Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.4.1
1.4.1 Maatschappelijke relevantie
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661233:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Lalji 1992, par. 2 e.v.; de redactie in V-N 2010/35.3, die opmerkt dat veel burgers er geen idee van hebben of een uitlating van een medewerker van de Belastingtelefoon wel of niet gedaan kan of mag worden. Zie ook Albers 2019, par. 5; Damen 2018, par. 7.
Als gevolg van de Toeslagenaffaire wordt in de fiscale literatuur aandacht gevraagd voor problematiek waar gewone belastingplichtigen in verzeild kunnen raken, terwijl die problemen zich regelmatig buiten het blikveld van de fiscale wetenschap en praktijk bevinden; zie bijv. Van Horzen 2020; Gunn 2021; Poelmann 2021.
Vgl. OTS 2018, p. 33, onder verwijzing naar rechtspraak: ‘The importance of the extent to which thousands of taxpayers may rely upon guidance, of great significance as to how they will manage their lives, cannot be doubted. It goes to the heart of the relationship between the Revenue and taxpayer.’
Zie ook Gorissen 2008, p. 19.
Gorissen 2008, p. 17; Gribnau 2013a, par. 2.1.2; conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.1. Zie ook de titel van de bijdrage van Van Leijenhorst 1993: ‘Belastingheffing, een kwestie van vertrouwen’.
Gorissen 2008, p. 17.
Jaarverslag Raad van State 2020, p. 9-33; Damen 2018, par. 2; Stevens 2018, par. 2; Gribnau 2013b, par. 4.3.2. Zie ook paragraaf 3.2.8.
Kantar 2019, p. 5: ‘De perceptie over de relatie met de overheid is gebaseerd op de relatie met de Belastingdienst. Bij zeer veel burgers komen termen als belasting en de Belastingdienst als eerste in ze op als ze denken aan hun relatie met de Nederlandse overheid.’ Zie ook Van Hoeflaken 2021, p. 1412; Gribnau 1998, p. 278 en Koning Willem-Alexander in de Troonrede 2019: ‘Uitvoeringsorganisaties als de Belastingdienst en het UWV zijn het gezicht van de overheid. Daar komen mensen de overheid tegen.’
Belastingdienst Bedrijfsplan 2005-2009, p. 13 (onder verwijzing naar WRR 2002).
Vgl. Reugebrink 1984, p. 184: ‘In die zin dient de inspecteur ‘trouw’ te zijn, hij dient zo te handelen als de belastingplichtige in de gegeven situatie van een overheidsorgaan mag verwachten. Natuurlijk gaat het dan niet om allerlei subjectieve verwachtingen die bij contribuabelen leven (die verwachten het liefst geen aanslag), maar om de verwachtingen die belastingplichtige binnen het kader van de belastingverbintenis redelijkerwijs van de inspecteur mag hebben. En die verwachtingen zijn: dat de inspecteur onpartijdig is, integer, vakbekwaam, dat hij zich aan zijn woord houdt, dat hij onwankelbaar is.’
Zie ter illustratie van de relevantie van uitzonderingen op wetstoepassing (in niet-fiscale context) het nieuwsbericht dat het UWV een door eigen fout te hoog uitgekeerde bedragen niet zal terugnemen en dus bewust een begunstigende wetsuitzondering maakt (https://nos.nl/artikel/2396980-uwv-gaf-1200-mensen-te-hoge-uitkering-bij-uitzondering-geen-terugvordering, geraadpleegd 8 sept 2021).
Veel burgers komen regelmatig in aanraking met informatieverstrekking van de Belastingdienst, bijvoorbeeld in het kader van de jaarlijkse belastingaangifte. Met name de website van de Belastingdienst en de BelastingTelefoon worden veel geraadpleegd, maar ook traditionele voorlichtingsvormen als baliebezoek of brochures blijven praktisch relevant (paragraaf 3.4). Wanneer burgers zich door de Belastingdienst laten informeren, zullen bij hen verwachtingen ontstaan over de wijze waarop de Belastingdienst het belastingrecht uitlegt en toepast. Tegelijkertijd zullen burgers niet altijd goed op de hoogte zijn van de ‘juridische status’ van de informatie die zij via dergelijke bronnen verkrijgen.1 Ondertussen is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat burgers in het (belasting)recht ernstig in de problemen kunnen raken als in het recht niet voldoende oog is voor hun perspectief.2 De positie van de burger in het belastingrecht is een fundamenteel, maatschappelijk relevant thema. In zijn algemeenheid is voor de burger van groot belang dat hij zich – met het oog op zijn rechtszekerheid (duidelijkheid over zijn fiscale rechtspositie) – aan de hand van betrouwbare informatie kan oriënteren op de fiscale gevolgen van zijn handelen, evenals bij de nakoming van zijn fiscale plichten en effectuering van rechten. Het belang van de vraag of burgers op voorlichting kunnen vertrouwen is maatschappelijk gezien dus groot. Het raakt aan de kern van de relatie tussen de Belastingdienst en de burger.3
De maatschappelijke relevantie van dit onderzoek ligt besloten in het vertrouwensbeginsel, dat gaat over rechtsbescherming voor de burger tegen overheidsoptreden.4 Rechtsbescherming is fundamenteel in een rechtsstaat. Tegelijkertijd is rechtsbescherming niet meer of minder belangrijk dan rechtshandhaving (paragraaf 1.7.6). Dat vraagt – óók in het kader vertrouwenwekkende voorlichtende uitingen – om een bepaald evenwicht. Dit onderzoek houdt het huidige evenwicht kritisch tegen het licht en doet een voorstel voor verbetering.
Tot slot heeft het onderzoek maatschappelijke relevantie, omdat vertrouwen een fundament is in de maatschappij, in een samenleving, in het recht, in de rechtsstaat.5 Een schending van vertrouwen kan leiden tot een vertrouwensbreuk, wantrouwen en schade aan een relatie, zo schreef Gorissen eerder.6 Als het gaat om het rechtens kunnen vertrouwen op uitingen of gedragingen van de overheid (Belastingdienst), raakt dat bovendien aan het vertrouwen in en de betrouwbaarheid van die overheid.7 Daarbij komt dat de Belastingdienst voor veel burgers ‘het gezicht’ is van de overheid.8 Ook om die reden reikt de thematiek onmiskenbaar verder dan louter de fiscaliteit. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wees er in zijn rapport De toekomst van de nationale rechtsstaat (2002) al op, zo vat de Belastingdienst samen, ‘dat het niet inlossen van de verwachtingen die de burgers van de overheid hebben, de legitimatie van het overheidshandelen aantast en de rechtsstaat ondermijnt’.9
Tegelijkertijd zal het niemand verrassen dat de burger niet kan rekenen op de garantie op nakoming van alles waarop hij hoopt of wil.10 Als het gaat om toepassing van het vertrouwensbeginsel waarvoor een strikte wetstoepassing opzij wordt gezet, is het dilemma dat de maatschappij niet alleen is gebaat bij een betrouwbare overheid die zich houdt aan zijn gewekte verwachtingen, maar net zo goed bij een overheid die de wet toepast. Dat maakt het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen bij uitstek maatschappelijk relevant.11 Dit onderzoek kan beter inzicht geven in de juridische afwegingen die daarbij aan de orde zijn, met oog voor de positie van burgers.