctietoemeting. En niet alleen naar reikwijdte, maar eveneens naar inhoud is het onpartijdigheidsvraagstuk ruimer. De onschuldpresumptie heeft louter betrekking op daadwerkelijke vooringenomenheid met betrekking tot de toedracht van de zaak, terwijl het onpartijdigheidsvereiste bijvoorbeeld ook belangeloosheid, distantie en onbevangenheid vergt. Bovendien kan de schijn van partijdigheid voor schending van het objectieve onpartijdigheidsaspect reeds voldoende zijn, terwijl schending van de onschuldpresumptie in dit opzicht zich daadwerkelijk zal moeten manifesteren, meestal in de gedragingen van de zittingsrechter of jury.
Met het ne bis in idem-beginsel houdt het onschuldvermoeden op soortgelijke, elkaar overlappende wijze verband. Samen verklaren zij dat tegenwoordig in de meeste strafrechtsstelsels niet wordt onderscheiden tussen onschuldigverklaring enerzijds en vrijspraak wegens onvoldoende bewijs anderzijds. De onschuldpresumptie pleit tegen schuldvaststelling en bestraffing zonder dat in de daarvoor bestemde procedure schuld is vastgesteld. Het principe verzet zich daarom vooral tegen straf op basis van een restverdenking en tegen vrijspraakmodaliteiten die de vrijgesprokene met de reputatie van dader opzadelen. Het ne bis in idem-beginsel waarborgt voornamelijk de rechtszekerheid van de gewezen verdachte en het eindige karakter van de rechtsstrijd (lites finiri oportet). Het beginsel verzet zich derhalve vooral tegen eindbeslissingen die niet onherroepelijk worden of die anderszins ruimte laten voor een nieuw proces of de heropening van het oude. Met zowel het onschuldvermoeden als ne bis in idem staat het derhalve op gespannen voet aan een strafbaar feit de schuld vast te stellen van iemand tegen wie een strafproces met betrekking tot dat feit onherroepelijk in vrijspraak is geëindigd.2 Beide beginselen hebben daarnaast met elkaar gemeen dat een bijkomend argument voor hun werking in dit opzicht ligt in het ondermijnende effect dat de latere schuldvaststelling heeft op het gezag van het niet-veroordelende vonnis.3 De verschillen in de door beide in dit verband geboden bescherming zijn echter eveneens substantieel. Terwijl de onschuldpresumptie alleen de niet-veroordeelde beschermt, maar wel tegen zowel schuldvaststelling in een tweede procedure als tegen buitenprocedurele schuldvaststelling, beschermt het ne bis in idem-beginsel iedere onherroepelijk berechte, maar alleen tegen nieuwe procedurele schuldvaststelling.
Voorts kan hier worden gewezen op de materiële mensenrechten met betrekking tot de fysieke vrijheid en de persoonlijke levenssfeer. Evenals de onschuldpresumptie begrenzen zij de toelaatbaarheid van strafvorderlijke dwangmiddelen. Bij de beoordeling van strafvorderlijke inbreuken op de vrijheid en de persoonlijke levenssfeer is van belang welk legitiem doel met de inbreuk is gediend en of de inbreuk zich door dat doel laat rechtvaardigen, gelet op het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel. De onschuldpresumptie geeft richting aan hetgeen als een legitiem doel is aan te merken en begrenst welke omstandigheden in proportionaliteits- en subsidiariteitsafwegingen wel en niet mogen worden betrokken.4
Deze vormen van samenhang bevestigen dat de onschuldpresumptie onderdeel is van een groter web aan rechten en beginselen. In zoverre is de samenhang met de genoemde normen niet verrassend, aangezien zij alle verlichtingsidealen betreffen, die in dezelfde verdragen zijn neergelegd en invulling geven aan dezelfde liberaalpolitieke visie op de wenselijke verhouding tussen de overheid en burgers in het algemeen en in het strafrecht in het bijzonder. Deze rechten en beginselen geven ieder invulling aan een ander aspect van die verhouding, maar nemen daarbij alle de vrijheid van de burger ten opzichte van de overheid tot uitgangspunt en verlangen dat beperkingen op die vrijheid noodzakelijk zijn, met zorgvuldigheidswaarborgen omkleed zijn en de rechtszekerheid voldoende bewaken. Dat de onschuldpresumptie aan elk van die beginselen slechts op één of enkele bijzondere punten raakt, bevestigt dat het beginsel eigen, afzonderlijke inhoud en waarde heeft.